Spreuken 14
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Lutherbibel 1912
1De wijsheid bouwt zich een huis, De dwaasheid breekt het eigenhandig af.
1Durch weise Weiber wird das Haus erbaut; eine Närrin aber zerbricht's mit ihrem Tun.
2Wie Jahweh vreest, gaat de rechte weg; Wie Hem veracht, gaat kronkelwegen.
2Wer den HERRN fürchtet, der wandelt auf rechter Bahn; wer ihn aber verachtet, der geht auf Abwegen.
3In de mond van een dwaas ligt een stok voor zijn rug, De wijzen worden door hun lippen beschermd.
3Narren reden tyrannisch; aber die Weisen bewahren ihren Mund.
4Waar geen runderen zijn, blijft de kribbe schoon; Rijke inkomsten dankt men aan de kracht van den os.
4Wo nicht Ochsen sind, da ist die Krippe rein; aber wo der Ochse geschäftig ist, da ist viel Einkommen.
5Een eerlijk getuige liegt niet, Een vals getuige verspreidt leugens.
5Ein treuer Zeuge lügt nicht; aber ein Falscher Zeuge redet frech Lügen.
6De spotter zoekt wijsheid, maar tevergeefs; Voor een wijze is de kennis gemakkelijk te vinden.
6Der Spötter sucht Weisheit, und findet sie nicht; aber dem Verständigen ist die Erkenntnis leicht.
7Blijf uit de buurt van een dwaas, Want verstandige taal bespeurt ge er niet.
7Gehe von dem Narren; denn du lernst nichts von ihm.
8De wijsheid der schranderen wijst hun de weg, Maar de dommen worden door hun dwaasheid op een dwaalspoor geleid.
8Das ist des Klugen Weisheit, daß er auf seinen Weg merkt; aber der Narren Torheit ist eitel Trug.
9Het zoenoffer spot met de dwazen, Maar bij rechtvaardigen woont de genade.
9Die Narren treiben das Gespött mit der Sünde; aber die Frommen haben Lust an den Frommen.
10Het hart kent zijn eigen droefheid alleen; Ook in zijn vreugde kan een vreemde zich niet mengen.
10Das Herz kennt sein eigen Leid, und in seine Freude kann sich kein Fremder mengen.
11Het huis der bozen wordt verwoest, De tent der rechtvaardigen richt zich op.
11Das Haus der Gottlosen wird vertilgt; aber die Hütte der Frommen wird grünen.
12Soms houdt iemand een weg voor de rechte, Die tenslotte uitloopt op de dood.
12Es gefällt manchem ein Weg wohl; aber endlich bringt er ihn zum Tode.
13Ook als iemand lacht, kan hij verdriet hebben; Blijdschap loopt soms op droefheid uit.
13Auch beim Lachen kann das Herz trauern, und nach der Freude kommt Leid.
14Een zondaar krijgt uit zijn wandel ruimschoots zijn deel, Maar ook een deugdzaam mens uit zijn daden.
14Einem losen Menschen wird's gehen wie er handelt; aber ein Frommer wird über ihn sein.
15De onnozele gelooft alles wat er gezegd wordt; De wijze let op het antwoord, dat hij ontvangt.
15Ein Unverständiger glaubt alles; aber ein Kluger merkt auf seinen Gang.
16De wijze is behoedzaam en mijdt het kwaad, De dwaas is zorgeloos en gaat er op in.
16Ein Weiser fürchtet sich und meidet das Arge; ein Narr aber fährt trotzig hindurch.
17De lichtgeraakte haalt dwaasheden uit, Een beleidvol mens is verdraagzaam.
17Ein Ungeduldiger handelt töricht; aber ein Bedächtiger haßt es.
18De onnozelen valt dwaasheid ten deel, De wijze wordt met kennis gekroond.
18Die Unverständigen erben Narrheit; aber es ist der Klugen Krone, vorsichtig handeln.
19De bozen moeten zich voor de deugdzamen buigen, De snoodaards voor de poorten der rechtvaardigen staan.
19Die Bösen müssen sich bücken vor dem Guten und die Gottlosen in den Toren des Gerechten.
20Zelfs bij zijn buur is een arme gehaat, Maar de vrienden van een rijkaard zijn talrijk.
20Einen Armen hassen auch seine Nächsten; aber die Reichen haben viele Freunde.
21Een zondaar geeft niet om zijn naaste; Zalig hij, die zich over de armen ontfermt!
21Der Sünder verachtet seinen Nächsten; aber wohl dem, der sich der Elenden erbarmt!
22Wie kwaad beramen, geraken op een doolweg; Die op het goede bedacht zijn, ondervinden liefde en trouw.
22Die mit bösen Ränken umgehen, werden fehlgehen; die aber Gutes denken, denen wird Treue und Güte widerfahren.
23Van alle inspanning komt gewin, Praten brengt alleen maar gebrek.
23Wo man arbeitet, da ist genug; wo man aber mit Worten umgeht, da ist Mangel.
24Bedachtzaamheid is de kroon der wijzen, Dwaasheid de krans der dommen.
24Den Weisen ist ihr Reichtum eine Krone; aber die Torheit der Narren bleibt Torheit.
25Een betrouwbaar getuige redt mensenlevens; Maar wie leugen verspreidt, pleegt verraad.
25Ein treuer Zeuge errettet das Leben; aber ein falscher Zeuge betrügt.
26Op het ontzag voor Jahweh mag de sterke vertrouwen, Ook zijn kinderen vinden daarin een toevlucht.
26Wer den HERRN fürchtet, der hat eine sichere Festung, und seine Kinder werden auch beschirmt.
27Het ontzag voor Jahweh is een bron van leven; Daardoor vermijdt men de strikken des doods.
27Die Furcht des HERRN ist eine Quelle des Lebens, daß man meide die Stricke des Todes.
28Trots gaat een vorst op een talrijke bevolking, Gebrek aan volk is het eind van een heerser.
28Wo ein König viel Volks hat, das ist seine Herrlichkeit; wo aber wenig Volks ist, das macht einen Herrn blöde.
29De lankmoedige is rijk aan doorzicht, De ongeduldige stapelt dwaasheden op.
29Wer geduldig ist, der ist weise; wer aber ungeduldig ist, der offenbart seine Torheit.
30Een kalme natuur doet het lichaam goed, Hartstocht is een kanker voor het gebeente.
30Ein gütiges Herz ist des Leibes Leben; aber Neid ist Eiter in den Gebeinen.
31Die een arme verdrukt, smaadt zijn Schepper; Maar wie zich over hem ontfermt, brengt Hem eer.
31Wer dem Geringen Gewalt tut, der lästert desselben Schöpfer; aber wer sich des Armen erbarmt, der ehrt Gott.
32Door zijn boosheid wordt de zondaar voortgejaagd, Maar de rechtvaardige vindt een toevlucht in zijn deugd.
32Der Gottlose besteht nicht in seinem Unglück; aber der Gerechte ist auch in seinem Tod getrost.
33In het hart van een verstandige vindt de wijsheid een rustplaats, In het binnenste der dwazen is zij niet bekend.
33Im Herzen des Verständigen ruht Weisheit, und wird offenbar unter den Narren.
34Rechtvaardigheid verheft een volk, De zonde brengt de naties tot schande.
34Gerechtigkeit erhöhet ein Volk; aber die Sünde ist der Leute Verderben.
35De koning heeft behagen in een verstandig dienaar, Maar zijn toorn doodt hem, die zich misdraagt.
35Ein kluger Knecht gefällt dem König wohl; aber einem schändlichen Knecht ist er feind.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.