Spreuken
Chapter 14
Petrus Canisius Bible, 1…
vs Diodati Bibbia 1885
Aa
Text size
Line width
Verse numbers
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Diodati Bibbia 1885
1De wijsheid bouwt zich een huis, De dwaasheid breekt het eigenhandig af.
1Le donne savie edificano le lor case; Ma la stolta la sovverte con le sue mani.
2Wie Jahweh vreest, gaat de rechte weg; Wie Hem veracht, gaat kronkelwegen.
2Chi cammina nella sua dirittura riverisce il Signore; Ma chi è stravolto nelle sue vie lo sprezza.
3In de mond van een dwaas ligt een stok voor zijn rug, De wijzen worden door hun lippen beschermd.
3Nella bocca dello stolto è la bacchetta dell'alterezza; Ma le labbra de' savi li guardano.
4Waar geen runderen zijn, blijft de kribbe schoon; Rijke inkomsten dankt men aan de kracht van den os.
4Dove non son buoi, il granaio è vuoto; Ma l'abbondanza della ricolta è per la forza del bue.
5Een eerlijk getuige liegt niet, Een vals getuige verspreidt leugens.
5Il testimonio verace non mente; Ma il falso testimonio sbocca bugie.
6De spotter zoekt wijsheid, maar tevergeefs; Voor een wijze is de kennis gemakkelijk te vinden.
6Lo schernitore cerca la sapienza, e non la trova punto; Ma la scienza agevolmente si acquista dall' uomo intendente.
7Blijf uit de buurt van een dwaas, Want verstandige taal bespeurt ge er niet.
7Vattene via d'innanzi all'uomo stolto, E d'innanzi a colui, nel quale non avrai conosciute labbra di scienza.
8De wijsheid der schranderen wijst hun de weg, Maar de dommen worden door hun dwaasheid op een dwaalspoor geleid.
8La sapienza dell'uomo è di considerar la sua via; Ma la follia degli stolti è inganno.
9Het zoenoffer spot met de dwazen, Maar bij rechtvaardigen woont de genade.
9Gli stolti si fanno beffe del commetter misfatto; Ma fra gli uomini diritti è la benevolenza.
10Het hart kent zijn eigen droefheid alleen; Ook in zijn vreugde kan een vreemde zich niet mengen.
10Il cuore di ciascuno conosce l'amaritudine dell'anima sua; Ed altresì alcuno strano non è mescolato nella sua allegrezza.
11Het huis der bozen wordt verwoest, De tent der rechtvaardigen richt zich op.
11La casa degli empi sarà distrutta; Ma il tabernacolo degli uomini diritti fiorirà.
12Soms houdt iemand een weg voor de rechte, Die tenslotte uitloopt op de dood.
12Vi è tal via che pare diritta all'uomo, Il fine della quale son le vie della morte.
13Ook als iemand lacht, kan hij verdriet hebben; Blijdschap loopt soms op droefheid uit.
13Come di troppo ridere duole il cuore, Così la fine dell'allegrezza è dolore.
14Een zondaar krijgt uit zijn wandel ruimschoots zijn deel, Maar ook een deugdzaam mens uit zijn daden.
14Chi è sviato di cuore sarà saziato delle sue vie; E più ch'esso lo sarà l'uomo da bene delle sue.
15De onnozele gelooft alles wat er gezegd wordt; De wijze let op het antwoord, dat hij ontvangt.
15Lo scempio crede ogni cosa; Ma l'avveduto considera i suoi passi.
16De wijze is behoedzaam en mijdt het kwaad, De dwaas is zorgeloos en gaat er op in.
16Il savio teme, e si ritrae dal male; Ma lo stolto trascorre, e si tien sicuro.
17De lichtgeraakte haalt dwaasheden uit, Een beleidvol mens is verdraagzaam.
17Chi è pronto all'ira commette follia; E l'uomo malizioso è odiato.
18De onnozelen valt dwaasheid ten deel, De wijze wordt met kennis gekroond.
18Gli scempi erederanno la stoltizia; Ma i prudenti coroneranno il lor capo di scienza.
19De bozen moeten zich voor de deugdzamen buigen, De snoodaards voor de poorten der rechtvaardigen staan.
19I malvagi saranno abbassati davanti a' buoni; E gli empi saranno alle porte del giusto.
20Zelfs bij zijn buur is een arme gehaat, Maar de vrienden van een rijkaard zijn talrijk.
20Il povero è odiato eziandio dal suo prossimo; Ma molti son gli amici del ricco.
21Een zondaar geeft niet om zijn naaste; Zalig hij, die zich over de armen ontfermt!
21Chi sprezza il suo prossimo pecca; Ma beato chi ha pietà de' poveri.
22Wie kwaad beramen, geraken op een doolweg; Die op het goede bedacht zijn, ondervinden liefde en trouw.
22Quelli che macchinano del male non sono eglino traviati? Ma benignità e verità sarà usata inverso coloro che pensano del bene.
23Van alle inspanning komt gewin, Praten brengt alleen maar gebrek.
23In ogni fatica vi è del profitto; Ma il parlar delle labbra torna solo in inopia.
24Bedachtzaamheid is de kroon der wijzen, Dwaasheid de krans der dommen.
24Le ricchezze de' savi sono la lor corona; Ma la follia degli stolti è sempre follia.
25Een betrouwbaar getuige redt mensenlevens; Maar wie leugen verspreidt, pleegt verraad.
25Il testimonio verace libera le anime; Ma il falso sbocca bugie.
26Op het ontzag voor Jahweh mag de sterke vertrouwen, Ook zijn kinderen vinden daarin een toevlucht.
26Nel timor del Signore vi è confidanza fortissima; E vi sarà un ricetto per li figliuoli di colui che teme Iddio .
27Het ontzag voor Jahweh is een bron van leven; Daardoor vermijdt men de strikken des doods.
27Il timor del Signore è una fonte di vita, Per ritrarsi da' lacci della morte.
28Trots gaat een vorst op een talrijke bevolking, Gebrek aan volk is het eind van een heerser.
28La magnificenza del re è nella moltitudine del popolo; Ma la ruina del principe è nel mancamento della gente.
29De lankmoedige is rijk aan doorzicht, De ongeduldige stapelt dwaasheden op.
29Chi è lento all'ira è di gran prudenza; Ma chi è pronto al cruccio eccita la follia.
30Een kalme natuur doet het lichaam goed, Hartstocht is een kanker voor het gebeente.
30Il cuor sano è la vita delle carni; Ma l'invidia è il tarlo delle ossa.
31Die een arme verdrukt, smaadt zijn Schepper; Maar wie zich over hem ontfermt, brengt Hem eer.
31Chi oppressa il povero fa onta a colui che l'ha fatto; Ma chi ha pietà del bisognoso l'onora.
32Door zijn boosheid wordt de zondaar voortgejaagd, Maar de rechtvaardige vindt een toevlucht in zijn deugd.
32L'empio sarà traboccato per la sua malvagità; Ma il giusto spera eziandio nella sua morte.
33In het hart van een verstandige vindt de wijsheid een rustplaats, In het binnenste der dwazen is zij niet bekend.
33La sapienza riposa nel cuore dell' uomo intendente, Ed è riconosciuta in mezzo degli stolti.
34Rechtvaardigheid verheft een volk, De zonde brengt de naties tot schande.
34La giustizia innalza la nazione; Ma il peccato è il vituperio de' popoli.
35De koning heeft behagen in een verstandig dienaar, Maar zijn toorn doodt hem, die zich misdraagt.
35Il favor del re è verso il servitore intendente; Ma la sua indegnazione è contro a quello che reca vituperio.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.