Spreuken 18
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Diodati Bibbia 1885
1Wie zich afscheiden wil, zoekt een voorwendsel; Met alle middelen stuurt hij op ruzie aan.
1Colui che si separa cerca le sue cupidità, E schernisce ogni legge e ragione.
2Een domoor houdt niet van wijsheid, Maar zegt toch gaarne zijn mening.
2Lo stolto non si diletta nella prudenza, Ma in ciò che il cuor suo si manifesti.
3Met de misdaad komt ook de minachting, Op de schanddaad volgt de smaad.
3Quando viene un empio, viene anche lo sprezzo, E il vituperio con ignominia.
4De woorden van sommige mensen zijn diepe wateren, Een bruisende beek, een bron van leven.
4Le parole della bocca dell'uomo eccellente sono acque profonde; La fonte di sapienza è un torrente che sgorga.
5Het is onverantwoord, partij te kiezen voor een boosdoener, of een onschuldige voor het gerecht te verdringen.
5Egli non è bene d'aver riguardo alla qualità dell'empio, Per far torto al giusto nel giudicio.
6Wat een dwaas zegt, leidt tot twist; Zijn mond roept om slaag.
6Le labbra dello stolto entrano in contesa, E la sua bocca chiama le percosse.
7Wat een dwaas zegt, stort hem in het ongeluk; Zijn woorden zijn een valstrik voor hemzelf.
7La bocca dello stolto è la sua ruina, E le sue labbra sono il laccio dell'anima sua.
8Woorden van een lastertong zijn als lekkernijen, Ze glijden af naar het diepste van de maag.
8Le parole di chi va bisbigliando paiono lusinghevoli; Ma scendono fin nell'interiora del ventre.
9Wie ook maar slap is in zijn werk, Is al een broer van de vernielgeest.
9Chi si porta rimessamente nel suo lavoro, È fratello dell'uomo dissipatore.
10De naam van Jahweh is een sterke burcht; De rechtvaardige ijlt erheen, en is veilig.
10Il Nome del Signore è una forte torre; Il giusto vi ricorrerà, e sarà in salvo in luogo elevato.
11Het vermogen is voor den rijke een sterke vesting, In zijn verbeelding een hoge muur.
11I beni del ricco son la sua città di fortezza, E come un alto muro alla sua immaginazione.
12Vóór de val is men hooghartig, Maar aan de eer gaat ootmoed vooraf.
12Il cuor dell'uomo s'innalza avanti la ruina; Ma l'umiltà va davanti alla gloria.
13Geeft iemand antwoord, eer hij heeft geluisterd, Dan strekt hem dit tot dwaasheid en schande.
13Chi fa risposta prima che abbia udito, Ciò gli è pazzia e vituperio.
14Geestkracht houdt iemand staande in zijn lijden, Maar wie beurt een gebroken geest weer op?
14Lo spirito dell'uomo sostiene l'infermità di esso; Ma chi solleverà lo spirito afflitto?
15Een verstandig hart doet inzicht op, Het oor der wijzen spitst zich op kennis.
15Il cuor dell' uomo intendente acquista scienza; E l'orecchio de' savi cerca conoscimento.
16Een geschenk verschaft iemand ruimte, Het geeft hem toegang tot de groten.
16Il presente dell'uomo gli fa far largo, E lo conduce davanti a' grandi.
17Wie het eerst zijn zaak bepleit, krijgt gelijk; Maar dan komt zijn buur en zet hem recht.
17Chi è il primo a piatir la sua causa ha ragione; Ma il suo compagno vien poi , ed esamina quello ch'egli ha detto .
18Het lot maakt een einde aan twisten, En scheidt machtigen van elkaar.
18La sorte fa cessar le liti, E fa gli spartimenti fra i potenti.
19Een verongelijkte broer is ontoegankelijker dan een sterke vesting; Ruzie is als de grendel van een burcht.
19Il fratello offeso è più inespugnabile che una forte città; E le contese tra fratelli son come le sbarre di un palazzo.
20Door de vrucht van de mond wordt iemands maag gevuld; Van de oogst zijner lippen wordt hij verzadigd
20Il ventre dell'uomo sarà saziato del frutto della sua bocca; Egli sarà saziato della rendita delle sue labbra.
21Dood en leven zijn in de macht van de tong; Wie haar veel gebruikt, moet haar vrucht dan ook eten.
21Morte e vita sono in poter della lingua; E chi l'ama mangerà del frutto di essa.
22Wie een vrouw heeft gevonden, heeft iets goeds gevonden, En de gunst van Jahweh gewonnen.
22Chi ha trovata moglie ha trovata una buona cosa, Ed ha ottenuto favor del Signore.
23Al klaagt een arme nog zo smekend, De rijke antwoordt met hardheid.
23Il povero parla supplichevolmente; Ma il ricco risponde duramente.
24Er zijn makkers, die iemand in het ongeluk storten; Maar ook vrienden, die aanhankelijker zijn dan een broer.
24Un uomo che ha degli amici deve portarsi da amico; E vi è tale amico, che è più congiunto che un fratello.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.