Genesis 1
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
JPS Tanakh (Jewish Publication Society, 1917)
1In het begin schiep God hemel en aarde.
1IN THE beginning God created the heaven and the earth.
2Maar de aarde was nog ongeordend en leeg, over de wereldzee heerste duisternis, en Gods Geest zweefde over de wateren.
2Now the earth was unformed and void, and darkness was upon the face of the deep; and the spirit of God hovered over the face of the waters.
3God sprak: Daar zij licht. En er was licht.
3And God said: 'Let there be light.' And there was light.
4En God zag, dat het licht goed was. Nu scheidde God het licht van de duisternis;
4And God saw the light, that it was good; and God divided the light from the darkness.
5het licht noemde Hij dag, en de duisternis noemde Hij nacht. Zo werd het avond en morgen: de eerste dag.
5And God called the light Day, and the darkness He called Night. And there was evening and there was morning, one day.
6God sprak: Er zij een uitspansel tussen de wateren, om de wateren van elkander te scheiden. Zo geschiedde.
6And God said: 'Let there be a firmament in the midst of the waters, and let it divide the waters from the waters.'
7God maakte het uitspansel, en scheidde het water onder het uitspansel van het water daarboven;
7And God made the firmament, and divided the waters which were under the firmament from the waters which were above the firmament; and it was so.
8het uitspansel noemde God hemel. Weer werd het avond en morgen: de tweede dag.
8And God called the firmament Heaven. And there was evening and there was morning, a second day.
9God sprak: Het water onder de hemel moet samenvloeien naar één plaats, zodat het droge te voorschijn komt. Zo geschiedde.
9And God said: 'Let the waters under the heaven be gathered together unto one place, and let the dry land appear.' And it was so.
10Het droge noemde God aarde, het saamgevloeide water noemde Hij zee. En God zag, dat het goed was.
10And God called the dry land Earth, and the gathering together of the waters called He Seas; and God saw that it was good.
11God sprak: De aarde moet groene planten voortbrengen, zaaddragend gewas en vruchtbomen, die zaadvruchten dragen op aarde, elk naar zijn soort. Zo geschiedde.
11And God said: 'Let the earth put forth grass, herb yielding seed, and fruit-tree bearing fruit after its kind, wherein is the seed thereof, upon the earth.' And it was so.
12De aarde deed groene planten ontspruiten, zaaddragend gewas, en bomen, die zaadvruchten dragen, elk naar zijn soort. En God zag, dat het goed was.
12And the earth brought forth grass, herb yielding seed after its kind, and tree bearing fruit, wherein is the seed thereof, after its kind; and God saw that it was good.
13Weer werd het avond en morgen: de derde dag.
13And there was evening and there was morning, a third day.
14God sprak: Er moeten lichten komen aan het hemelgewelf, om de dag en de nacht van elkaar te scheiden; zij moeten ook tot tekenen dienen voor vaste tijden, dagen en jaren;
14And God said: 'Let there be lights in the firmament of the heaven to divide the day from the night; and let them be for signs, and for seasons, and for days and years;
15en als lichten staan aan het hemelgewelf, om de aarde te verlichten. Zo geschiedde.
15and let them be for lights in the firmament of the heaven to give light upon the earth.' And it was so.
16God maakte de beide grote lichten: het grootste licht om de dag te beheersen, en het kleinste om heerschappij te voeren over de nacht; bovendien de sterren.
16And God made the two great lights: the greater light to rule the day, and the lesser light to rule the night; and the stars.
17God plaatste ze aan het hemelgewelf, om de aarde te verlichten,
17And God set them in the firmament of the heaven to give light upon the earth,
18om te heersen over de dag en de nacht, en om licht en duisternis van elkander te scheiden. En God zag, dat het goed was.
18and to rule over the day and over the night, and to divide the light from the darkness; and God saw that it was good.
19Weer werd het avond en morgen: de vierde dag.
19And there was evening and there was morning, a fourth day.
20God sprak: Laat het water krioelen van levend gewemel, en over de aarde de vogels vliegen langs het hemelgewelf.
20And God said: 'Let the waters swarm with swarms of living creatures, and let fowl fly above the earth in the open firmament of heaven.'
21Toen schiep God de grote zeegedrochten met al het levend gewemel, waarvan het water krioelt, elk naar zijn soort; en al de verschillende soorten van gevleugelde dieren. En God zag, dat het goed was.
21And God created the great sea-monsters, and every living creature that creepeth, wherewith the waters swarmed, after its kind, and every winged fowl after its kind; and God saw that it was good.
22Toen zegende God ze, en sprak: Weest vruchtbaar en vermenigvuldigt u; bevolkt het water der zee, en laat ook de vogels zich op aarde vermeerderen.
22And God blessed them, saying: 'Be fruitful, and multiply, and fill the waters in the seas, and let fowl multiply in the earth.'
23Weer werd het avond en morgen: de vijfde dag.
23And there was evening and there was morning, a fifth day.
24God sprak: Laat de aarde levende wezens voortbrengen van allerlei soort; tamme dieren, kruipende dieren en beesten in het wild, elk naar zijn soort. Zo geschiedde.
24And God said: 'Let the earth bring forth the living creature after its kind, cattle, and creeping thing, and beast of the earth after its kind.' And it was so.
25God maakte de verschillende soorten van wilde en tamme dieren met al wat over de aarde kruipt. En God zag, dat het goed was.
25And God made the beast of the earth after its kind, and the cattle after their kind, and every thing that creepeth upon the ground after its kind; and God saw that it was good.
26God sprak: Laat ons den mens maken als ons beeld, op ons gelijkend; hij heerse over de vissen der zee, de vogels in de lucht, de viervoetige dieren, en over heel de aarde met alles, wat er op kruipt.
26And God said: 'Let us make man in our image, after our likeness; and let them have dominion over the fish of the sea, and over the fowl of the air, and over the cattle, and over all the earth, and over every creeping thing that creepeth upon the earth.'
27En God schiep den mens als zijn beeld. Als het beeld van God schiep Hij hem; Man en vrouw schiep Hij hen.
27And God created man in His own image, in the image of God created He him; male and female created He them.
28Toen zegende God ze, en sprak tot hen: Weest vruchtbaar en vermenigvuldigt u; bevolkt de aarde en onderwerpt haar; heerst over de vissen der zee, de vogels in de lucht en over alle levende wezens, die zich op de aarde bewegen.
28And God blessed them; and God said unto them: 'Be fruitful, and multiply, and replenish the earth, and subdue it; and have dominion over the fish of the sea, and over the fowl of the air, and over every living thing that creepeth upon the earth.'
29God sprak: Zie, Ik geef u al het zaaddragend gewas op de hele aarde, met alle bomen, die zaadvruchten dragen; die zullen u tot voedsel dienen.
29And God said: 'Behold, I have given you every herb yielding seed, which is upon the face of all the earth, and every tree, in which is the fruit of a tree yielding seed — to you it shall be for food;
30Maar aan alle wilde beesten, aan alle vogels in de lucht, aan al wat beweegt en leeft op de aarde, geef Ik alle groene planten tot voedsel. Zo geschiedde.
30and to every beast of the earth, and to every fowl of the air, and to every thing that creepeth upon the earth, wherein there is a living soul, I have given every green herb for food.' And it was so.
31En God zag dat alles, wat Hij gemaakt had, zeer goed was. Weer werd het avond en morgen: de zesde dag.
31And God saw every thing that He had made, and, behold, it was very good. And there was evening and there was morning, the sixth day.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.