Spreuken
Chapter 25
Petrus Canisius Bible, 1…
vs JPS Tanakh (Jewish…
Aa
Text size
Line width
Verse numbers
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
JPS Tanakh (Jewish Publication Society, 1917)
1Ook de volgende spreuken zijn van Salomon; ze zijn verzameld door de beambten van Ezekias, den koning van Juda.
1These also are proverbs of Solomon, which the men of Hezekiah king of Judah copied out.
2Het is de glorie van God, iets verborgen te houden, De glorie der koningen, het uit te zoeken.
2It is the glory of God to conceal a thing; but the glory of kings is to search out a matter.
3Zoals de hoogte der hemelen, en de diepte der aarde, Zo is ook het hart der koningen: ondoorgrondelijk.
3The heaven for height, and the earth for depth, and the heart of kings is unsearchable.
4Worden de slakken uit het zilver verwijderd, Dan slaagt de kunstenaar in zijn werk;
4Take away the dross from the silver, and there cometh forth a vessel for the refiner;
5Verjaagt men de bozen uit de tegenwoordigheid van den koning, Dan staat zijn troon door rechtvaardigheid sterk.
5Take away the wicked from before the king, and his throne shall be established in righteousness.
6Dring u niet op bij den koning, En ga niet staan op de plaats van voornamen;
6Glorify not thyself in the presence of the king, and stand not in the place of great men;
7Het is beter, dat men tot u zegt: “Neem hier plaats, hogerop,” Dan dat men u voor een aanzienlijke vernedert. Wat uw ogen hebben gezien,
7For better is it that it be said unto thee: 'Come up hither', than that thou shouldest be put lower in the presence of the prince, whom thine eyes have seen.
8Moet ge niet terstond voor het gerecht gaan brengen; Wat zult ge na afloop doen, Als uw naaste u in het ongelijk heeft gesteld?
8Go not forth hastily to strive, lest thou know not what to do in the end thereof, when thy neighbour hath put thee to shame.
9Beslecht uw eigen zaak met den naaste, Maar maak daarbij het geheim van een derde niet openbaar;
9Debate thy cause with thy neighbour, but reveal not the secret of another;
10Anders zal hij, die het hoort, u beschimpen, En houdt ge voor altijd een slechte naam.
10Lest he that heareth it revile thee, and thine infamy turn not away.
11Gouden vruchten op zilveren schalen: Zijn woorden, te pas gesproken.
11A word fitly spoken is like apples of gold in settings of silver.
12Een gouden ring en een sieraad van edel metaal: Is een wijs vermaner voor een luisterend oor.
12As an ear-ring of gold, and an ornament of fine gold, so is a wise reprover upon an obedient ear.
13Als koele sneeuw bij de hitte van de oogst Is een trouwe bode voor hem, die hem stuurt: Hij fleurt zijn meester weer op.
13As the cold of snow in the time of harvest, so is a faithful messenger to him that sendeth him; for he refresheth the soul of his master.
14Wolken en wind, en toch geen regen: Dat is iemand, die praalt op een gift, waar toch niets van komt.
14As vapours and wind without rain, so is he that boasteth himself of a false gift.
15Door lankmoedigheid laat een vorst zich vermurwen, Milde taal breekt beenderen stuk.
15By long forbearing is a ruler persuaded, and a soft tongue breaketh the bone.
16Hebt ge honing gevonden, eet dan niet meer dan ge aan kunt; Anders staat het u tegen, en geeft ge het over.
16Hast thou found honey? eat so much as is sufficient for thee, lest thou be filled therewith, and vomit it.
17Kom niet te dikwijls in het huis van uw naaste; Anders krijgt hij genoeg van u, en gaat hij u haten.
17Let thy foot be seldom in thy neighbour's house; lest he be sated with thee, and hate thee.
18Een knots, een zwaard en een scherpe pijl: Is iemand, die valse getuigenis geeft tegen zijn naaste.
18As a maul, and a sword, and a sharp arrow, so is a man that beareth false witness against his neighbour.
19Een slechte tand en een zwikkende voet: Is de steun van een trouweloze in moeilijke tijden.
19Confidence in an unfaithful man in time of trouble is like a broken tooth, and a foot out of joint.
20Als azijn op hoofdzeer Zo werkt het zingen van liederen op een slecht humeur.
20As one that taketh off a garment in cold weather, and as vinegar upon nitre, so is he that singeth songs to a heavy heart.
21Heeft uw vijand honger, geef hem brood te eten, Heeft hij dorst, laat hem water drinken;
21If thine enemy be hungry, give him bread to eat, and if he be thirsty, give him water to drink;
22Zo stapelt ge vurige kolen op zijn hoofd, En Jahweh zal het u vergelden.
22For thou wilt heap coals of fire upon his head, and the LORD will reward thee.
23Noordenwind brengt een stortvloed, Een geniepige tong maakt boze gezichten.
23The north wind bringeth forth rain, and a backbiting tongue an angry countenance.
24Beter te wonen op de punt van het dak, Dan met een snibbige vrouw in de echtelijke woning.
24It is better to dwell in a corner of the housetop, than in a house in common with a contentious woman.
25Een koele dronk voor een dorstige keel: Is goede tijding uit een ver land.
25As cold waters to a faint soul, so is good news from a far country.
26Een bedorven bron, een vervuilde wel: Is een rechtvaardige, die voor den boze wankelt.
26As a troubled fountain, and a corrupted spring, so is a righteous man that giveth way before the wicked.
27Te veel honing eten is niet gezond; Wees daarom spaarzaam met vleiende woorden.
27It is not good to eat much honey; so for men to search out their own glory is not glory.
28Als een stad met een bres, zonder muren: Is iemand zonder zelfbeheersing.
28Like a city broken down and without a wall, so is he whose spirit is without restraint.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.