Genesis
Chapter 33
Petrus Canisius Bible, 1…
vs JPS Tanakh (Jewish…
Aa
Text size
Line width
Verse numbers
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
JPS Tanakh (Jewish Publication Society, 1917)
1Nu sloeg Jakob zijn ogen op en keek rond; en zie, daar kwam Esau aan met vierhonderd man. Toen verdeelde hij zijn kinderen onder Lea, Rachel en zijn beide slavinnen.
1And Jacob lifted up his eyes and looked, and, behold, Esau came, and with him four hundred men. And he divided the children unto Leah, and unto Rachel, and unto the two handmaids.
2De slavinnen met haar kinderen plaatste hij voorop, Lea met haar kinderen daar achter, en Rachel met Josef achteraan.
2And he put the handmaids and their children foremost, and Leah and her children after, and Rachel and Joseph hindermost.
3Zelf stelde hij zich aan hun spits, boog zich zevenmaal ter aarde neer, tot hij zijn broer genaderd was.
3And he himself passed over before them, and bowed himself to the ground seven times, until he came near to his brother.
4Maar Esau snelde hem tegemoet, en omhelsde hem; hij viel hem om de hals, en kuste hem wenend.
4And Esau ran to meet him, and embraced him, and fell on his neck, and kissed him; and they wept.
5Toen hij zijn ogen opsloeg en de vrouwen met de kinderen zag, vroeg hij: Wie hebt ge daar? Hij antwoordde: Het zijn de kinderen, die het God heeft behaagd, aan uw dienaar te schenken.
5And he lifted up his eyes, and saw the women and the children; and said: 'Who are these with thee?' And he said: 'The children whom God hath graciously given thy servant.'
6Nu traden de slavinnen met haar kinderen naar voren, en bogen zich voor hem neer.
6Then the handmaids came near, they and their children, and they bowed down.
7Ook Lea trad met haar kinderen vooruit, en boog zich neer; daarna kwamen ook Josef en Rachel, en bogen zich neer.
7And Leah also and her children came near, and bowed down; and after came Joseph near and Rachel, and they bowed down.
8Toen sprak hij: Wat moet ge met heel dat leger, dat ik heb ontmoet? Hij antwoordde: Genade vinden in de ogen van mijn heer!
8And he said: 'What meanest thou by all this camp which I met?' And he said: 'To find favour in the sight of my lord.'
9Maar Esau hernam: Ik bezit meer dan genoeg, mijn broeder; behoud wat ge hebt.
9And Esau said: 'I have enough; my brother, let that which thou hast be thine.'
10Jakob hield aan: Neen, als ik genade gevonden heb in uw ogen, neem dan het geschenk van mij aan; want, daar gij vriendelijk voor mij waart, heb ik uw gelaat gezien, zoals men Gods aanschijn aanschouwt.
10And Jacob said: 'Nay, I pray thee, if now I have found favour in thy sight, then receive my present at my hand; forasmuch as I have seen thy face, as one seeth the face of God, and thou wast pleased with me.
11Wil toch het blijk van mijn hulde aanvaarden, dat ik u heb aangeboden; want God is mij genadig geweest, zodat ik overvloed heb. Toen hij zo bij hem aandrong, nam hij het aan.
11Take, I pray thee, my gift that is brought to thee; because God hath dealt graciously with me, and because I have enough.' And he urged him, and he took it.
12Daarop sprak: Laten we opbreken en verder trekken; ik zal u dan begeleiden.
12And he said: 'Let us take our journey, and let us go, and I will go before thee.'
13Maar hij antwoordde: Mijn heer, gij ziet, dat de kinderen nog zwak zijn. Bovendien moet ik voor de schapen en zogende runderen zorgen; als die één dag te veel gejaagd worden, gaat heel de kudde te gronde.
13And he said unto him: 'My lord knoweth that the children are tender, and that the flocks and herds giving suck are a care to me; and if they overdrive them one day, all the flocks will die.
14Laat dus mijn heer zijn dienaar vooruitgaan; ik zal op mijn gemak mijn tocht vervolgen in de pas van het vee, dat voor mij uittrekt, en in de pas van de kinderen, tot ik in Seïr kom bij mijn heer.
14Let my lord, I pray thee, pass over before his servant; and I will journey on gently, according to the pace of the cattle that are before me and according to the pace of the children, until I come unto my lord unto Seir.'
15Esau hernam: Dan zal ik tenminste enkele van de mannen, die mij vergezellen, te uwer beschikking stellen. Maar hij antwoordde: Waar is dat voor nodig; als ik maar genade vind in de ogen van mijn heer?
15And Esau said: 'Let me now leave with thee some of the folk that are with me.' And he said: 'What needeth it? let me find favour in the sight of my lord.'
16Zo keerde Esau nog diezelfde dag naar Seïr terug.
16So Esau returned that day on his way unto Seir.
17Maar Jakob trok naar Soekkot; hij bouwde daar een huis voor zichzelf, en maakte er hutten voor zijn vee. Daarom wordt die plaats Soekkot genoemd.
17And Jacob journeyed to Succoth, and built him a house, and made booths for his cattle. Therefore the name of the place is called Succoth.
18Na zijn terugkeer uit Paddan-Aram kwam Jakob behouden aan in de stad Sikem, die in het land Kanaän ligt, en legerde zich ten oosten der stad.
18And Jacob came in peace to the city of Shechem, which is in the land of Canaan, when he came from Paddan-aram; and encamped before the city.
19Voor honderd goudstukken kocht hij van de zonen van Hemor, den vader van Sikem, de strook grond, waarop hij zijn tent had gespannen.
19And he bought the parcel of ground, where he had spread his tent, at the hand of the children of Hamor, Shechem's father, for a hundred pieces of money.
20Hij richtte daar een altaar op, en riep den God van Israël aan.
20And he erected there an altar, and called it El-elohe-Israel.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.