Spreuken 23
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Diodati Bibbia 1885
1Als ge bij den koning aan tafel zit, Let dan enkel op wat voor u staat,
1Quando tu sederai a tavola con alcun signore, Per mangiar con lui, Considera attentamente quello che sarà dinanzi a te;
2En zet een mes op uw keel Als ge een goede eetlust hebt;
2Altrimenti , se tu sei ingordo, Tu ti metterai un coltello alla gola.
3Wees niet belust op zijn lekkernijen, Want ze zijn een bedriegelijke spijs.
3Non appetire le sue delizie; Perciocchè sono un cibo fallace.
4Doe geen moeite, om rijkdom te verwerven, Zie van uw voornemen af;
4Non affaticarti per arricchire; Rimanti della tua prudenza.
5Zodra ge uw zinnen daarop zet, Is hij al heen! Want hij maakt zich vleugels, En vliegt als een arend de lucht in.
5In un batter d'occhio le ricchezze non sono più ; Perciocchè ad un tratto si fanno delle ale; E sono come un'aquila, che se ne vola in aria.
6Ga niet eten bij een vrek, Wees niet belust op zijn lekkernijen;
6Non mangiare il pan dell'uomo che è d'occhio maligno, E non appetire le sue delizie.
7Want het is iemand, die bij zichzelf zit te rekenen, Die “Eet en drink” tot u zegt, maar het niet meent.
7Perciocchè, come egli è villano nell'anima sua, Così egli ti dirà: Mangia, e bevi; Ma il cuor son non sarà teco.
8De spijs, die ge gegeten hebt, spuwt ge weer uit, En uw vriendelijke woorden hebt ge verspild.
8Tu vomiterai il boccone che ne avrai mangiato, Ed avrai perduti i tuoi ragionamenti piacevoli.
9Spreek niet ten aanhoren van een dwaas; Hij geeft niets om uw wijze woorden.
9Non parlare in presenza dello stolto; Perciocchè egli sprezzerà il senno de' tuoi ragionamenti.
10Verleg de grenzen van weduwen niet En raak niet aan de akker van wezen;
10Non rimuovere il termine antico; E non entrare ne' campi degli orfani.
11Want hun Losser is sterk, Hij neemt het voor hen tegen u op.
11Perciocchè il lor riscotitore è potente; Egli difenderà la causa loro contro a te.
12Neem een vermaning wel ter harte Open uw oren voor verstandige taal.
12Porgi il tuo cuore all'ammaestramento, E le tue orecchie a' detti della scienza.
13Ge moet een knaap geen vermaning sparen, Al slaat ge hem met een stok, hij gaat er niet van dood;
13Non risparmiare la correzione al fanciullo; Benchè tu lo batti con la verga, non però morrà.
14Want als ge hem met een stok hebt geslagen, Hebt ge hem van de onderwereld gered.
14Tu lo batterai con la verga, E libererai l'anima sua dall'inferno.
15Mijn kind, als úw hart wijs is, Zal ook mijn hart zich verheugen;
15Figliuol mio, se il tuo cuore è savio, Il mio cuore altresì se ne rallegrerà.
16Mijn ziel zal jubelen, Als uw lippen juiste dingen zeggen.
16E le mie reni gioiranno, Quando le tue labbra parleranno cose diritte.
17Laat uw hart niet jaloers zijn op zondaars, Maar ijveren voor de vrees voor Jahweh, iedere dag;
17Il cuor tuo non porti invidia a' peccatori; Anzi attienti sempre al timore del Signore.
18Als ge die bewaart, is er toekomst, En zal uw verwachting niet worden beschaamd.
18Perciocchè, se vi è premio, La tua speranza non sarà troncata.
19Mijn zoon, luister en wees wijs, Breng uw hart op het rechte pad.
19Ascolta, figliuol mio, e sii savio; E addirizza il tuo cuore nella diritta via.
20Doe niet mee met wijnslempers, Met hen, die zich aan vlees te buiten gaan;
20Non esser de' bevitori di vino; Nè de' ghiotti mangiatori di carne.
21Want een drinker en een veelvraat verarmt, De roes hult iemand in lompen.
21Perciocchè l'ubbriaco ed il ghiotto impoveriranno; Ed il sonnecchiare farà vestire stracci.
22Luister naar uw vader, die u heeft verwekt, Minacht uw moeder niet, als ze oud is geworden.
22Ubbidisci a tuo padre, il qual ti ha generato; E non isprezzar tua madre, quando sarà divenuta vecchia.
23Verwerf u waarheid, en verkoop ze niet, Wijsheid, tucht en inzicht.
23Compera verità, e non vender la , Compera sapienza, ammaestramento, ed intendimento.
24Innig verheugt zich de vader van een rechtschapene, Wie een wijze baarde, beleeft genoegen aan hem:
24Il padre del giusto gioirà grandemente; E chi avrà generato un savio, ne avrà allegrezza.
25Zo moge uw vader zich over u verheugen, Zij zich verblijden, die u ter wereld bracht.
25Fa ' che tuo padre e tua madre si rallegrino; E che quella che ti ha partorito gioisca.
26Mijn zoon, schenk mij uw hart, Laat uw ogen op mijn wegen letten;
26Figliuol mio, recami il tuo cuore, E gli occhi tuoi guardino le mie vie.
27Want een deerne is een diepe kuil, Een vreemde vrouw een nauwe put.
27Perciocchè la meretrice è una fossa profonda, E la straniera un pozzo stretto.
28Ja, zij ligt op de loer als een rover, En maakt vele mensen ontrouw.
28Ed anche ella sta agli agguati, come un ladrone; Ed accresce il numero de 'malfattori fra gli uomini.
29Waar klinkt ach, en waar klinkt wee; Waar heerst twist, waar nijpen de zorgen? Waar worden zonder reden wonden geslagen, Waar worden de blikken beneveld?
29A cui avvengono i guai? a cui i lai? A cui le contese? a cui i rammarichi? A cui le battiture senza cagione? a cui il rossore degli occhi?
30Waar men nog laat aan de wijn zit, Waar men komt, om de drank te keuren.
30A quelli che si fermano lungamente appresso il vino; A quelli che vanno cercando da mescere.
31Zie niet om naar de wijn, hoe rood hij is, Hoe hij fonkelt in het glas. Wel glijdt hij zachtjes naar binnen, Vloeiend langs lippen en tanden.
31Non riguardare il vino, quando rosseggia, Quando sfavilla nella coppa, E cammina diritto.
32Maar ten leste bijt hij als een slang, Is hij giftig als een adder.
32Egli morderà alla fine come il serpente, E pungerà come l'aspido.
33Uw ogen zien vreemde dingen, Uw hart slaat wartaal uit;
33Allora gli occhi tuoi vedranno cose strane, E il tuo cuore parlerà cose stravolte.
34Ge voelt u als iemand, die dobbert op zee, Als een matroos bij zware storm:
34E tu sarai come chi giace in mezzo al mare, E come chi dorme in su la cima dell'albero della nave.
35“Ze hebben me geslagen, en ik voelde het niet, Ze hebben me gebeukt, en ik merkte het niet! Wanneer ben ik weer wakker? Dan ga ik er nog eens op uit!”
35Tu dirai: Altri mi ha battuto, ed io non ne ho sentita la doglia; Altri mi ha pesto, ed io non me ne sono avveduto; Quando mi risveglierò? io tornerò a cercarlo ancora.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.