Spreuken
Chapter 25
Petrus Canisius Bible, 1…
vs King James Version…
Aa
Text size
Line width
Verse numbers
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
King James Version with Apocrypha
1Ook de volgende spreuken zijn van Salomon; ze zijn verzameld door de beambten van Ezekias, den koning van Juda.
1These are also proverbs of Solomon, which the men of Hezekiah king of Judah copied out.
2Het is de glorie van God, iets verborgen te houden, De glorie der koningen, het uit te zoeken.
2It is the glory of God to conceal a thing: but the honour of kings is to search out a matter.
3Zoals de hoogte der hemelen, en de diepte der aarde, Zo is ook het hart der koningen: ondoorgrondelijk.
3The heaven for height, and the earth for depth, and the heart of kings is unsearchable.
4Worden de slakken uit het zilver verwijderd, Dan slaagt de kunstenaar in zijn werk;
4Take away the dross from the silver, and there shall come forth a vessel for the finer.
5Verjaagt men de bozen uit de tegenwoordigheid van den koning, Dan staat zijn troon door rechtvaardigheid sterk.
5Take away the wicked from before the king, and his throne shall be established in righteousness.
6Dring u niet op bij den koning, En ga niet staan op de plaats van voornamen;
6Put not forth thyself in the presence of the king, and stand not in the place of great men:
7Het is beter, dat men tot u zegt: “Neem hier plaats, hogerop,” Dan dat men u voor een aanzienlijke vernedert. Wat uw ogen hebben gezien,
7For better it is that it be said unto thee, Come up hither; than that thou shouldest be put lower in the presence of the prince whom thine eyes have seen.
8Moet ge niet terstond voor het gerecht gaan brengen; Wat zult ge na afloop doen, Als uw naaste u in het ongelijk heeft gesteld?
8Go not forth hastily to strive, lest thou know not what to do in the end thereof, when thy neighbour hath put thee to shame.
9Beslecht uw eigen zaak met den naaste, Maar maak daarbij het geheim van een derde niet openbaar;
9Debate thy cause with thy neighbour himself; and discover not a secret to another:
10Anders zal hij, die het hoort, u beschimpen, En houdt ge voor altijd een slechte naam.
10Lest he that heareth it put thee to shame, and thine infamy turn not away.
11Gouden vruchten op zilveren schalen: Zijn woorden, te pas gesproken.
11A word fitly spoken is like apples of gold in pictures of silver.
12Een gouden ring en een sieraad van edel metaal: Is een wijs vermaner voor een luisterend oor.
12As an earring of gold, and an ornament of fine gold, so is a wise reprover upon an obedient ear.
13Als koele sneeuw bij de hitte van de oogst Is een trouwe bode voor hem, die hem stuurt: Hij fleurt zijn meester weer op.
13As the cold of snow in the time of harvest, so is a faithful messenger to them that send him: for he refresheth the soul of his masters.
14Wolken en wind, en toch geen regen: Dat is iemand, die praalt op een gift, waar toch niets van komt.
14Whoso boasteth himself of a false gift is like clouds and wind without rain.
15Door lankmoedigheid laat een vorst zich vermurwen, Milde taal breekt beenderen stuk.
15By long forbearing is a prince persuaded, and a soft tongue breaketh the bone.
16Hebt ge honing gevonden, eet dan niet meer dan ge aan kunt; Anders staat het u tegen, en geeft ge het over.
16Hast thou found honey? eat so much as is sufficient for thee, lest thou be filled therewith, and vomit it.
17Kom niet te dikwijls in het huis van uw naaste; Anders krijgt hij genoeg van u, en gaat hij u haten.
17Withdraw thy foot from thy neighbour’s house; lest he be weary of thee, and so hate thee.
18Een knots, een zwaard en een scherpe pijl: Is iemand, die valse getuigenis geeft tegen zijn naaste.
18A man that beareth false witness against his neighbour is a maul, and a sword, and a sharp arrow.
19Een slechte tand en een zwikkende voet: Is de steun van een trouweloze in moeilijke tijden.
19Confidence in an unfaithful man in time of trouble is like a broken tooth, and a foot out of joint.
20Als azijn op hoofdzeer Zo werkt het zingen van liederen op een slecht humeur.
20As he that taketh away a garment in cold weather, and as vinegar upon nitre, so is he that singeth songs to an heavy heart.
21Heeft uw vijand honger, geef hem brood te eten, Heeft hij dorst, laat hem water drinken;
21If thine enemy be hungry, give him bread to eat; and if he be thirsty, give him water to drink:
22Zo stapelt ge vurige kolen op zijn hoofd, En Jahweh zal het u vergelden.
22For thou shalt heap coals of fire upon his head, and the LORD shall reward thee.
23Noordenwind brengt een stortvloed, Een geniepige tong maakt boze gezichten.
23The north wind driveth away rain: so doth an angry countenance a backbiting tongue.
24Beter te wonen op de punt van het dak, Dan met een snibbige vrouw in de echtelijke woning.
24It is better to dwell in the corner of the housetop, than with a brawling woman and in a wide house.
25Een koele dronk voor een dorstige keel: Is goede tijding uit een ver land.
25As cold waters to a thirsty soul, so is good news from a far country.
26Een bedorven bron, een vervuilde wel: Is een rechtvaardige, die voor den boze wankelt.
26A righteous man falling down before the wicked is as a troubled fountain, and a corrupt spring.
27Te veel honing eten is niet gezond; Wees daarom spaarzaam met vleiende woorden.
27It is not good to eat much honey: so for men to search their own glory is not glory.
28Als een stad met een bres, zonder muren: Is iemand zonder zelfbeheersing.
28He that hath no rule over his own spirit is like a city that is broken down, and without walls.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.