Genesis 6
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
JPS Tanakh (Jewish Publication Society, 1917)
1Toen de mensen talrijk begonnen te worden op de oppervlakte der aarde, en hun dochters werden geboren,
1And it came to pass, when men began to multiply on the face of the earth, and daughters were born unto them,
2zagen de zonen Gods, hoe schoon de dochters der mensen waren, en zij namen zich zoveel vrouwen, als zij maar wilden.
2that the sons of God saw the daughters of men that they were fair; and they took them wives, whomsoever they chose.
3Toen sprak Jahweh: Mijn geest zal niet voor altijd bij de mensen blijven, omdat ze bedorven zijn, en enkel vlees; hun tijd zal nog maar honderd twintig jaar duren.
3And the LORD said: 'My spirit shall not abide in man for ever, for that he also is flesh; therefore shall his days be a hundred and twenty years.'
4In die dagen, toen de zonen Gods tot de dochters der mensen waren gekomen, en deze hun kinderen hadden gebaard, waren er reuzen op aarde, en ook nog daarna. Dat waren de krachtmensen uit de oude tijd, beruchte mannen.
4The Nephilim were in the earth in those days, and also after that, when the sons of God came in unto the daughters of men, and they bore children to them; the same were the mighty men that were of old, the men of renown.
5Toen Jahweh dan zag, hoe groot op aarde het bederf onder de mensen was geworden, en zij enkel maar zonnen op slechte dingen,
5And the LORD saw that the wickedness of man was great in the earth, and that every imagination of the thoughts of his heart was only evil continually.
6berouwde het Jahweh, dat Hij den mens op aarde gemaakt had, en kreeg Hij er spijt van.
6And it repented the LORD that He had made man on the earth, and it grieved Him at His heart.
7En Jahweh sprak: Ik zal den mens, dien Ik geschapen heb, van de aarde verdelgen; zowel den mens als de viervoetige dieren, de kruipende dieren en de vogels in de lucht; want het spijt Mij, dat Ik ze gemaakt heb.
7And the LORD said: 'I will blot out man whom I have created from the face of the earth; both man, and beast, and creeping thing, and fowl of the air; for it repenteth Me that I have made them.'
8Maar Noë vond genade in de ogen van Jahweh.
8But Noah found grace in the eyes of the LORD.
9Dit is de geschiedenis van Noë. Noë was een rechtschapen man, en leefde onberispelijk te midden van zijn tijdgenoten; Noë leefde vertrouwelijk met God.
9These are the generations of Noah. Noah was in his generations a man righteous and whole-hearted; Noah walked with God.
10Noë verwekte drie zonen: Sem, Cham en Jáfet.
10And Noah begot three sons, Shem, Ham, and Japheth.
11De aarde was dan bedorven geworden in de ogen van God, en van ongerechtigheid vol.
11And the earth was corrupt before God, and the earth was filled with violence.
12Toen God dus zag, dat de aarde was bedorven, omdat alle mensen op aarde waren bedorven,
12And God saw the earth, and, behold, it was corrupt; for all flesh had corrupted their way upon the earth.
13sprak God tot Noë: Ik heb de ondergang van alle mensen besloten, omdat ze de aarde van hun ongerechtigheid hebben vervuld. Zie, Ik zal ze met de aarde verdelgen.
13And God said unto Noah: 'The end of all flesh is come before Me; for the earth is filled with violence through them; and, behold, I will destroy them with the earth.
14Maak nu voor u een ark van pijnhout, verdeel die ark in vakken, en bestrijk ze van binnen en buiten met pek.
14Make thee an ark of gopher wood; with rooms shalt thou make the ark, and shalt pitch it within and without with pitch.
15Zo moet ge ze maken: de ark moet driehonderd el lang zijn, vijftig el breed, en dertig el hoog.
15And this is how thou shalt make it: the length of the ark three hundred cubits, the breadth of it fifty cubits, and the height of it thirty cubits.
16Ge moet op de ark een dak maken, en een el hoog optrekken. In de lengtezijde moet ge de deur aanbrengen. Ge moet er ook een benedenruim, en een tweede en een derde verdek in maken.
16A light shalt thou make to the ark, and to a cubit shalt thou finish it upward; and the door of the ark shalt thou set in the side thereof; with lower, second, and third stories shalt thou make it.
17Want Ik ga de zondvloed-wateren over de aarde brengen, om alle schepselen met een levende geest onder de hemel te verdelgen; al wat op aarde is zal sterven.
17And I, behold, I do bring the flood of waters upon the earth, to destroy all flesh, wherein is the breath of life, from under heaven; every thing that is in the earth shall perish.
18Maar met u zal Ik mijn verbond sluiten: Gij moet de ark binnengaan: gij zelf en uw zonen, uw vrouw en de vrouwen uwer zonen met u.
18But I will establish My covenant with thee; and thou shalt come into the ark, thou, and thy sons, and thy wife, and thy sons' wives with thee.
19Ook moet ge van alle levende wezens een paar in de ark brengen, om ze met u in het leven te behouden; mannetje en wijfje moeten het zijn.
19And of every living thing of all flesh, two of every sort shalt thou bring into the ark, to keep them alive with thee; they shall be male and female.
20En van alle verschillende soorten van vogels, van alle soorten van beesten, van alle soorten van dieren, die kruipen over de aarde; van alles zal er een paar tot u komen om in het leven te blijven.
20Of the fowl after their kind, and of the cattle after their kind, of every creeping thing of the ground after its kind, two of every sort shall come unto thee, to keep them alive.
21Ge moet u ook van alle eetbare spijzen voorzien, en die meenemen, om u en hun tot voedsel te dienen.
21And take thou unto thee of all food that is eaten, and gather it to thee; and it shall be for food for thee, and for them.'
22Noë deed het; hij deed al wat God hem gebood.
22Thus did Noah; according to all that God commanded him, so did he.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.