Psalmen 65
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Kulish and Puluj Bible (1905)
1Voor muziekbegeleiding. Een psalm van David; een lied. U komt een lofzang toe In Sion, o God! U moet een dankoffer worden gebracht, In Jerusalem, Heer!
1Проводиреві хора; псальма Давидова, пісня. Мовчки дожидає тебе, Боже, хвала на Сионї, і сповняться обітницї тобі.
2Gij verhoort het gebed, Alle vlees komt tot U;
2Ти слухаєш молитву нашу; до тебе прийде всяке тїло.
3En al drukt onze schuld ons nog zo zwaar, Gij vergeeft onze zonden.
3Несправедливостї подужали мене; наші провини, ти простиш їх.
4Gelukkig, dien Gij uitverkiest en aanneemt, Om in uw voorhof te wonen: Die ons laven aan het goede van uw huis, Van uw heilige tempel!
4Щасливий, кого ти вибереш і даси йому приблизитись: він жити ме у дворах твоїх. Наситимось добром дому твого, сьвятощами храму твого.
5Met wonderen verhoort Gij ons in uw trouw, O God van ons heil; Gij, de hoop van alle grenzen der aarde, En ongenaakbare zeeën!
5Дивні речі промовиш до нас у справедливостї, Боже, спасителю наш, ти надїя всїх кінцїв землї і далекого моря!
6Gij, die de bergen door uw kracht hebt gegrond, En met macht zijt omgord;
6Ти, що утвердив гори силою своєю, підперезавшись потугою,
7Die het bulderen der zeeën bedaart, En het gebruis van haar golven. Ontsteld staan de volken,
7Котрий тихомирить бурханнє моря, ревучі його филї і заверюху народів.
8Vol vrees, die de grenzen der aarde bewonen: Voor uw tekenen daar, waar de morgen gloort, En waar Gij de avond doet juichen.
8Перед дивами твоїми лякаються народи на всїх кінцях землї; ти звеселяєш країну сходу і заходу.
9Gij draagt zorg voor de aarde, En drenkt ze volop; Gij stort er een rijke zegen op uit, Gods vloed heeft altijd water genoeg. Gij maakt haar gereed voor haar koren, Zó maakt Gij ze klaar:
9Ти дбаєш про землю, і даєш їй достатку: щедриш її великим багацтвом: Божий потік повний води. Ти приготовляєш для неї хлїб, що даєш рости йому.
10Gij drenkt haar voren, bevochtigt haar kluiten, En maakt ze door regenslag week. Dan zegent Gij haar kiemen,
10Ти наповаєш борозни її, рівняєш скиби її, мякчиш їх дощами, благословиш ростину її.
11En zet de kroon op het jaar van uw goedheid: Uw voetstappen druipen van vet,
11Ти увінчав рік добротою твоєю, і слїди твої повні товщі.
12Zelfs de vlakten der steppen druipen er van. De heuvels zijn met gejubel omgord,
12Ростуть буйно левади в пустинї, радостю вкриваються узгіря.
13De weiden met kudden bekleed, De dalen met koren getooid: Ze juichen en zingen!
13Луги покриваються стадами, а долини поростають житом; все торжествує, все сьпіває.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.