Spreuken
Chapter 14
Petrus Canisius Bible, 1…
vs Reina-Valera 1909
Aa
Text size
Line width
Verse numbers
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Reina-Valera 1909
1De wijsheid bouwt zich een huis, De dwaasheid breekt het eigenhandig af.
1LA mujer sabia edifica su casa: mas la necia con sus manos la derriba.
2Wie Jahweh vreest, gaat de rechte weg; Wie Hem veracht, gaat kronkelwegen.
2El que camina en su rectitud teme á Jehová: mas el pervertido en sus caminos lo menosprecia.
3In de mond van een dwaas ligt een stok voor zijn rug, De wijzen worden door hun lippen beschermd.
3En la boca del necio está la vara de la soberbia: mas los labios de los sabios los guardarán.
4Waar geen runderen zijn, blijft de kribbe schoon; Rijke inkomsten dankt men aan de kracht van den os.
4Sin bueyes el granero está limpio: mas por la fuerza del buey hay abundancia de pan.
5Een eerlijk getuige liegt niet, Een vals getuige verspreidt leugens.
5El testigo verdadero no mentirá: mas el testigo falso hablará mentiras.
6De spotter zoekt wijsheid, maar tevergeefs; Voor een wijze is de kennis gemakkelijk te vinden.
6Busca el escarnecedor la sabiduría, y no la halla : mas la sabiduría al hombre entendido es fácil.
7Blijf uit de buurt van een dwaas, Want verstandige taal bespeurt ge er niet.
7Vete de delante del hombre necio, porque en él no advertirás labios de ciencia.
8De wijsheid der schranderen wijst hun de weg, Maar de dommen worden door hun dwaasheid op een dwaalspoor geleid.
8La ciencia del cuerdo es entender su camino: mas la indiscreción de los necios es engaño.
9Het zoenoffer spot met de dwazen, Maar bij rechtvaardigen woont de genade.
9Los necios se mofan del pecado: mas entre los rectos hay favor.
10Het hart kent zijn eigen droefheid alleen; Ook in zijn vreugde kan een vreemde zich niet mengen.
10El corazón conoce la amargura de su alma; y extraño no se entrometerá en su alegría.
11Het huis der bozen wordt verwoest, De tent der rechtvaardigen richt zich op.
11La casa de los impíos será asolada: mas florecerá la tienda de los rectos.
12Soms houdt iemand een weg voor de rechte, Die tenslotte uitloopt op de dood.
12Hay camino que al hombre parece derecho; empero su fin son caminos de muerte.
13Ook als iemand lacht, kan hij verdriet hebben; Blijdschap loopt soms op droefheid uit.
13Aun en la risa tendrá dolor el corazón; y el término de la alegría es congoja.
14Een zondaar krijgt uit zijn wandel ruimschoots zijn deel, Maar ook een deugdzaam mens uit zijn daden.
14De sus caminos será harto el apartado de razón: y el hombre de bien estará contento del suyo .
15De onnozele gelooft alles wat er gezegd wordt; De wijze let op het antwoord, dat hij ontvangt.
15El simple cree á toda palabra: mas el avisado entiende sus pasos.
16De wijze is behoedzaam en mijdt het kwaad, De dwaas is zorgeloos en gaat er op in.
16El sabio teme, y se aparta del mal: mas el necio se arrebata, y confía.
17De lichtgeraakte haalt dwaasheden uit, Een beleidvol mens is verdraagzaam.
17El que presto se enoja, hará locura: y el hombre malicioso será aborrecido.
18De onnozelen valt dwaasheid ten deel, De wijze wordt met kennis gekroond.
18Los simples heredarán necedad: mas los cuerdos se coronarán de sabiduría.
19De bozen moeten zich voor de deugdzamen buigen, De snoodaards voor de poorten der rechtvaardigen staan.
19Los malos se inclinarán delante de los buenos, y los impíos á las puertas del justo.
20Zelfs bij zijn buur is een arme gehaat, Maar de vrienden van een rijkaard zijn talrijk.
20El pobre es odioso aun á su amigo: pero muchos son los que aman al rico.
21Een zondaar geeft niet om zijn naaste; Zalig hij, die zich over de armen ontfermt!
21Peca el que menosprecia á su prójimo: mas el que tiene misericordia de los pobres, es bienaventurado.
22Wie kwaad beramen, geraken op een doolweg; Die op het goede bedacht zijn, ondervinden liefde en trouw.
22¿No yerran los que piensan mal? Misericordia empero y verdad alcanzarán los que piensan bien.
23Van alle inspanning komt gewin, Praten brengt alleen maar gebrek.
23En toda labor hay fruto: mas la palabra de los labios solamente empobrece.
24Bedachtzaamheid is de kroon der wijzen, Dwaasheid de krans der dommen.
24Las riquezas de los sabios son su corona: mas es infatuación la insensatez de los necios.
25Een betrouwbaar getuige redt mensenlevens; Maar wie leugen verspreidt, pleegt verraad.
25El testigo verdadero libra las almas: mas el engañoso hablará mentiras.
26Op het ontzag voor Jahweh mag de sterke vertrouwen, Ook zijn kinderen vinden daarin een toevlucht.
26En el temor de Jehová está la fuerte confianza; y esperanza tendrán sus hijos.
27Het ontzag voor Jahweh is een bron van leven; Daardoor vermijdt men de strikken des doods.
27El temor de Jehová es manantial de vida, para apartarse de los lazos de la muerte.
28Trots gaat een vorst op een talrijke bevolking, Gebrek aan volk is het eind van een heerser.
28En la multitud de pueblo está la gloria del rey: y en la falta de pueblo la flaqueza del príncipe.
29De lankmoedige is rijk aan doorzicht, De ongeduldige stapelt dwaasheden op.
29El que tarde se aira, es grande de entendimiento: mas el corto de espíritu engrandece el desatino.
30Een kalme natuur doet het lichaam goed, Hartstocht is een kanker voor het gebeente.
30El corazón apacible es vida de las carnes: mas la envidia, pudrimiento de huesos.
31Die een arme verdrukt, smaadt zijn Schepper; Maar wie zich over hem ontfermt, brengt Hem eer.
31El que oprime al pobre, afrenta á su Hacedor: mas el que tiene misericordia del pobre, lo honra.
32Door zijn boosheid wordt de zondaar voortgejaagd, Maar de rechtvaardige vindt een toevlucht in zijn deugd.
32Por su maldad será lanzado el impío: mas el justo en su muerte tiene esperanza.
33In het hart van een verstandige vindt de wijsheid een rustplaats, In het binnenste der dwazen is zij niet bekend.
33En el corazón del cuerdo reposa la sabiduría; y es conocida en medio de los necios.
34Rechtvaardigheid verheft een volk, De zonde brengt de naties tot schande.
34La justicia engrandece la nación: mas el pecado es afrenta de las naciones.
35De koning heeft behagen in een verstandig dienaar, Maar zijn toorn doodt hem, die zich misdraagt.
35La benevolencia del rey es para con el ministro entendido: mas su enojo contra el que lo avergüenza.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.