Spreuken 27
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Diodati Bibbia 1885
1Wil de dag van morgen niet prijzen: Ge weet niet, wat hij u brengt.
1Non gloriarti del giorno di domani; Perciocchè tu non sai ciò che il giorno partorirà.
2Laat een ander u prijzen, niet uw eigen mond; Een vreemde, niet uw eigen lippen.
2Loditi lo strano, e non la tua propria bocca; Lo straniero, e non le tue proprie labbra.
3Plomp is een steen, en zwaar het zand; Zwaarder dan beide is het humeur van een dwaas.
3Le pietre son pesanti, e la rena è grave; Ma l'ira dello stolto è più pesante che amendue quelle cose.
4Wreed is de wraak, een stortvloed de toorn; Maar wie houdt het uit voor de jaloezie?
4La collera è una cosa crudele, e l'ira una cosa strabocchevole; E chi potrà durar davanti alla gelosia?
5Beter een terechtwijzing in het openbaar, Dan liefde, die zich niet uit.
5Meglio vale riprensione palese, Che amore occulto.
6Goed bedoeld zijn de wonden, door een vriend geslagen; Verraderlijk de kussen van een vijand.
6Le ferite di chi ama son leali; Ma i baci di chi odia sono simulati.
7Iemand die genoeg heeft, geeft niet om honing; Als iemand honger heeft, is al het bittere zoet.
7La persona satolla calca il favo del miele ; Ma alla persona affamata ogni cosa amara è dolce.
8Als een vogel, die uit het nest fladdert, Zo is een man, die rondzwerft ver van zijn huis.
8Quale è l'uccelletto, che va ramingo fuor del suo nido, Tale è l'uomo che va vagando fuor del suo luogo.
9Olie en wierook verheugen het hart; De raad van een vriend verblijdt de ziel.
9L'olio odorifero e il profumo rallegrano il cuore; Così fa la dolcezza dell'amico dell'uomo per consiglio cordiale.
10Laat uw eigen vriend en dien van uw vader niet in de steek; Maar betreed niet het huis van uw broeder, als het u slecht gaat, Beter een vriend dichtbij. Dan een broer veraf.
10Non lasciare il tuo amico, nè l'amico di tuo padre; E non entrare in casa del tuo fratello nel giorno della tua calamità; Meglio vale un vicino presso, che un fratello lontano.
11Mijn zoon, wees wijs, en verblijd mijn hart; Dan kan ik te woord staan hem, die mij hoont.
11Figliuol mio, sii savio, e rallegra il mio cuore; Ed io avrò che rispondere a colui che mi farà vituperio.
12De wijze ziet onheil en trekt zich terug; De onnozelen lopen door, en moeten ervoor boeten.
12L' uomo avveduto, veggendo il male, si nasconde; Ma gli scempi passano oltre, e ne portano la pena.
13Ontneem hem zijn kleed, want hij bleef borg voor een ander; Eis pand van hem terwille van een vreemde vrouw.
13Prendi pure il vestimento di chi ha fatta sicurtà per lo strano; E prendi pegno da lui per la straniera.
14Als iemand zijn naaste op de vroege morgen luidruchtig begroet, Dan wordt het als een vloek beschouwd
14Chi benedice il suo prossimo ad alta voce, Levandosi la mattina a buon'ora, Ciò gli sarà reputato in maledizione.
15Een gestadig druppelend lek op een stortregen-dag, En een snibbige vrouw, ze gelijken op elkaar.
15Un gocciolar continuo in giorno di gran pioggia, E una donna rissosa, è tutt'uno.
16De noordenwind is een ruwe wind, Toch wordt hij geluksbode genoemd
16Chi vuol tenerla serrata, pubblica di voler serrar del vento, E dell'olio nella sua man destra.
17Zoals ijzer ijzer scherpt, Zo scherpt de ene mens den ander.
17Il ferro si pulisce col ferro; Così l'uomo pulisce la faccia del suo prossimo.
18Wie op zijn vijgeboom past, zal zijn vruchten eten; Wie voor zijn meester zorgt, wordt rijk beloond.
18Chi guarda il fico ne mangia il frutto; Così chi guarda il suo signore sarà onorato.
19Zoals het ene gezicht op het andere lijkt, Zo lijkt ook het ene mensenhart op het andere.
19Come l'acqua rappresenta la faccia alla faccia; Così il cuor dell'uomo rappresenta l'uomo all'uomo.
20Dodenrijk en onderwereld krijgen nooit genoeg; De ogen der mensen zijn nimmer bevredigd.
20Il sepolcro, e il luogo della perdizione, non son giammai satolli; Così anche giammai non si saziano gli occhi dell'uomo.
21Voor het zilver de smeltkroes, de oven voor het goud: De mens wordt beproefd naar zijn goede naam.
21La coppella è per l'argento, e il fornello per l'oro; Ma l'uomo è provato per la bocca che lo loda.
22Al stampt ge den dwaas in een vijzel, Tussen de gerstekorrels met een stamper: Ge krijgt er zijn dwaasheid niet uit.
22Avvegnachè tu pestassi lo stolto in un mortaio, Col pestello, per mezzo del grano infranto, La sua follia non si dipartirebbe però da lui.
23Let goed op, hoe uw schapen eruit zien, En volg uw kudde met aandacht;
23Abbi diligentemente cura delle tue pecore, Metti il cuor tuo alle mandre.
24Want welvaart duurt niet eeuwig, Een schat niet van geslacht op geslacht.
24Perciocchè i tesori non durano in perpetuo; E la corona è ella per ogni età?
25Als het hooi binnen is, de nawas verschijnt, En het groen der bergweide wordt ingezameld,
25Il fieno nasce, e l'erbaggio spunta, E le erbe de' monti son raccolte.
26Dan verschaffen de lammeren u kleding, De bokken u de prijs van een akker;
26Gli agnelli son per lo tuo vestire, E i becchi sono il prezzo di un campo.
27Dan is er geitenmelk genoeg tot voedsel van u en uw gezin, En levensonderhoud voor uw dienstboden.
27E l'abbondanza del latte delle capre è per tuo cibo, E per cibo di casa tua, E per lo vitto delle tue serventi.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.