Spreuken 24
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Diodati Bibbia 1885
1Wees niet afgunstig op booswichten, Verlang niet naar hun gezelschap;
1Non portare invidia agli uomini malvagi, E non desiderare di esser con loro.
2Want wat zij willen is geweld, Wat zij bespreken, is onheil.
2Perciocchè il cuor loro macchina rapina, E le lor labbra parlano d'iniquità.
3Door wijsheid wordt een huis gebouwd, Door inzicht houdt het stand;
3La casa sarà edificata per sapienza, E sarà stabilita per prudenza.
4Door kunde worden de kamers vol Van allerlei kostbaar en prettig bezit.
4E per conoscimento le camere saranno ripiene Di beni preziosi e dilettevoli, d'ogni maniera.
5Een wijze is meer waard dan een sterke, Een man van ervaring meer dan een krachtmens;
5L'uomo savio è forte; E l'uomo intendente è possente di forza.
6Want alleen met overleg wordt een oorlog gevoerd, De zege bevochten door rijp beraad.
6Perciocchè con prudenti consigli tu farai la guerra; E la salute è posta in moltitudine di consiglieri.
7Voor een dwaas is de wijsheid te hoog; Daarom doet hij in de poort zijn mond niet open.
7Le sapienze son troppo alte per lo stolto; Egli non aprirà la bocca nella porta.
8Wie op kwaad zint, Wordt een gluiperd genoemd.
8Chi divisa far male Sarà chiamato uomo malizioso.
9De gedachten van een dwaas zijn zondig, Een spotter is voor de mensen een gruwel.
9Il pensiero di stoltizia è peccato; E lo schernitore è l'abbominio degli uomini.
10Gedraagt ge u slap, als het u goed gaat, Dan schieten in moeilijke tijden uw krachten te kort.
10Se tu ti rallenti nel giorno della distretta, Le tue forze saranno corte.
11Red hen, die ter dood worden gebracht; Bevrijd hen, die naar de plaats van terechtstelling wankelen.
11Se tu ti rattieni dal riscuoter quelli che son tratti alla morte, E quelli che stanno in forse di essere uccisi,
12Al zegt ge: “Och, we wisten het niet,” Zou Hij, die de harten peilt, het niet merken, Hij, die uw leven beschermt, het niet weten, En den mens niet naar zijn werken vergelden?
12Dicendo: Ecco noi non ne sappiamo nulla; Colui che pesa i cuori non vi porrà egli mente? E il guardiano dell'anima tua non lo conoscerà egli, E non renderà egli a ciascuno secondo le sue opere?
13Mijn zoon, eet honing, want die smaakt goed; Honingzeem is zoet voor het gehemelte:
13Figliuol mio, mangia pure del miele; Perciocchè egli è buono; E del favo del miele, che è dolce al tuo palato;
14Zo is ook de kennis goed voor uw hart, En de wijsheid voor uw ziel. Vindt ge haar, dan is er toekomst, En wordt uw verwachting niet beschaamd.
14Tal sarà la conoscenza della sapienza all'anima tua, Quando tu l'avrai trovata; e vi sarà premio, E la tua speranza non sarà troncata.
15Booswicht, loer niet op de woning van den rechtvaardige, Beproef niet, zijn verblijf te vernielen;
15O empio, non insidiar l'abitacolo del giusto, Non guastare il suo ricetto.
16Want al valt de rechtvaardige zevenmaal, hij staat weer op, Maar de bozen blijven liggen in het kwaad.
16Perciocchè il giusto cade sette volte, e si rileva; Ma gli empi ruinano nel male.
17Als uw vijand valt, moet ge u niet verheugen, Als hij struikelt, u niet verblijden;
17Non rallegrarti, quando il tuo nemico sarà caduto; E quando egli sarà ruinato, il cuor tuo non ne gioisca;
18Want als Jahweh het ziet, mishaagt het Hem, En wendt Hij zijn gramschap van hem op u af.
18Che talora il Signore nol vegga, e che ciò non gli dispiaccia, E ch'egli non istorni l'ira sua d'addosso a lui.
19Erger u niet over hen, die kwaad doen, Wees niet jaloers op booswichten;
19Non adirarti per li maligni; Non portare invidia agli empi.
20Want voor den booswicht is er geen toekomst, De lamp der bozen gaat uit.
20Perciocchè non vi sarà premio alcuno per lo malvagio; La lampana degli empi sarà spenta.
21Mijn zoon, vrees Jahweh en den koning, Houd u niet met nieuwlichters op;
21Figliuol mio, temi il Signore e il re; Non rimescolarti co' rapportatori.
22Want plotseling daagt hun ongeluk, Wie weet, wat hun einde zal zijn?
22Perciocchè in un momento sorgerà la loro calamità; E chi conosce la ruina procedente d'amendue loro?
23Ook de volgende spreuken zijn van wijzen. Partijdigheid in een rechtszaak is nooit goed
23Queste cose ancora son per li Savi. Ei non è bene di aver riguardo alla qualità delle persone in giudicio.
24Wie tot een schuldige zegt: ge hebt gelijk, De volkeren zullen hem verwensen, De naties hem vloeken.
24I popoli malediranno, e le nazioni esecreranno Colui che dice all'empio: Tu sei giusto.
25Maar die hem bestraffen, gaat het goed, Op hen rust zegen en voorspoed;
25Ma quelli che lo gastigano saranno grati; E benedizione di bene verrà sopra loro.
26Een kus op de lippen krijgt hij, Die een rechtvaardige uitspraak doet.
26Chi risponde parole diritte Bacia le labbra.
27Stel orde op uw werk buitenshuis, Maak, dat het klaar is op uw akker; Neem dan eerst een vrouw En bouw u een huis.
27Ordina le tue faccende fuori, E mettile in assetto ne' tuoi campi; E poi edificherai la tua casa.
28Leg geen valse getuigenis af tegen uw naaste, Waarom zouden uw lippen bedriegen?
28Non essere testimonio contro al tuo prossimo senza cagione; E vorresti tu subornare alcuno con le tue labbra?
29Zeg niet: “Zoals hij mij heeft gedaan, zal ik hem doen; Ik zet den man zijn daden betaald.”
29Non dire: Come egli ha fatto a me, così farò a lui; Io renderò a costui secondo l'opera sua.
30Ik kwam eens langs de akker van een luiaard, Langs de wijngaard van een dwaas;
30Io passai già presso al campo del pigro, E presso alla vigna dell'uomo scemo di senno;
31En zie: hij was geheel met onkruid begroeid, De grond met distels bedekt, En de stenen muur lag in puin.
31Ed ecco, amendue erano tutti montati in ortiche, I cardi ne aveano coperto il disopra, E la lor chiusura di pietre era ruinata.
32Toen ik dat zag, nam ik het ter harte; Toen ik dat merkte, heb ik er deze les uit getrokken:
32Ed io, riguardando ciò, vi posi mente; Veduto lo, ne presi ammaestramento.
33Nog even slapen, nog even soezen, Nog even in bed de handen over elkaar;
33Dormendo un poco, sonnecchiando un poco, Piegando un poco le mani per riposare;
34Dan overvalt u de armoe als een zwerver, Het gebrek als een rover.
34La tua povertà verrà come un viandante, E la tua inopia come uno scudiere.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.