Spreuken 16
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Diodati Bibbia 1885
1Wel kan de mens bij zichzelf overleggen, Maar van Jahweh komt het antwoord van de mond.
1Le disposizioni dell'animo son dell'uomo; Ma la risposta della lingua è dal Signore.
2Al denkt de mens, dat al zijn wegen onschuldig zijn, Het is Jahweh, die de harten toetst!
2Tutte le vie dell'uomo gli paiono pure; Ma il Signore pesa gli spiriti.
3Wentel uw zorgen op Jahweh af, Dan komen uw plannen ten uitvoer.
3Rimetti le tue opere nel Signore, E i tuoi pensieri saranno stabiliti.
4Jahweh heeft alles gemaakt met een doel, Zo ook den zondaar voor de dag van het onheil.
4Il Signore ha fatto ogni cosa per sè stesso; Eziandio l'empio per lo giorno del male.
5Jahweh verafschuwt alle hooghartige mensen; De hand erop: ze ontkomen niet aan hun straf.
5Chiunque è altiero d'animo è abbominevole al Signore; D'ora in ora egli non resterà impunito.
6Door oprechte liefde wordt de zonde uitgeboet, Uit vrees voor Jahweh leert men het kwaad mijden.
6L'iniquità sarà purgata con benignità, e con verità; E per lo timor del Signore l'uomo si ritrae dal male.
7Als Jahweh behagen heeft in iemands wegen, Maakt Hij zelfs diens vijanden met hem bevriend.
7Quando il Signore gradisce le vie dell'uomo, Pacifica con lui eziandio i suoi nemici.
8Beter weinig met eerlijke middelen, Dan rijke inkomsten door onrecht.
8Meglio vale poco con giustizia, Che grandi entrate senza dirittura.
9Al kan de mens bij zichzelf overleggen, Het is Jahweh, die zijn schreden richt.
9Il cuor dell'uomo delibera della sua via; Ma il Signore dirizza i suoi passi.
10Van ‘s konings lippen komt een orakel, Bij een rechtszaak faalt zijn uitspraak niet.
10Indovinamento è nelle labbra del re; La sua bocca non falla nel giudicio.
11Een juiste balans en weegschaal zijn van Jahweh, En iedere gewichtssteen is zijn werk.
11La stadera, e le bilance giuste son del Signore; Tutti i pesi del sacchetto son sua opera.
12Koningen moeten een afschuw van misdaden hebben; Alleen door rechtvaardigheid staat een troon sterk.
12Operare empiamente è abbominevole ai re; Perciocchè il trono sarà stabilito per giustizia.
13Een koning heeft welbehagen in eerlijke taal, En houdt van iemand, die waarheid spreekt.
13Le labbra giuste son quelle che i re gradiscono; Ed essi amano chi parla dirittamente.
14De toorn eens konings is de bode van de dood; Een wijs man weet hem te ontwapenen.
14L'ira del re son messi di morte; Ma l'uomo savio la placherà.
15Een vriendelijk gezicht van den koning betekent leven, Zijn welgevallen is als een wolk vol lenteregen.
15Nella chiarezza della faccia del re vi è vita; E la sua benevolenza è come la nuvola della pioggia della stagione della ricolta.
16Wijsheid verwerven is beter dan goud, Ervaring krijgen verkieslijker dan zilver.
16Quant' è egli cosa migliore acquistar sapienza che oro! E quant'è egli cosa più eccellente acquistar prudenza che argento!
17Het pad der deugdzamen weet het kwaad te vermijden; Wie op zijn weg let, beschermt zichzelf.
17La strada degli uomini diritti è di stornarsi dal male; Chi osserva la sua via guarda l'anima sua.
18Hoogmoed komt vóór de val, Hooghartigheid, voordat men struikelt.
18La superbia viene davanti alla ruina, E l'alterezza dello spirito davanti alla caduta.
19Beter deemoedig te zijn met armen, Dan met hovaardigen buit te delen.
19Meglio è essere umile di spirito co' mansueti, Che spartir le spoglie con gli altieri.
20Wie op zijn woorden let, heeft het goed; Gelukkig hij, die op Jahweh vertrouwt!
20Chi è intendente nella parola troverà bene; E beato chi si confida nel Signore.
21Een wijze geest wordt verstandig genoemd, Maar met goede woorden bereikt men nog meer.
21Il savio di cuore sarà chiamato intendente; E la dolcezza delle labbra aggiugnerà dottrina.
22Inzicht is een levensbron voor wie het bezit, Dwazen worden met dwaasheid bestraft.
22Il senno è una fonte di vita in coloro che ne son dotati; Ma l'ammaestramento degli stolti è stoltizia.
23Een wijze geest spreekt verstandige taal, Hij maakt, dat zijn woorden overtuigen.
23Il cuor del l'uomo savio rende avveduta la sua bocca, E aggiunge dottrina alle sue labbra.
24Vriendelijke woorden zijn een honingraat, Zoet voor de ziel en verkwikkend voor het gebeente.
24I detti soavi sono un favo di miele, Dolcezza all'anima, e medicina alle ossa.
25Soms houdt men een weg voor de rechte, Die tenslotte uitloopt op de dood.
25Vi è tal via che pare diritta all'uomo, Il fine della quale son le vie della morte.
26De honger zet den arbeider aan tot werken; Zijn mond dwingt hem ertoe.
26L'anima di chi si affatica si affatica per lui stesso; Perciocchè la sua bocca lo preme.
27Een man, die niet deugt, is een oven van boosheid; Op zijn lippen brandt als het ware een vuur.
27L'uomo scellerato apparecchia del male; E in su le sue labbra vi è come un fuoco ardente.
28Een wispelturig mens stuurt op ruzie aan, Een lastertong brengt onenigheid tussen vrienden.
28L'uomo perverso commette contese; E chi va sparlando disunisce gli amici.
29Een booswicht tracht zijn naaste te verleiden, En hem te brengen op een weg, die niet deugt.
29L'uomo violento seduce il suo compagno, E lo conduce per una via che non è buona.
30Wie zijn ogen toeknijpt, is iets vals van plan; Wie zijn lippen opeenperst, heeft het kwaad al gedaan.
30Chi chiude gli occhi macchinando perversità, Dimena le labbra quando ha compiuto il male.
31Het grijze haar is een heerlijke kroon, Die op het pad der deugd wordt verkregen.
31La canutezza è una corona gloriosa; Ella si troverà nella via della giustizia.
32Een lankmoedig man is meer waard dan een krachtmens; Wie zichzelf beheerst, staat hoger, dan wie een stad bedwingt.
32Meglio vale chi è lento all'ira, che il forte; E meglio vale chi signoreggia il suo cruccio, che un prenditor di città.
33Wel wordt het lot in de schoot geworpen Maar wat het uitwijst, komt van Jahweh.
33La sorte è gittata nel grembo; Ma dal Signore procede tutto il giudicio di essa.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.