Spreuken 26
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Diodati Bibbia 1885
1Als sneeuw bij zomer, en regen bij oogst: Zo slecht past eerbetoon bij een dwaas.
1Come la neve non si conviene alla state, Nè la pioggia al tempo della ricolta, Così la gloria non si conviene allo stolto.
2Als een vogel, die fladdert, en een zwaluw, die vliegt: Zo is een onverdiende verwensing; zij treft geen doel.
2Come il passero vaga, e la rondinella vola, Così la maledizione data senza cagione non avverrà.
3Voor het paard een zweep, voor den ezel een toom, Voor de rug der dwazen een stok.
3La sferza al cavallo, ed il capestro all'asino, E il bastone al dosso degli stolti.
4Antwoord een dwaas niet naar zijn dwaasheid, Anders mocht ge zelf eens op hem lijken.
4Non rispondere allo stolto secondo la sua follia; Che talora anche tu non gli sii agguagliato.
5Antwoord een dwaas naar zijn dwaasheid, Anders denkt hij nog, dat hij wijs is
5Rispondi allo stolto, come si conviene alla sua follia; Che talora non gli paia d'esser savio.
6Men snijdt zich de voeten af en mishandelt zichzelf, Wie een dwaas een boodschap laat doen.
6Chi si taglia i piedi ne beve l'ingiuria; Così avviene a chi manda a far de' messi per uno stolto.
7Voor een lamme hebben zijn benen geen nut; Zo is het met een spreuk in de mond van dwazen.
7Lo zoppo zoppica delle sue due gambe; Così fa la sentenza nella bocca degli stolti.
8Als iemand, die een kei bij een edelsteen legt, Is hij, die eerbetoon schenkt aan een dwaas
8Chi dà gloria allo stolto Fa come chi gittasse una pietra preziosa in un mucchio di sassi.
9Als een doornstok in de hand van een dronkaard, Is een spreuk in de mond van dwazen.
9La sentenza nella bocca degli stolti È come una spina, che sia caduta in mano ad un ebbro.
10Als een schutter, die alle voorbijgangers verwondt, Is hij, die een dwaas en een dronkaard in dienst neemt.
10I grandi tormentano ognuno, E prezzolano stolti, e salariano passanti.
11Als een hond, die naar zijn braaksel terugkeert, Is een dwaas, die zijn dwaasheid herhaalt.
11Come il cane ritorna al suo vomito, Così lo stolto reitera la sua follia.
12Als ge iemand ziet, die meent dat hij wijs is: Dan is er meer hoop voor een dwaas dan voor hem.
12Hai tu veduto un uomo che si reputi savio? Vi è maggiore speranza d'uno stolto che di lui.
13De luiaard zegt: “Er loopt een wild beest op de weg, Er is een leeuw in de straten!”
13Il pigro dice: Il leopardo è in su la strada, Il leone è per le campagne.
14Zoals een deur draait op haar hengsels, Zo draait een luiaard zich om in zijn bed.
14Come l'uscio si volge sopra i suoi arpioni, Così si volge il pigro sopra il suo letto.
15Al heeft een luiaard zijn hand in de schotel gestoken, Hij is nog te traag, om haar naar de mond te brengen.
15Il pigro nasconde la mano nel seno; Egli dura fatica a trarla fuori per recarsela alla bocca.
16Een luiaard denkt, dat hij wijzer is Dan zeven mensen, die verstandige antwoorden geven.
16Al pigro par di esser savio, Più che sette che dànno risposte di prudenza.
17Als iemand, die een hond bij zijn staart pakt, Is hij, die zich bemoeit met een twist, die hem niet raakt.
17Colui che passando trascorre in ira per una questione che non gli tocca , È come chi afferra un cane per gli orecchi.
18Als iemand, die als een dolleman Dodelijke fakkels en pijlen wegslingert,
18Quale è colui che, infingendosi di scherzare, avventa razzi, Saette, e cose mortifere;
19Zo is de man, die zijn naaste bedriegt, En dan zegt: Ik deed het maar voor de grap!
19Tale è colui che inganna il suo prossimo, E dice: Non ischerzo io?
20Bij gebrek aan hout gaat het vuur uit; Waar geen lastertong is, bedaart de twist.
20Il fuoco si spegne, quando mancano legne; Così le contese si acquetano, quando non vi son rapportatori.
21Een blaasbalg bij gloeiende kolen, en hout op het vuur: Zo is een twistziek mens bij het ruziestoken.
21Il carbone è per far brace, e le legne per far fuoco; E l'uomo rissoso per accender contese.
22De woorden van een lastertong zijn als lekkernijen, Ze glijden af naar het diepst van de maag.
22Le parole del rapportatore paiono lusinghevoli; Ma scendono fin dentro al ventre.
23Als een aarden pot, met zilverglazuur overtrokken, Zijn vleiende woorden, als het hart ze niet meent.
23Le labbra ardenti, e il cuor malvagio, Son come schiuma d'argento impiastrata sopra un testo.
24De vijand veinst met zijn lippen, Maar innerlijk bergt hij bedrog.
24Chi odia s'infinge nel suo parlare, Ma cova la frode nel suo interiore;
25Al spreekt hij vriendelijk, vertrouw hem niet; Want zeven gruwelen zijn in zijn hart.
25Quando egli parlerà di una voce graziosa, non fidartici; Perciocch è egli ha sette scelleratezze nel cuore.
26Al weet iemand zijn haat bedriegelijk te verbergen, Zijn slechtheid komt in de vergadering aan het licht.
26L'odio si copre con inganno; Ma la sua malignità sarà palesata in piena raunanza.
27Wie een kuil graaft, valt er zelf in; Wie een steen voortwentelt, op hem rolt die terug.
27Chi cava una fossa caderà in essa; E se alcuno rotola una pietra ad alto, ella gli tornerà addosso.
28Een leugentong haat oprechtheid, Een gladde tong verwekt onrust.
28La lingua bugiarda odia quelli ch'ella ha fiaccati; E la bocca lusinghiera produce ruina.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.