Spreuken
Chapter 1
Petrus Canisius Bible, 1…
vs Kulish and Puluj B…
Aa
Text size
Line width
Verse numbers
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Kulish and Puluj Bible (1905)
1Spreuken van Salomon, den zoon van David, Den koning van Israël:
1Приповістї Соломона Давиденка, царя Ізраїлського,
2Ze leren u kennen wijsheid en tucht, Ze geven u begrip voor verstandige woorden;
2Щоб познати премудрість і науку та зрозуміти слова розсудні;
3Ze voeden u op tot heilzame tucht, Rechtschapenheid, plichtsbesef en oprechtheid.
3Щоб присвоїти собі вправу в розважуваннї, правосудї, в судї та правостї;
4Aan de onnozelen schenken ze ervaring, Aan jonge mensen doordachte kennis.
4Щоб подати простакам понятливість, а молодикові знаннє й обачність;
5Als een wijze ze hoort, zal hij zijn inzicht verdiepen, Een verstandig mens zal er ideeën door krijgen;
5Щоб мудрий вислухав і став іще мудрійшим, а розумний щоб знайшов мудрі ради;
6Spreuk en strikvraag zal hij doorzien, De woorden der wijzen en hun problemen.
6Щоб нам второпати всяку приповість і замотану мову, слова мудрих та загадки їх:
7Het ontzag voor Jahweh is de grondslag der wijsheid; Maar ongelovigen lachen om wijsheid en tucht.
7Почин премудростї — Господень страх; безумні нехтують і розум і науку.
8Mijn zoon, luister dus naar de wenken van uw vader, Sla niet in de wind, wat uw moeder u leerde;
8Слухай, мій сину, науки батька твого, й не відкидай материного заповіту;
9Want het siert uw hoofd als een krans, Uw hals als een snoer.
9Бо гарний се вінок на голову твою й прикраса на шию тобі.
10Mijn zoon, als zondaars u willen verleiden, stem niet toe,
10Сину мій! як будуть надити тебе ледачі люде, не слухай їх;
11Als ze u zeggen: Ga met ons mee, Laat ons loeren op bloed, Laat ons zo maar onschuldigen belagen,
11Як скажуть: Ось ходїм, засядемо, щоб убити, заляжемо на чесного — безвинного,
12Gelijk de onderwereld hen levend verslinden, Als zij, die ten grave dalen, geheel en al;
12Проковтнемо його живого, мов безодня, — цїлого, мов би провалився в пропасть;
13Allerlei kostbare schatten zullen we vinden, Onze huizen vullen met buit;
13Награбимо добра ми всякого в його, сповнимо доми свої хижим лупом;
14Ge moogt meeloten in onze kring, Eén buidel zullen we samen delen!
14Жереб на твою пайку кидати меш разом із нами, спільний склад буде в нас усїх, —
15Mijn zoon, ga dan niet met hen mee, En houd uw voet af van hun pad;
15Мій сину! не ходи по одній з ними дорозї, зупини ногу твою на їх стежцї,
16Want hun voeten ijlen naar het kwade, En haasten zich, om bloed te vergieten.
16Бо ноги їх біжять до злого, і кваплять на пролив крові.
17Maar zoals het niet geeft, of het net wordt gespannen, Terwijl alle vogels het zien:
17Шкода ж бо ставити в очах всїх птиць сїла;
18Zo loeren ze slechts op hun eigen bloed, En belagen ze hun eigen leven!
18Вони ж чигають на власну кров, і складають зраду проти своїм душам.
19Zo gaat het allen, die uit zijn op oneerlijke winst: Deze beneemt zijn bezitters het leven.
19Ось такі дороги всїх тих, що ласі на чуже добро: воно відбирає життє тим, що його загарбали.
20De wijsheid roept luid in de straten, Op de pleinen verheft ze haar stem;
20Премудрість говорить по улицях, піднімає свій голос по майданах;
21Ze roept op de tinne der muren, En spreekt aan de ingang der poorten:
21Вона проповідає по головних зборищах, у ввіходах до міських воріт промовляє, говорючи:
22Hoe lang nog, dommen, blijft gij liever onnozel, Blijven de eigenwijzen verwaand, Willen de dwazen van geen wijsheid horen?
22Доки ж вам, ви невіжі, люба буде темнота? доки, ви дурні, кохати метесь в дурнотї? доки нетямущим буде знаннє противне?
23Keert u tot mijn vermaning; Dan stort ik mijn geest over u uit, En maak u mijn woorden bekend.
23Приникнїть ід мойму картанню: Ось я пролию на вас мого духа, звіщу вам слова мої.
24Maar zo ge weigert, als ik roep, En niemand er op let, als ik mijn hand verhef;
24Я звала вас, а ви не слухали, я руку простягала, та не було, хто б уважав;
25Zo ge mijn raad geheel en al in de wind slaat, En van mijn vermaning niet wilt weten:
25Моєю радою ви гордували й докорів моїх не приняли.
26Zal ik lachen, wanneer het u slecht gaat, Zal ik spotten, wanneer uw verschrikking komt als een onweer;
26За те ж і я насьміюся з вашої погибелї, і радїти му, як найде страх на вас;
27Wanneer uw ongeluk nadert als een orkaan, Wanneer benauwdheid en angst u overvallen!
27Як прийде на вас переляк, мов та буря, й біда, мов хуртовина, пронесеться над вами; коли обгорне вас смуток і тїснота.
28Dan zal men mij roepen, maar zal ik niet antwoorden, Zal men mij zoeken, maar mij niet vinden!
28Тодї кликати муть мене, — та не озовуся; з досьвітку шукати будуть, — та не знайдуть мене.
29Omdat ze van wijsheid niets wilden weten, En het ontzag voor Jahweh niet hebben verkozen,
29За те, що знаннє ви зненавидїли й страху Божого не прийняли,
30Van mijn raad niets moesten hebben, En al mijn vermaan in de wind hebben geslagen:
30Що не схотїли слухати моєї ради, погордували докорами моїми;
31Zullen ze eten de vrucht van hun wandel, Verzadigd worden met wat ze beraamden.
31За се їсти муть плоди вчинків своїх та переситяться химерами своїми.
32Want de onnozelen komen door hun onverschilligheid om, De dwazen storten door hun lichtzinnigheid in het verderf;
32Так, упрямість невіжів убє їх і байдужність дурних погубить їх;
33Maar die naar mij luistert, zal in veiligheid wonen, Bevrijd van de vrees voor de rampen!
33Хто ж послухає мене, той буде жити безпечно й спокійно, не лякаючись лиха.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.