Genesis 44
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Kulish and Puluj Bible (1905)
1Daarna gaf hij zijn hofmeester het volgende bevel: Vul de zakken van die mannen met levensmiddelen, zoveel als ze maar kunnen dragen, en leg het geld van ieder boven in zijn zak.
1І повелїв Йосиф старшому над господою його говорючи: Посповнюй людям торби пашнею, скільки винесуть, і повкладай кожному гроші в усьтє торби його зверху.
2Maar mijn eigen zilveren beker moet ge boven in de zak van den jongste leggen bij het geld voor zijn koren. Hij deed, wat Josef hem bevolen had.
2А чашу мою срібну вложи в торбу меньшому і гроші його за пашню. І зроблено по слову Йосифовому.
3Vroeg in de morgen liet men de mannen met hun ezels vertrekken.
3День заднився, людей одпущено, самих і ослят їх.
4Maar zij waren nog niet ver buiten de stad, toen Josef tot zijn hofmeester zeide: Vooruit, jaag die mannen na, en als ge ze ingehaald hebt, zeg hun dan: “Waarom vergeldt ge goed met kwaad?
4Вийшовши вони з городу, не відойшли ще далеко, як повелїв Йосиф домозверхникові свойму: Гой! уставай, та вганяй слїдом за людьми; наздожени їх і скажи: Так се ви платите злом за добро?
5Waarom hebt ge de zilveren beker gestolen, en nog wel die, waar mijn heer uit drinkt en waaruit hij de toekomst voorspelt. Ge hebt daar slecht mee gedaan.”
5Та ж се кубок, що пє з його пан мій; він же й ворожбу ворожить по йому. Зло вдїяли ви таке заподїявши.
6Toen hij hen had ingehaald, sprak hij hen toe, zoals was bevolen.
6Наздогнавши ж їх, каже по наказу сьому.
7Zij antwoordden: Hoe kan mijn heer nu zo iets zeggen? Zo iets zouden uw dienaren zeker niet doen.
7Вони ж йому: Про що говорить пан добродїй слова такі? Не таківські раби твої, не зроблять по слову сьому.
8Zie, het geld, dat wij boven in onze zakken hadden gevonden, hebben we u uit het land Kanaän teruggebracht. Hoe zouden we dan zilver of goud uit het huis van uw heer durven stelen?
8Ми ж тобі ті гроші, що познаходили в торбах у себе, вернули з Канаан землї: Як же б украли з дому в пана твого срібло чи золото?
9Hij, bij wien de beker gevonden wordt, zal sterven; en de anderen van ons zullen de slaven zijn van uw heer.
9У кого з рабів твоїх воно знайдеться, тому смерть, а ми будемо рабами панові нашому.
10Hij zeide toen: Eigenlijk moest het gebeuren, zoals ge zegt. Maar zo zal het wezen: bij wien de beker gevonden wordt, hij zal mijn slaaf zijn; maar de anderen van u gaan vrij uit.
10Він же каже: Нехай же й се, як мовляли, так буде. У кого воно знайдеться, нехай буде мій раб, ви ж чисті будете.
11Toen zette ieder van hen vlug zijn zak op de grond, en maakte hem open.
11І метнулись, і скинув кожен торбу свою на землю, і розвязав кожен торбу свою.
12Hij begon zijn onderzoek bij den oudste om te eindigen bij den jongste; en de beker werd in de zak van Benjamin gevonden.
12І шукав, від старшого почавши, докіль дойшов до меньшого, та й знайшов чашу в торбі Беняминовій.
13Nu scheurden zij allen hun kleren, laadden hun zak weer op hun ezels, en keerden terug naar de stad.
13І пороздирали одїж свою, і навючивши кожен осла свого, вернулись у город.
14Zo kwamen Juda en zijn broers aan het huis van Josef, waar deze nog altijd vertoefde, en wierpen zich voor hem op de grond.
14Увійшов же Юда й браттє його до Йосифа в будинок, він же був там, та й попадали перед ним на долївку.
15Josef sprak hen aan: Wat hebt ge gedaan; begreept ge dan niet, dat iemand als ik een goed waarzegger is?
15Каже ж їм Йосиф: Що се за дїло ви вдїяли? Хиба не відаєте, що нема такого ворожбита, як я?
