Judas 1
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Kulish and Puluj Bible (1905)
1Judas, dienaar van Jesus Christus, en broeder van Jakobus: aan de uitverkorenen, door God den Vader bemind en voor Jesus Christus behouden:
1Юда, слуга Ісуса Христа, брат же Яковів, — покликаним, од Бога Отця осьвяченним, а Ісусом Христом охороненим:
2Barmhartigheid, vrede en liefde zij in volle mate uw deel!
2милость вам і впокій і любов нехай умножить ся.
3Geliefden, daar ik u vol ijver over ons gemeenschappelijk heil wilde schrijven, heb ik mij verplicht gezien, u door een schrijven aan te sporen, om te strijden voor het geloof, dat eens en voor al aan de heiligen is overgeleverd.
3Любі, стараючись з усією пильностю писати вам про спільне спасеннє, вважав я за конечне написати вам, вговорюючи, щоб боролись за віру, сьвятим раз передану.
4Want er zijn enige lieden binnengeslopen, die reeds lang te voren opgeschreven staan voor dit doemvonnis: goddelozen, die de genade van onzen God in liederlijkheid verkeren, en Jesus Christus verloochenen, onzen enigen Meester en Heer.
4Повлазили бо деякі люде, давно призначені на сей суд, безбожні, що благодать Бога нашого обертають на розпусту, і самого Владики Бога і Господа нашого Ісуса Христа одрікають ся.
5En nu gij eenmaal dit alles weet, wil ik u ook in herinnering brengen, hoe de Heer het Volk uit het land van Egypte verloste, maar later de ongelovigen in het verderf heeft gestort;
5Приганути ж хочу вам, котрі загально се знаєте, що Господь, хоч спас нарід із землї Єгипецької, то опісля погубив тих, що не вірували.
6hoe Hij de engelen, die hun Heerschappij niet bewaarden, maar hun eigen woonsteden verlieten, met eeuwige boeien in de duisternis vasthoudt voor het gericht van de grote Dag;
6І ангелів, що не схоронили свого начальства, оставивших свої оселї, про суд великого дня вічнїми оковами під темрявою схоронив.
7hoe Sódoma en Gomorra met de omliggende steden, die ontucht bedreven evenals zij, en tegennatuurlijke vleselijke lusten hebben nagejaagd, tot een voorbeeld gesteld zijn van de straf door het eeuwige vuur.
7Як Содома і Гоморра, і городи кругом них, що, подібно їм, жили в перелюбі і ходили в слїд за иншим тїлом, принявши кару вічнього огня, виставлені яко приклад;
8Zo bezoedelen ook deze dromers hun vlees; ze verachten de Heerschappij, en beschimpen de Heerlijkheden.
8так і сї сновиди опоганюють тїло, начальством же гордують, а на власть хулять.
9Welnu, zelfs de Aartsengel Mikaël durfde geen smadend oordeel vellen, toen hij met den duivel over het lichaam van Moses twistte, maar hij zeide: “De Heer bestraffe u!”
9Михаіл же Архангел, коли, змагаючись з дияволом, говорив про Мойсейове тїло, не поважив ся піднести проти нього суду докоряючого, а сказав: Нехай Господь загрозить тобі:
10Deze lieden echter beschimpen wat ze niet kennen; en wat ze kennen op natuurlijke wijze als redeloos vee, daarmee gaan ze te gronde.
10Сї ж, чого не розуміють, хулять; що ж по природї, як безсловесні зьвірі, розуміють, у сьому поганять себе.
11Wee over hen! Want ze slaan de weg van Kaïn in; om loon werpen ze zich op Bálaäms bedrog; ze komen om in de opstand van Kore.
11Горе їм, бо пійшли вони дорогою Каіна, попались в обману нагороди Валаама, і погибли в бунтї як Корей.
12Ze zijn de schandvlekken op uw liefdemalen, schaamteloze brassers, die zichzelf weiden; wolken zonder water, voortgestuwd door de wind; bomen zonder vrucht in de herfst, morsdood en ontworteld;
12Се погань (на вечерях) милостинї вашої, що живлять ся з вами без страху, і пасуть ся; хмари безводні, од вітрів ношені; дерева осїнні, безовочні, двічи умерші, викорінені;
13woeste golven der zee, die hun eigen schande opspatten; dwaalsterren, wie diepste duisternis voor eeuwig wacht.
13люті филї морські, що пінять ся своїм соромом, блукаючі звізди, котрим чорна темрява на віки хоронить ся.
14Tegen hen heeft Henok, de zevende van Adam af, aldus geprofeteerd: “Zie de Heer komt met zijn tienduizenden heiligen,
14Пророкував же про сих і семий від Адама, Енох, глаголючи: „Ось, ійде Господь із тисячами сьвятих своїх,
15om gericht te houden over allen, en om alle goddelozen te straffen voor al hun goddeloze werken, die ze verrichten, en voor al de vermetele woorden, die de goddeloze zondaars tegen Hem spreken.”
15зробити суд над усїма, і докорити між ними усїх безбожних, за всї дїла безбожностї їх, що безбожно накоїли, і за всї жорстокостї, що говорили проти Нього грішники безбожні.‟
16Dat zijn de morrende klagers, die leven naar hun eigen lusten; hun mond bralt hoogmoed, ze vleien anderen uit winstbejag.
16Се миркачі, докорителї, що ходять по хотїнню своєму; і уста їх говорять гордо, і поважають лиця задля користи.
17Gij echter, geliefden, weest de woorden indachtig, die door de apostelen van onzen Heer Jesus Christus zijn voorspeld;
17Ви ж, любі, згадуйте слова, проречені від апостолів Господа нашого Ісуса Христа;
18want ze hebben u gezegd: “Op het einde der tijden zullen er spotters opstaan, die leven naar hun eigen goddeloze lusten.”
18бо вони казали вам, що останнього часу будуть ругателї, що ходять по хотїнню свого безбожя.
19En dit zijn zij, die scheuring verwekken, profanen, die den Geest niet bezitten.
19Се ті, що відлучають ся (від єдности віри,) тїлесні, що не мають Духа.
20Gij echter, geliefden, bouwt voort op uw allerheiligst geloof, bidt in den heiligen Geest,
20Ви ж, любі, найсьвятїщою вашою вірою будуйте ся, і в Духові сьвятому молїть ся,
21bewaart uzelf in Gods liefde, en rekent op de barmhartigheid van onzen Heer Jesus Christus ten eeuwigen leven.
21і себе в любові Божій хоронїть, дожидаючи милости Господа нашого Ісуса Христа до життя вічнього.
22Hebt medelijden met hen die twijfelen; redt ze en rukt ze uit het vuur.
22Також инших милуйте, розсуджуючи;
23Maar hebt medelijden met hen in vreze, en haat zelfs het kleed, dat door het vlees is bezoedeld.
23инших же страхом спасайте, вихоплюючи з огня, ненавидячи ще й одежу, од тїла опоганену.
24Aan Hem, die machtig is, u voor struikelen te behoeden, en vlekkeloos in jubelende vreugde u voor zijn Glorie te plaatsen;
24Тому ж, що може вас оберегати без спотикання, і поставити перед славою своєю непорочних в радостї,
25—aan den enigen God, onzen Redder door Jesus Christus onzen Heer, aan Hem zij de glorie en grootheid, de kracht en de macht vóór alle eeuwigheid, en nu en in alle eeuwigheid. Amen!
25єдиному премудрому Богу, Спасителю нашому, слава і величчє, держава і власть, тепер і по всї віки. Амінь.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.