Spreuken 14
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Kulish and Puluj Bible (1905)
1De wijsheid bouwt zich een huis, De dwaasheid breekt het eigenhandig af.
1Жона розумна дом свій будує, безумна ж розвалить його своїми руками.
2Wie Jahweh vreest, gaat de rechte weg; Wie Hem veracht, gaat kronkelwegen.
2Хто ходить правою дорогою, той Господа боїться, чиї ж дороги криві, той про него не дбає.
3In de mond van een dwaas ligt een stok voor zijn rug, De wijzen worden door hun lippen beschermd.
3В безумного в устах — бич гординї; мудрих же уста оберігають їх.
4Waar geen runderen zijn, blijft de kribbe schoon; Rijke inkomsten dankt men aan de kracht van den os.
4Де воликів нема, порожні там і ясла; а хороший вроджай від сили волів.
5Een eerlijk getuige liegt niet, Een vals getuige verspreidt leugens.
5Правдливий сьвідок неправди не говорить, а ложний сьвідок наговорить багато неправди.
6De spotter zoekt wijsheid, maar tevergeefs; Voor een wijze is de kennis gemakkelijk te vinden.
6Шукає мудростї безпутний та й не знаходить, а мудрому знаннє легке.
7Blijf uit de buurt van een dwaas, Want verstandige taal bespeurt ge er niet.
7Ійди геть від того, хто розуму не має, в кого невидні тобі уста розумні.
8De wijsheid der schranderen wijst hun de weg, Maar de dommen worden door hun dwaasheid op een dwaalspoor geleid.
8Мудрість розумного — свою дорогу знати, дурнота ж безумних — збиватись із дороги.
9Het zoenoffer spot met de dwazen, Maar bij rechtvaardigen woont de genade.
9Недоумки з гріха сьміються, а між праведними — ласкавість.
10Het hart kent zijn eigen droefheid alleen; Ook in zijn vreugde kan een vreemde zich niet mengen.
10Журбу душі своєї всяке серце знає, і в радощі його чужому не мішатись.
11Het huis der bozen wordt verwoest, De tent der rechtvaardigen richt zich op.
11Будинок беззаконних розпадеться, а доброго намет, знай, процьвітати буде.
12Soms houdt iemand een weg voor de rechte, Die tenslotte uitloopt op de dood.
12Доволї є шляхів, що нам здаються праві, та конець їх — се дорога до смертї.
13Ook als iemand lacht, kan hij verdriet hebben; Blijdschap loopt soms op droefheid uit.
13І при сьміху болить нераз серце, та й кінцем радощів буває смуток.
14Een zondaar krijgt uit zijn wandel ruimschoots zijn deel, Maar ook een deugdzaam mens uit zijn daden.
14Чоловік із ледачим серцем насититься з поступків своїх, а добрий — зо своїх.
15De onnozele gelooft alles wat er gezegd wordt; De wijze let op het antwoord, dat hij ontvangt.
15Безумний віри йме всякому слову, а розумний вважає на дороги свої.
16De wijze is behoedzaam en mijdt het kwaad, De dwaas is zorgeloos en gaat er op in.
16Тямущий злого, знай, опасливо боїться, безумний же буйний і надїєн сам на себе.
17De lichtgeraakte haalt dwaasheden uit, Een beleidvol mens is verdraagzaam.
17Чоловік-горячка, буває, що й дурницю зробить, хто ж нарочно чинить зло, — ненависний.
18De onnozelen valt dwaasheid ten deel, De wijze wordt met kennis gekroond.
18Невіжі унаслїдують дурноту, розумні же вквітчаються знаннєм.
19De bozen moeten zich voor de deugdzamen buigen, De snoodaards voor de poorten der rechtvaardigen staan.
19Ледачі добрим уклоняться низенько, а й безбожні — в воротях праведника.
20Zelfs bij zijn buur is een arme gehaat, Maar de vrienden van een rijkaard zijn talrijk.
20Бідного не любить навіть рідня його, а в богатого повно приятелїв.
21Een zondaar geeft niet om zijn naaste; Zalig hij, die zich over de armen ontfermt!
21Грішить, хто ближнїм гордує, а благословен той, хто до вбогого милосердний.
22Wie kwaad beramen, geraken op een doolweg; Die op het goede bedacht zijn, ondervinden liefde en trouw.
22Ті помиляються, що задумують зло, любов і віра тим, хто думає про добре.
23Van alle inspanning komt gewin, Praten brengt alleen maar gebrek.
23З усякої працї є користь, а з пустого балакання хиба тільки шкода.
24Bedachtzaamheid is de kroon der wijzen, Dwaasheid de krans der dommen.
24Вінець мудрих — їх багацтво, а дурощі дурних — дурощами й остануть.
25Een betrouwbaar getuige redt mensenlevens; Maar wie leugen verspreidt, pleegt verraad.
25Сьвідок правдомовний рятує душі, а льживий тільки багато льжи насплїтає.
26Op het ontzag voor Jahweh mag de sterke vertrouwen, Ook zijn kinderen vinden daarin een toevlucht.
26В Господнїм страсї кріпка надїя; всїм синам своїм він — утечище.
27Het ontzag voor Jahweh is een bron van leven; Daardoor vermijdt men de strikken des doods.
27Господень страх — се джерело жизнї; він відвертає від западень смертї.
28Trots gaat een vorst op een talrijke bevolking, Gebrek aan volk is het eind van een heerser.
28Величен царь тодї, як люд великий лїчбою, як же омаль людей — біда князеві.
29De lankmoedige is rijk aan doorzicht, De ongeduldige stapelt dwaasheden op.
29Терпеливий чоловік показує великий розум, а хто на гнїв палкий, виявлює дурноту.
30Een kalme natuur doet het lichaam goed, Hartstocht is een kanker voor het gebeente.
30Лагідне серце життє для тїла, а зависть зжерає й костї.
31Die een arme verdrukt, smaadt zijn Schepper; Maar wie zich over hem ontfermt, brengt Hem eer.
31Хто вбогого тїснить — творця його зневажає, хто ж Бога чтить, бідного спомагає.
32Door zijn boosheid wordt de zondaar voortgejaagd, Maar de rechtvaardige vindt een toevlucht in zijn deugd.
32Безбожний за зло своє буде відкинен, а праведний і при смертї має надїю.
33In het hart van een verstandige vindt de wijsheid een rustplaats, In het binnenste der dwazen is zij niet bekend.
33У серцї в мудрого мудрість спочиває, та й між неуками дає про себе знати.
34Rechtvaardigheid verheft een volk, De zonde brengt de naties tot schande.
34Праведність підносить у гору народ, а безбожність — сором народів.
35De koning heeft behagen in een verstandig dienaar, Maar zijn toorn doodt hem, die zich misdraagt.
35Ласкавість у царя — до слуги розумного, а гнїв його на такого, що стид йому робить.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.