Genesis 26
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Kulish and Puluj Bible (1905)
1Toen er eens na de vroegere hongersnood, die in Abrahams dagen had geheerst, opnieuw hongersnood in het land ontstond, vertrok Isaäk naar Gerar, naar Abimélek, den koning der Filistijnen.
1Був же голод у тій землї, опріч голоду прежнього за часів Авраамових. Пійшов же Ізаак геть до Абимелеха, царя Филистимського, в Герар.
2Daar verscheen hem Jahweh, en sprak tot hem: Daal niet af naar Egypte, maar blijf in het land, dat Ik u aanwijs.
2Явився ж йому Господь і рече: Не ходи в Египет, вселися у землї, що про неї тобі скажу.
3Vestig u in dit land, en Ik zal met u zijn en u zegenen; want aan u en uw geslacht zal Ik al deze landen geven, en Ik zal de eed, die Ik uw vader Abraham gezworen heb, gestand doen.
3І пробувай у тїй землї, і буду з тобою, і благословлю тебе; тобі бо й насїнню твойму оддам усї цї землї, і поновлю клятву мою, що нею клявсь Авраамові, отцеві твойму.
4Ik zal uw nageslacht talrijk maken als de sterren aan de hemel, en aan uw nageslacht al deze landen schenken. In uw zaad zullen alle volken der aarde worden gezegend,
4І намножу насїннє твоє, як зорі небесні, і оддам насїнню твойму всї оцї землї, і благословляться через насїннє твоє всї народи земнії:
5omdat Abraham naar mijn stem heeft gehoord, en mijn gebod en bevelen, mijn instellingen en wetten heeft onderhouden.
5За те що послухав отець твій Авраам гласу мого, і держав заповідї мої, і повелїння мої, і встанови мої й закони мої.
6Zo bleef Isaäk te Gerar wonen.
6Вселився ж Ізаак у Герарі.
7Toen nu de inwoners van die stad hem polsten over zijn vrouw, zeide hij: Het is mijn zuster. Want hij durfde niet zeggen: Het is mijn vrouw. Hij was bang, dat de inwoners van die stad hem om Rebekka zouden vermoorden; want zij was een knappe verschijning.
7І питали люде займища того про жінку його, і каже: Сестра менї вона; боявся бо казати, що се жінка моя, щоб не вбили його чоловіки займища того, Ребеки ради; була бо вродлива.
8Nadat hij daar al geruime tijd had vertoefd, gebeurde het eens, dat Abimélek, de koning der Filistijnen, uit zijn venster keek en zag, dat Isaäk zijn vrouw Rebekka aan het liefkozen was.
8Сталося ж, як він був довгий час там, що позирнув Абимелех царь Герарський у вікно, побачив, що Ізаак жартує з Ребекою, жінкою своєю.
9Nu liet Abimélek Isaäk roepen, en zeide hem: Vast en zeker: het is uw vrouw! Hoe hebt ge dan kunnen zeggen: Het is mijn zuster! Isaäk gaf hem ten antwoord: Ik was bang, dat ik om haar zou worden vermoord.
9Прикликав же Абимелех Ізаака та й каже: Чи справдї ж бо вона жінка твоя? Як же се ти казав: Вона сестра менї. Каже ж йому Ізаак: Затим казав, щоб не вмерти задля неї.
10Abimélek hernam: Maar wat hebt ge ons gedaan! Hoe gemakkelijk had iemand van ons volk met uw vrouw gemeenschap kunnen houden; ge zoudt dan een zware schuld op ons hebben geladen.
10Каже ж Абимелех: Що се вдїяв єси нам? Мало що не побув хто з мого народу з жінкою твоєю, то й навів би єси на нас незнаний гріх.
11Toen liet Abimélek aan heel het volk afkondigen: Wie dezen man of zijn vrouw enig leed durft doen, zal sterven.
11Заповідав же Абимелех усїм людям своїм, говорючи: Усякого, хто прикоснеться до мужа сього, або до жони його, скарають смертю.
12Nu begon Isaäk in dat land te zaaien, en won dat jaar een honderdvoudige oogst; want Jahweh zegende hem.
12Сїяв же Ізаак у землї тій, і здобувсь того лїта на вроджай сторицею; благословив бо Господь його.
13De man werd al rijker en rijker, totdat hij grote overvloed bezat.
13І пійшов угору чоловік, і все більший був та більший, аж поки зробивсь великим вельми.
14Hij had talrijke schapen en runderen en een groot aantal slaven, zodat de Filistijnen afgunstig op hem werden.
14Був бо в його статок отарний, і статок товарний, і велика купа рабів; позавидували ж йому Филистимцї.
15Daarom begonnen de Filistijnen alle putten, die de knechten van zijn vader in de dagen van zijn vader Abraham gegraven hadden, te verstoppen en met zand dicht te werpen.
15І всї колодязї, що повикопували раби батьківські, за живота Авраама, батька його, засипали землею.
16En Abimélek zeide tot Isaäk: Ga van ons heen; want gij wordt ons te machtig!
16Каже ж Абимелех Ізаакові: Іди від нас; бо потужнїщий зробивсь єси од нас вельми.
17Isaäk trok dus vandaar weg, sloeg zijn tent op in het dal van Gerar, en bleef daar wonen.
17І зійшов звідти Ізаак, та й зупинивсь у Герар долинї, і вселився там.
