Spreuken
Chapter 25
Petrus Canisius Bible, 1…
vs Diodati Bibbia 1885
Aa
Text size
Line width
Verse numbers
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Diodati Bibbia 1885
1Ook de volgende spreuken zijn van Salomon; ze zijn verzameld door de beambten van Ezekias, den koning van Juda.
1QUESTE ancora son sentenze di Salomone, le quali gli uomini di Ezechia, re di Giuda, raccolsero.
2Het is de glorie van God, iets verborgen te houden, De glorie der koningen, het uit te zoeken.
2La gloria di Dio è di celar la cosa; Ma la gloria dei re è d'investigare la cosa.
3Zoals de hoogte der hemelen, en de diepte der aarde, Zo is ook het hart der koningen: ondoorgrondelijk.
3L'altezza del cielo, e la profondità della terra, E il cuor dei re, non si possono investigare.
4Worden de slakken uit het zilver verwijderd, Dan slaagt de kunstenaar in zijn werk;
4Togli le schiume dell'argento, E ne riuscirà un vaso all'orafo.
5Verjaagt men de bozen uit de tegenwoordigheid van den koning, Dan staat zijn troon door rechtvaardigheid sterk.
5Rimuovi l'empio d'innanzi al re, E il trono di esso sarà stabilito con giustizia.
6Dring u niet op bij den koning, En ga niet staan op de plaats van voornamen;
6Non fare il vanaglorioso in presenza del re, E non istar nel luogo de' grandi;
7Het is beter, dat men tot u zegt: “Neem hier plaats, hogerop,” Dan dat men u voor een aanzienlijke vernedert. Wat uw ogen hebben gezien,
7Perciocchè val maglio che ti si dica: Sali qua; Che se tu fossi abbassato davanti al principe, Che gli occhi tuoi hanno veduto.
8Moet ge niet terstond voor het gerecht gaan brengen; Wat zult ge na afloop doen, Als uw naaste u in het ongelijk heeft gesteld?
8Non uscir subitamente alla contesa; Che talora alla fin d'essa tu non faccia qualche cosa, Quando il tuo prossimo ti avrà fatta vergogna.
9Beslecht uw eigen zaak met den naaste, Maar maak daarbij het geheim van een derde niet openbaar;
9Dibatti la tua lite col tuo prossimo; Ma non palesare il segreto di un altro;
10Anders zal hij, die het hoort, u beschimpen, En houdt ge voor altijd een slechte naam.
10Che talora chi ti ode non ti vituperi, E che la tua infamia non possa essere riparata.
11Gouden vruchten op zilveren schalen: Zijn woorden, te pas gesproken.
11La parola detta in modi convenevoli È simile a pomi d'oro tra figure d'argento.
12Een gouden ring en een sieraad van edel metaal: Is een wijs vermaner voor een luisterend oor.
12Il savio riprenditore ad un orecchio ubbidiente È un monile d'oro, ed un ornamento d'oro finissimo.
13Als koele sneeuw bij de hitte van de oogst Is een trouwe bode voor hem, die hem stuurt: Hij fleurt zijn meester weer op.
13Il messo fedele è , a quelli che lo mandano, Come il fresco della neve in giorno di ricolta; E ristora l'anima de' suoi padroni.
14Wolken en wind, en toch geen regen: Dat is iemand, die praalt op een gift, waar toch niets van komt.
14L'uomo che si gloria falsamente di liberalità È simile alle nuvole, ed al vento senza pioggia.
15Door lankmoedigheid laat een vorst zich vermurwen, Milde taal breekt beenderen stuk.
15Il principe si piega con sofferenza, E la lingua dolce rompe le ossa.
16Hebt ge honing gevonden, eet dan niet meer dan ge aan kunt; Anders staat het u tegen, en geeft ge het over.
16Se tu trovi del miele, mangia ne quanto ti basta; Che talora, se tu te ne satolli, tu nol vomiti fuori.
17Kom niet te dikwijls in het huis van uw naaste; Anders krijgt hij genoeg van u, en gaat hij u haten.
17Metti di rado il piè in casa del tuo prossimo; Che talora egli non si sazii di te, e ti odii.
18Een knots, een zwaard en een scherpe pijl: Is iemand, die valse getuigenis geeft tegen zijn naaste.
18Un uomo che dice falsa testimonianza contro al suo prossimo È come un martello, una spada, ed una saetta acuta.
19Een slechte tand en een zwikkende voet: Is de steun van een trouweloze in moeilijke tijden.
19La confidanza che si pone nel disleale è , in giorno di afflizione, Un dente rotto, ed un piè dislogato.
20Als azijn op hoofdzeer Zo werkt het zingen van liederen op een slecht humeur.
20Chi canta canzoni presso di un cuor dolente È come chi si toglie la vesta d'addosso in giorno di freddo, E come l'aceto sopra il nitro.
21Heeft uw vijand honger, geef hem brood te eten, Heeft hij dorst, laat hem water drinken;
21Se colui che ti odia ha fame, dagli da mangiar del pane; E se ha sete, dagli da bere dell'acqua;
22Zo stapelt ge vurige kolen op zijn hoofd, En Jahweh zal het u vergelden.
22Perciocchè così tu gli metterai delle brace in su la testa; E il Signore te ne farà la retribuzione.
23Noordenwind brengt een stortvloed, Een geniepige tong maakt boze gezichten.
23Il vento settentrionale dissipa la pioggia; E il viso sdegnoso la lingua che sparla di nascosto.
24Beter te wonen op de punt van het dak, Dan met een snibbige vrouw in de echtelijke woning.
24Meglio vale abitare sopra il canto di un tetto, Che con una moglie rissosa in casa comune.
25Een koele dronk voor een dorstige keel: Is goede tijding uit een ver land.
25Una buona novella di lontan paese È come acqua fresca alla persona stanca ed assetata.
26Een bedorven bron, een vervuilde wel: Is een rechtvaardige, die voor den boze wankelt.
26Il giusto che vacilla davanti all'empio, È una fonte calpestata, ed una vena d'acque guasta.
27Te veel honing eten is niet gezond; Wees daarom spaarzaam met vleiende woorden.
27Il mangiar troppo miele non è bene, E l'investigar colui che è la gloria degli uomini è cosa gloriosa.
28Als een stad met een bres, zonder muren: Is iemand zonder zelfbeheersing.
28L'uomo, il cui animo non ha ritegno alcuno, È una città sfasciata, senza mura.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.