Spreuken
Chapter 27
Petrus Canisius Bible, 1…
vs Lutherbibel 1912
Aa
Text size
Line width
Verse numbers
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Lutherbibel 1912
1Wil de dag van morgen niet prijzen: Ge weet niet, wat hij u brengt.
1Rühme dich nicht des morgenden Tages; denn du weißt nicht, was heute sich begeben mag.
2Laat een ander u prijzen, niet uw eigen mond; Een vreemde, niet uw eigen lippen.
2Laß dich einen andern loben, und nicht deinen Mund, einen Fremden, und nicht deine eigenen Lippen.
3Plomp is een steen, en zwaar het zand; Zwaarder dan beide is het humeur van een dwaas.
3Stein ist schwer und Sand ist Last; aber des Narren Zorn ist schwerer denn die beiden.
4Wreed is de wraak, een stortvloed de toorn; Maar wie houdt het uit voor de jaloezie?
4Zorn ist ein wütig Ding, und Grimm ist ungestüm; aber wer kann vor dem Neid bestehen?
5Beter een terechtwijzing in het openbaar, Dan liefde, die zich niet uit.
5Offene Strafe ist besser denn heimliche Liebe.
6Goed bedoeld zijn de wonden, door een vriend geslagen; Verraderlijk de kussen van een vijand.
6Die Schläge des Liebhabers meinen's recht gut; aber die Küsse des Hassers sind gar zu reichlich.
7Iemand die genoeg heeft, geeft niet om honing; Als iemand honger heeft, is al het bittere zoet.
7Eine satte Seele zertritt wohl Honigseim; aber einer hungrigen Seele ist alles Bittere süß.
8Als een vogel, die uit het nest fladdert, Zo is een man, die rondzwerft ver van zijn huis.
8Wie ein Vogel, der aus seinem Nest weicht, also ist, wer von seiner Stätte weicht.
9Olie en wierook verheugen het hart; De raad van een vriend verblijdt de ziel.
9Das Herz erfreut sich an Salbe und Räuchwerk; aber ein Freund ist lieblich um Rats willen der Seele.
10Laat uw eigen vriend en dien van uw vader niet in de steek; Maar betreed niet het huis van uw broeder, als het u slecht gaat, Beter een vriend dichtbij. Dan een broer veraf.
10Deinen Freund und deines Vaters Freund verlaß nicht, und gehe nicht ins Haus deines Bruders, wenn dir's übel geht; denn dein Nachbar in der Nähe ist besser als dein Bruder in der Ferne.
11Mijn zoon, wees wijs, en verblijd mijn hart; Dan kan ik te woord staan hem, die mij hoont.
11Sei weise, mein Sohn, so freut sich mein Herz, so will ich antworten dem, der mich schmäht.
12De wijze ziet onheil en trekt zich terug; De onnozelen lopen door, en moeten ervoor boeten.
12Ein Kluger sieht das Unglück und verbirgt sich; aber die Unverständigen gehen hindurch und leiden Schaden.
13Ontneem hem zijn kleed, want hij bleef borg voor een ander; Eis pand van hem terwille van een vreemde vrouw.
13Nimm dem sein Kleid, der für einen andern Bürge wird, und pfände ihn um der Fremden willen.
14Als iemand zijn naaste op de vroege morgen luidruchtig begroet, Dan wordt het als een vloek beschouwd
14Wenn einer seinen Nächsten des Morgens früh mit lauter Stimme segnet, das wird ihm für einen Fluch gerechnet.
15Een gestadig druppelend lek op een stortregen-dag, En een snibbige vrouw, ze gelijken op elkaar.
15Ein zänkisches Weib und stetiges Triefen, wenn's sehr regnet, werden wohl miteinander verglichen.
16De noordenwind is een ruwe wind, Toch wordt hij geluksbode genoemd
16Wer sie aufhält, der hält den Wind und will das Öl mit der Hand fassen.
17Zoals ijzer ijzer scherpt, Zo scherpt de ene mens den ander.
17Ein Messer wetzt das andere und ein Mann den andern.
18Wie op zijn vijgeboom past, zal zijn vruchten eten; Wie voor zijn meester zorgt, wordt rijk beloond.
18Wer seinen Feigenbaum bewahrt, der ißt Früchte davon; und wer seinen Herrn bewahrt, wird geehrt.
19Zoals het ene gezicht op het andere lijkt, Zo lijkt ook het ene mensenhart op het andere.
19Wie das Spiegelbild im Wasser ist gegenüber dem Angesicht, also ist eines Menschen Herz gegenüber dem andern.
20Dodenrijk en onderwereld krijgen nooit genoeg; De ogen der mensen zijn nimmer bevredigd.
20Hölle und Abgrund werden nimmer voll, und der Menschen Augen sind auch unersättlich.
21Voor het zilver de smeltkroes, de oven voor het goud: De mens wordt beproefd naar zijn goede naam.
21Ein Mann wird durch den Mund des, der ihn lobt, bewährt wie Silber im Tiegel und das Gold im Ofen.
22Al stampt ge den dwaas in een vijzel, Tussen de gerstekorrels met een stamper: Ge krijgt er zijn dwaasheid niet uit.
22Wenn du den Narren im Mörser zerstießest mit dem Stämpel wie Grütze, so ließe doch seine Narrheit nicht von ihm.
23Let goed op, hoe uw schapen eruit zien, En volg uw kudde met aandacht;
23Auf deine Schafe habe acht und nimm dich deiner Herden an.
24Want welvaart duurt niet eeuwig, Een schat niet van geslacht op geslacht.
24Denn Gut währt nicht ewiglich, und die Krone währt nicht für und für.
25Als het hooi binnen is, de nawas verschijnt, En het groen der bergweide wordt ingezameld,
25Das Heu ist weggeführt, und wiederum ist Gras da und wird Kraut auf den Bergen gesammelt.
26Dan verschaffen de lammeren u kleding, De bokken u de prijs van een akker;
26Die Lämmer kleiden dich und die Böcke geben dir das Geld, einen Acker zu kaufen.
27Dan is er geitenmelk genoeg tot voedsel van u en uw gezin, En levensonderhoud voor uw dienstboden.
27Du hast Ziegenmilch genug zu deiner Speise, zur Speise deines Hauses und zur Nahrung deiner Dirnen.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.