18Daar groef Isaäk de waterputten weer open, die men tijdens het leven van zijn vader Abraham had gegraven, maar die de Filistijnen na de dood van Abraham hadden dichtgeworpen; hij gaf ze weer dezelfde namen als zijn vader gedaan had.
18І повідкопував ізнов Ізаак водяні колодязї, що повикопували були раби Авраамові, батькові, і що позасипали були Филистимцї по смертї Авраамовій, та й попрозивав їх прізвищами, що попроложував був їм отець його.
19Terwijl dus de knechten van Isaäk in het Gerardal aan het graven waren, vonden ze daar een put met stromend water.
19І копали раби Ізаакові, та й знайшли там колодязь води живої.
20Maar de herders van Gerar begonnen met de herders van Isaäk te twisten, en zeiden: Dat water behoort ons. Daarom noemde hij die put Ések, omdat ze daar met hem hadden getwist.
20І сварились пастухи Герарські з пастухами Ізааковими говорючи: Наша се вода. І прозвав колодязь той: Есек — сварка; сварились бо з ним.
21Nu groeven zij een andere put, maar ook daarover ontstond strijd; men noemde die Sitna.
21Відойшовши ж звідти Ізаак, викопав колодязь другий, сварилися ж і за той, і проложив і йому прізвище: Ситна — ворожнета.
22Toen trok hij ook vandaar weg, en groef weer een andere put, waarover geen twist meer ontstond. Hij noemde hem Rechobot; want hij zeide: Nu heeft Jahweh ons ruimte gemaakt, zodat we in het land kunnen groeien.
22Відойшовши ж ізвідти, викопав ще колодязь, і не сварилися за сей; і проложив йому прізвище: Рехобот — просторонь, говорючи: Роспросторив Господь займище наше, щоб ми розмножились у сїй землї.
23Vandaar trok hij op naar Beër-Sjéba.
23Піднявся ж ізвідти до Бейер-Себи, колодязя клятьби.
24Daar verscheen Jahweh hem zekere nacht, en sprak tot hem: Ik ben de God van Abraham, uw vader! Vrees niet, want Ik ben met u. Ik zal u zegenen en uw geslacht talrijk maken, Om wille van Abraham, mijn dienaar.
24І явивсь йому тієї ночі Господь, і рече: Я Бог Авраама, отця твого. Не бійся, бо я з тобою, і благословлю тебе, і намножу насїннє твоє задля Авраама, раба мого.
25Daarom bouwde hij daar een altaar, en riep de naam van Jahweh aan. Isaäk sloeg er zijn tent op, en zijn knechten groeven er een put.
25І спорудив там жертівника, і призвав імя Господнє, і напяв там намета свого. Викопали ж там раби Ізаакові колодязь.
26Nu kwam Abimélek van Gerar uit hem bezoeken in gezelschap van Achoezzat, zijn vertrouweling, en Pikol, zijn legeroverste.
26І Абимелех прийшов до його з Герару, і Ахусат, порадник його, і Пихоль, гетьман війська його.
27Maar Isaäk zei hem: Waarom komt gij naar mij toe, terwijl gij mij haat en mij van u hebt weggejaagd?
27І каже їм Ізаак: Чого прийшли до мене? Ви ж зненавидїли мене, і відослали мене від себе.
28Ze antwoordden: We hebben nu duidelijk ingezien, dat Jahweh met u is. Daarom hebben we gedacht: er moest een eedverdrag tussen ons beiden bestaan, tussen ons en u. Wij willen een verbond met u sluiten,
28Вони ж промовили: Бачивши побачили ми, що Господь був з тобою, та й кажемо: Нехай же буде клятьба між нами й між тобою, і заповідаймо з тобою заповіт,
29dat gij ons geen kwaad zult doen, evenmin als wij u enig leed hebben gedaan, maar u enkel vriendschap hebben bewezen, en u in vrede lieten gaan. Waarachtig, gij zijt door Jahweh gezegend!
29Щоб не робив нам лиха, як ми не чіпали тебе, і як ми робили тобі тільки добро, і відпустили тебе з миром; і тепер благословен ти від Господа.
30Hierop richtte hij een gastmaal voor hen aan, en zij aten en dronken.
30І справив їм пир, і їли вони й пили.
31De volgende morgen zwoeren zij elkander de eed. Toen liet Isaäk hen vertrekken, en zij gingen van hem in vrede heen.
31І вставши вранцї, клявся один одному; і відпустив їх Ізаак, і пійшли від його з миром.
32Nog diezelfde dag kwamen de knechten van Isaäk hem berichten over een welput, die zij hadden gegraven, en zeiden hem: We hebben water gevonden.
32Сталося ж того дня, що прийшовши раби Ізаакові повідали йому про колодязь, що викопали, і казали йому: Знайшли воду.
33Hij noemde die Sjiba; en daarom heet die stad Beër-Sjéba tot op de huidige dag.
33І прозвав його Себа, клятьба. Тим назва й міста того Бейер-Себа, колодязь клятьби, по сей день.
34Toen Esau veertig jaar oud was, huwde hij Jehoedit, de dochter van den Chittiet Beëri, en Basemat, de dochter van den Chittiet Elon.
34Було ж Ізаакові сорок лїт, і взяв він жінку собі Юдиту, дочку Бейерія Хетиянина, та Басмату, дочку Єлона Хетиянина.
35Zij waren de oorzaak van bitter verdriet voor Isaäk en Rebekka.
35І були вони важкою печаллю Ізаакові й Ребецї.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.