Spreuken
Chapter 26
Petrus Canisius Bible, 1…
vs Reina-Valera 1909
Aa
Text size
Line width
Verse numbers
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Reina-Valera 1909
1Als sneeuw bij zomer, en regen bij oogst: Zo slecht past eerbetoon bij een dwaas.
1COMO la nieve en el verano, y la lluvia en la siega, así conviene al necio la honra.
2Als een vogel, die fladdert, en een zwaluw, die vliegt: Zo is een onverdiende verwensing; zij treft geen doel.
2Como el gorrión en su vagar, y como la golondrina en su vuelo, así la maldición sin causa nunca vendrá.
3Voor het paard een zweep, voor den ezel een toom, Voor de rug der dwazen een stok.
3El látigo para el caballo, y el cabestro para el asno, y la vara para la espalda del necio.
4Antwoord een dwaas niet naar zijn dwaasheid, Anders mocht ge zelf eens op hem lijken.
4Nunca respondas al necio en conformidad á su necedad, para que no seas tú también como él.
5Antwoord een dwaas naar zijn dwaasheid, Anders denkt hij nog, dat hij wijs is
5Responde al necio según su necedad, porque no se estime sabio en su opinión.
6Men snijdt zich de voeten af en mishandelt zichzelf, Wie een dwaas een boodschap laat doen.
6Como el que se corta los pies y bebe su daño, así es el que envía algo por mano de un necio.
7Voor een lamme hebben zijn benen geen nut; Zo is het met een spreuk in de mond van dwazen.
7Alzar las piernas del cojo, así es el proverbio en la boca del necio.
8Als iemand, die een kei bij een edelsteen legt, Is hij, die eerbetoon schenkt aan een dwaas
8Como quien liga la piedra en la honda, así hace el que al necio da honra.
9Als een doornstok in de hand van een dronkaard, Is een spreuk in de mond van dwazen.
9Espinas hincadas en mano del embriagado, tal es el proverbio en la boca de los necios.
10Als een schutter, die alle voorbijgangers verwondt, Is hij, die een dwaas en een dronkaard in dienst neemt.
10El grande cría todas las cosas; y da la paga al insensato, y la da á los transgresores.
11Als een hond, die naar zijn braaksel terugkeert, Is een dwaas, die zijn dwaasheid herhaalt.
11Como perro que vuelve á su vómito, así el necio que repite su necedad.
12Als ge iemand ziet, die meent dat hij wijs is: Dan is er meer hoop voor een dwaas dan voor hem.
12¿Has visto hombre sabio en su opinión? más esperanza hay del necio que de él.
13De luiaard zegt: “Er loopt een wild beest op de weg, Er is een leeuw in de straten!”
13Dice el perezoso: El león está en el camino; el león está en las calles.
14Zoals een deur draait op haar hengsels, Zo draait een luiaard zich om in zijn bed.
14Las puertas se revuelven en sus quicios: así el perezoso en su cama.
15Al heeft een luiaard zijn hand in de schotel gestoken, Hij is nog te traag, om haar naar de mond te brengen.
15Esconde el perezoso su mano en el seno; cánsase de tornarla á su boca.
16Een luiaard denkt, dat hij wijzer is Dan zeven mensen, die verstandige antwoorden geven.
16A su ver es el perezoso más sabio que siete que le den consejo.
17Als iemand, die een hond bij zijn staart pakt, Is hij, die zich bemoeit met een twist, die hem niet raakt.
17El que pasando se deja llevar de la ira en pleito ajeno, es como el que toma al perro por las orejas.
18Als iemand, die als een dolleman Dodelijke fakkels en pijlen wegslingert,
18Como el que enloquece, y echa llamas y saetas y muerte,
19Zo is de man, die zijn naaste bedriegt, En dan zegt: Ik deed het maar voor de grap!
19Tal es el hombre que daña á su amigo, y dice: Ciertamente me chanceaba.
20Bij gebrek aan hout gaat het vuur uit; Waar geen lastertong is, bedaart de twist.
20Sin leña se apaga el fuego: y donde no hay chismoso, cesa la contienda.
21Een blaasbalg bij gloeiende kolen, en hout op het vuur: Zo is een twistziek mens bij het ruziestoken.
21El carbón para brasas, y la leña para el fuego: y el hombre rencilloso para encender contienda.
22De woorden van een lastertong zijn als lekkernijen, Ze glijden af naar het diepst van de maag.
22Las palabras del chismoso parecen blandas; mas ellas entran hasta lo secreto del vientre.
23Als een aarden pot, met zilverglazuur overtrokken, Zijn vleiende woorden, als het hart ze niet meent.
23Como escoria de plata echada sobre el tiesto, son los labios enardecidos y el corazón malo.
24De vijand veinst met zijn lippen, Maar innerlijk bergt hij bedrog.
24Otro parece en los labios el que aborrece; mas en su interior pone engaño.
25Al spreekt hij vriendelijk, vertrouw hem niet; Want zeven gruwelen zijn in zijn hart.
25Cuando hablare amigablemente, no le creas; porque siete abominaciones hay en su corazón.
26Al weet iemand zijn haat bedriegelijk te verbergen, Zijn slechtheid komt in de vergadering aan het licht.
26Encúbrese el odio con disimulo; mas su malicia será descubierta en la congregación.
27Wie een kuil graaft, valt er zelf in; Wie een steen voortwentelt, op hem rolt die terug.
27El que cavare sima, caerá en ella: y el que revuelva la piedra, á él volverá.
28Een leugentong haat oprechtheid, Een gladde tong verwekt onrust.
28La falsa lengua atormenta al que aborrece: y la boca lisonjera hace resbaladero.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.