Genesis
Chapter 26
Petrus Canisius Bible, 1…
vs JPS Tanakh (Jewish…
Aa
Text size
Line width
Verse numbers
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
JPS Tanakh (Jewish Publication Society, 1917)
1Toen er eens na de vroegere hongersnood, die in Abrahams dagen had geheerst, opnieuw hongersnood in het land ontstond, vertrok Isaäk naar Gerar, naar Abimélek, den koning der Filistijnen.
1And there was a famine in the land, beside the first famine that was in the days of Abraham. And Isaac went unto Abimelech king of the Philistines unto Gerar.
2Daar verscheen hem Jahweh, en sprak tot hem: Daal niet af naar Egypte, maar blijf in het land, dat Ik u aanwijs.
2And the LORD appeared unto him, and said: 'Go not down unto Egypt; dwell in the land which I shall tell thee of.
3Vestig u in dit land, en Ik zal met u zijn en u zegenen; want aan u en uw geslacht zal Ik al deze landen geven, en Ik zal de eed, die Ik uw vader Abraham gezworen heb, gestand doen.
3Sojourn in this land, and I will be with thee, and will bless thee; for unto thee, and unto thy seed, I will give all these lands, and I will establish the oath which I swore unto Abraham thy father;
4Ik zal uw nageslacht talrijk maken als de sterren aan de hemel, en aan uw nageslacht al deze landen schenken. In uw zaad zullen alle volken der aarde worden gezegend,
4and I will multiply thy seed as the stars of heaven, and will give unto thy seed all these lands; and by thy seed shall all the nations of the earth bless themselves;
5omdat Abraham naar mijn stem heeft gehoord, en mijn gebod en bevelen, mijn instellingen en wetten heeft onderhouden.
5because that Abraham hearkened to My voice, and kept My charge, My commandments, My statutes, and My laws.'
6Zo bleef Isaäk te Gerar wonen.
6And Isaac dwelt in Gerar.
7Toen nu de inwoners van die stad hem polsten over zijn vrouw, zeide hij: Het is mijn zuster. Want hij durfde niet zeggen: Het is mijn vrouw. Hij was bang, dat de inwoners van die stad hem om Rebekka zouden vermoorden; want zij was een knappe verschijning.
7And the men of the place asked him of his wife; and he said: 'She is my sister'; for he feared to say: 'My wife'; 'lest the men of the place should kill me for Rebekah, because she is fair to look upon.'
8Nadat hij daar al geruime tijd had vertoefd, gebeurde het eens, dat Abimélek, de koning der Filistijnen, uit zijn venster keek en zag, dat Isaäk zijn vrouw Rebekka aan het liefkozen was.
8And it came to pass, when he had been there a long time, that Abimelech king of the Philistines looked out at a window, and saw, and, behold, Isaac was sporting with Rebekah his wife.
9Nu liet Abimélek Isaäk roepen, en zeide hem: Vast en zeker: het is uw vrouw! Hoe hebt ge dan kunnen zeggen: Het is mijn zuster! Isaäk gaf hem ten antwoord: Ik was bang, dat ik om haar zou worden vermoord.
9And Abimelech called Isaac, and said: 'Behold, of a surety she is thy wife; and how saidst thou: She is my sister?' And Isaac said unto him: 'Because I said: Lest I die because of her.'
10Abimélek hernam: Maar wat hebt ge ons gedaan! Hoe gemakkelijk had iemand van ons volk met uw vrouw gemeenschap kunnen houden; ge zoudt dan een zware schuld op ons hebben geladen.
10And Abimelech said: 'What is this thou hast done unto us? one of the people might easily have lain with thy wife, and thou wouldest have brought guiltiness upon us.'
11Toen liet Abimélek aan heel het volk afkondigen: Wie dezen man of zijn vrouw enig leed durft doen, zal sterven.
11And Abimelech charged all the people, saying: 'He that toucheth this man or his wife shall surely be put to death.'
12Nu begon Isaäk in dat land te zaaien, en won dat jaar een honderdvoudige oogst; want Jahweh zegende hem.
12And Isaac sowed in that land, and found in the same year a hundredfold; and the LORD blessed him.
13De man werd al rijker en rijker, totdat hij grote overvloed bezat.
13And the man waxed great, and grew more and more until he became very great.
14Hij had talrijke schapen en runderen en een groot aantal slaven, zodat de Filistijnen afgunstig op hem werden.
14And he had possessions of flocks, and possessions of herds, and a great household; and the Philistines envied him.
15Daarom begonnen de Filistijnen alle putten, die de knechten van zijn vader in de dagen van zijn vader Abraham gegraven hadden, te verstoppen en met zand dicht te werpen.
15Now all the wells which his father's servants had digged in the days of Abraham his father, the Philistines had stopped them, and filled them with earth.
16En Abimélek zeide tot Isaäk: Ga van ons heen; want gij wordt ons te machtig!
16And Abimelech said unto Isaac: 'Go from us; for thou art much mightier than we.'
17Isaäk trok dus vandaar weg, sloeg zijn tent op in het dal van Gerar, en bleef daar wonen.
