Psalmen 73
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Kulish and Puluj Bible (1905)
1Psalm van Asaf. Waarachtig; God is goed voor den rechtvaardige, Jahweh voor de reinen van hart!
1Псальма Асафова. Що за благий Бог для Ізраїля, для чистих серцем!
2Toch waren haast mijn voeten gestruikeld, Mijn schreden bijna uitgegleden!
2А я — мало що ноги мої не зійшли з дороги; мало що не поховзлись стопи мої.
3Want ik was jaloers op de bozen, Omdat ik de voorspoed der zondaars zag;
3Бо я завидував бутним людям, бачивши щасливу долю беззаконних.
4Voor hen toch bestaat er geen lijden, Gezond en vol kracht is hun lijf.
4Вони бо не знають горя до самої смертї, і тїло їх добре згодоване.
5Ze hebben geen zorgen als andere mensen, Worden niet als anderen geplaagd;
5Не зазнають нужди людської, і не бідують, як люде.
6Daarom hangen ze hoogmoed om als een keten, Bedekt hen geweld als een mantel.
6Тому бута — намисто їх, а насильства — одежа їх.
7De misdaad puilt uit hun vet, Hun hart loopt over van slechte gedachten;
7Од жиру викотило їм очі, серце їх переповнене забагами.
8Ze honen en lasteren, En dreigen op hoge toon met geweld.
8Кепкують і злобно говорять про тїсноту; з висока вони гордують.
9Ze zetten een mond op tegen de hemel, En hun tong gaat zich tegen de aarde te buiten.
9Підносять уста свої до неба, а язиком проходять землю.
10Daarom lopen de dwazen achter hen aan, En slurpen begerig hun woorden op.
10Тому збігаються сюди люде його, і дають їм води достатком.
11Ze zeggen: “Hoe zou God er iets van weten, De Allerhoogste er kennis van hebben?”
11А вони кажуть: Чи знає Бог? Чи є знаттє у Всевишнього?
12Zie, zo gaat het de zondaars: Ze zijn altijd gelukkig, en hopen zich rijkdommen op!
12Ось там беззаконники, а нема в них журби нїякої; здобувають собі багацтва.
13Heb ik dan mijn hart vergeefs in reinheid bewaard, En mijn handen in onschuld gewassen:
13Даремне дбав я про чистоту серця, вмивав руки мої в невинностї,
14De ganse dag word ik geplaagd, Iedere morgen opnieuw geslagen!
14Що дня приймаючи гірку муку, і що ранку мою кару.
15Dacht ik: Zo wil ik spreken! Dan brak ik de trouw van het geslacht uwer kinderen;
15Коли б я сказав: буду ж і я так говорити, то я б спроневірився родові синів твоїх.
16Maar als ik ging peinzen, om het te vatten, Dan bleef het een raadsel in mijn oog.
16І став я думати-гадати, щоб ті речі збагнути; трудна була се для мене праця.
17Totdat ik in Gods raadsbesluiten drong, En op hun einde ging letten:
17Аж увійшов я в сьвятиню Божу, і там зрозумів я долю їх.
18Ja, Gij hebt ze op een glibberige bodem gezet, Ze gestort in hun eigen verderf!
18На ховзьких місцях ставиш їх, провалюєш їх в погибіль.
19Hoe zijn ze in een oogwenk vernietigd, Verdwenen, in verschrikkelijke rampen vergaan:
19Як притьмом знищені вони! Конець їм; пропали вони від страшного лютування.
20Heer, als een droom, die bij het ontwaken vervliegt, Wiens beeld we bij het opstaan verachten!
20Як сновида пробудившийся, так ти, Господи, вставши, будеш зневажати образ їх.
21Als dus mijn hart nog verbitterd zou zijn, En mijn nieren bleven geprikkeld,
21Як серце моє кипіло, і в серединї пекло мене,
22Dan was ik een dwaas en een zot, Een stuk vee in uw oog.
22То стуманїв я і не знав нїчого; став я скотом перед тобою.
23Want ik blijf altijd bij U, Gij houdt mij bij de rechterhand;
23Та при тобі я зостався: ти взяв мене за праву руку.
24Gij leidt mij naar uw raadsbesluit, En herstelt mij in ere!
24Радою твоєю будеш мене вести, і приймеш мене в славу.
25Wat heb ik toch in de hemel; Ook op aarde verlang ik niets buiten U!
25Кого маю в небі? І крім тебе нема для мене втїхи на землї.
26Al bezwijken mijn vlees en mijn hart, God is voor eeuwig de Rots van mijn hart en mijn erfdeel.
26Як зотлїє тїло моє і серце моє, то скеля серця мого й доля моя — Бог по віки.
27Maar die U verlaten, gaan zeker te gronde, Gij vernietigt wie van U afvalt;
27Бо ось, погибнуть всї, що віддалились від тебе; ти нищиш усїх, що, спроневірившись, відхиляються від тебе.
28Doch mij is het goed, in Gods nabijheid te blijven, En mijn vertrouwen te stellen op Jahweh, mijn Heer!
28Менї ж благо приблизитись до Бога; я покладаю надїю на Господа Бога, щоб проповідувати всї дїла твої.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.