17And Isaac departed thence, and encamped in the valley of Gerar, and dwelt there.
18Daar groef Isaäk de waterputten weer open, die men tijdens het leven van zijn vader Abraham had gegraven, maar die de Filistijnen na de dood van Abraham hadden dichtgeworpen; hij gaf ze weer dezelfde namen als zijn vader gedaan had.
18And Isaac digged again the wells of water, which they had digged in the days of Abraham his father; for the Philistines had stopped them after the death of Abraham; and he called their names after the names by which his father had called them.
19Terwijl dus de knechten van Isaäk in het Gerardal aan het graven waren, vonden ze daar een put met stromend water.
19And Isaac's servants digged in the valley, and found there a well of living water.
20Maar de herders van Gerar begonnen met de herders van Isaäk te twisten, en zeiden: Dat water behoort ons. Daarom noemde hij die put Ések, omdat ze daar met hem hadden getwist.
20And the herdmen of Gerar strove with Isaac's herdmen, saying: 'The water is ours.' And he called the name of the well Esek; because they contended with him.
21Nu groeven zij een andere put, maar ook daarover ontstond strijd; men noemde die Sitna.
21And they digged another well, and they strove for that also. And he called the name of it Sitnah.
22Toen trok hij ook vandaar weg, en groef weer een andere put, waarover geen twist meer ontstond. Hij noemde hem Rechobot; want hij zeide: Nu heeft Jahweh ons ruimte gemaakt, zodat we in het land kunnen groeien.
22And he removed from thence, and digged another well; and for that they strove not. And he called the name of it Rehoboth; and he said: 'For now the LORD hath made room for us, and we shall be fruitful in the land.'
23Vandaar trok hij op naar Beër-Sjéba.
23And he went up from thence to Beer-sheba.
24Daar verscheen Jahweh hem zekere nacht, en sprak tot hem: Ik ben de God van Abraham, uw vader! Vrees niet, want Ik ben met u. Ik zal u zegenen en uw geslacht talrijk maken, Om wille van Abraham, mijn dienaar.
24And the LORD appeared unto him the same night, and said: 'I am the God of Abraham thy father. Fear not, for I am with thee, and will bless thee, and multiply thy seed for My servant Abraham's sake.'
25Daarom bouwde hij daar een altaar, en riep de naam van Jahweh aan. Isaäk sloeg er zijn tent op, en zijn knechten groeven er een put.
25And he builded an altar there, and called upon the name of the LORD, and pitched his tent there; and there Isaac's servants digged a well.
26Nu kwam Abimélek van Gerar uit hem bezoeken in gezelschap van Achoezzat, zijn vertrouweling, en Pikol, zijn legeroverste.
26Then Abimelech went to him from Gerar, and Ahuzzath his friend, and Phicol the captain of his host.
27Maar Isaäk zei hem: Waarom komt gij naar mij toe, terwijl gij mij haat en mij van u hebt weggejaagd?
27And Isaac said unto them: 'Wherefore are ye come unto me, seeing ye hate me, and have sent me away from you?'
28Ze antwoordden: We hebben nu duidelijk ingezien, dat Jahweh met u is. Daarom hebben we gedacht: er moest een eedverdrag tussen ons beiden bestaan, tussen ons en u. Wij willen een verbond met u sluiten,
28And they said: 'We saw plainly that the LORD was with thee; and we said: Let there now be an oath betwixt us, even betwixt us and thee, and let us make a covenant with thee;
29dat gij ons geen kwaad zult doen, evenmin als wij u enig leed hebben gedaan, maar u enkel vriendschap hebben bewezen, en u in vrede lieten gaan. Waarachtig, gij zijt door Jahweh gezegend!
29that thou wilt do us no hurt, as we have not touched thee, and as we have done unto thee nothing but good, and have sent thee away in peace; thou art now the blessed of the LORD.'
30Hierop richtte hij een gastmaal voor hen aan, en zij aten en dronken.
30And he made them a feast, and they did eat and drink.
31De volgende morgen zwoeren zij elkander de eed. Toen liet Isaäk hen vertrekken, en zij gingen van hem in vrede heen.
31And they rose up betimes in the morning, and swore one to another; and Isaac sent them away, and they departed from him in peace.
32Nog diezelfde dag kwamen de knechten van Isaäk hem berichten over een welput, die zij hadden gegraven, en zeiden hem: We hebben water gevonden.
32And it came to pass the same day, that Isaac's servants came, and told him concerning the well which they had digged, and said unto him: 'We have found water.'
33Hij noemde die Sjiba; en daarom heet die stad Beër-Sjéba tot op de huidige dag.
33And he called it Shibah. Therefore the name of the city is Beer-sheba unto this day.
34Toen Esau veertig jaar oud was, huwde hij Jehoedit, de dochter van den Chittiet Beëri, en Basemat, de dochter van den Chittiet Elon.
34And when Esau was forty years old, he took to wife Judith the daughter of Beeri the Hittite, and Basemath the daughter of Elon the Hittite.
35Zij waren de oorzaak van bitter verdriet voor Isaäk en Rebekka.
35And they were a bitterness of spirit unto Isaac and to Rebekah.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.