16Juda zeide: Wat zullen we onzen heer antwoorden, wat zullen we zeggen, hoe ons rechtvaardigen? God wreekt de schuld van uw dienaren. Zie, wij zijn de slaven van onzen heer, wij met hem, bij wien de beker is gevonden.
16Каже ж Юда: Що відкажемо панові добродїєві мойму, що промовимо? Або чим оправдуватись нам? Бог ізнайшов кривду в рабів твоїх. Оце ж ми раби панові добродїєві нашому, і ми й він, у кого знайшлась чаша.
17Hij sprak: Ik denk er niet aan, zo iets te doen; alleen de man, bij wien de beker is gevonden, zal mijn slaaf zijn, maar gij kunt in vrede naar uw vader gaan.
17І каже він: Таку річ не менї вчинити. Той, у кого знайшовся кубок, буде менї раб; ви ж ідїте до панотця вашого не зайняті в неволю.
18Nu trad Juda naar voren, en sprak: Met uw verlof, heer! Laat uw dienaar een enkel woord tot mijn heer mogen spreken, zonder dat gij toornig wordt op uw dienaar; want gij zijt verheven als Farao!
18Приступивши ж до його Юда, каже: Благаю й молю тебе, пане добродїю, дозволь рабові твойму промовити слова в уші пана добродїя свого, і не прогнївись на раба твого; ти ж бо єси з Фараоном рівен.
19Mijn heer heeft aan zijn dienaars gevraagd: “Hebt gij nog een vader of een broer?”
19Пане добродїю! Питав єси в рабів твоїх словами: чи маєте отця або брата?
20Wij hebben onzen heer toen geantwoord: “Wij hebben een ouden vader en een jongen broer, die hem op zijn oude dag is geboren. Zijn broer is dood, zijn moeder heeft hem alleen nog over, en hij is de lieveling van zijn vader”.
20І промовили ми панові добродїєві: Є в нас отець старенький і хлопя старощів його, а брат його вмер, він же один остався у матері своєї, і панотець улюбив його.
21Gij hebt toen tot uw dienaars gezegd: “Brengt hem naar mij toe, opdat ik hem met eigen ogen kan zien”.
21Ти ж мовляв рабам твоїм: Приведїте до мене, щоб я споглянув на його.
22Wij hebben onzen heer geantwoord: “De jongen kan niet weg van zijn vader; zijn vader zou sterven, als hij hem verliet”.
22І відказали ми панові добродїєві: Неможлива річ хлопцеві покинути панотця свого; коли ж покинув би панотця свого, умер би.
23Maar gij hebt toen uw dienaars gedreigd: “Waagt het niet, mij onder de ogen te komen, als uw jongste broer niet met u mee komt”.
23Ти ж промовив єси до рабів твоїх: Як не прийде брат меньший ваш, більш не бачити мете лиця мого.
24Nadat wij dus waren teruggekeerd naar onzen vader, uw dienaar, hebben wij hem de woorden van onzen heer meegedeeld.
24Сталося ж, як прийшли ми до раба твого, панотця нашого, повідали ми йому слова пана добродїя нашого.
25En toen onze vader beval: “Gaat weer wat levensmiddelen voor ons kopen”
25Каже ж нам панотець наш: Ідїть, ізнов та купіте трохи збіжа.
26hebben we geantwoord: “Zo kunnen we niet gaan! Alleen als onze jongste broer met ons meegaat, zullen we vertrekken; want we durven dien man niet meer onder de ogen komen, als onze jongste broeder ons niet vergezelt”.
26Ми ж відказали: Не можлива річ ійти! Коли ж брат наш меньший пійде з нами, пійдемо; бо шкода вбачати нам у вічі мужа громадського того, як брат наш меньший та не буде з нами.
27Toen sprak mijn vader, uw dienaar, tot ons: “Ge weet, dat mijn vrouw mij maar twee zonen heeft geschonken.
27Каже ж раб твій, панотець наш, до нас: Ви знаєте, що двох уродила менї жена моя.
28De een is van mij heengegaan; ik denk dat hij verscheurd is, want ik heb hem nooit meer gezien.
28І один пійшов од мене, і казав я: Певно розірвано його на шматтє, та й не бачив його й досї.
29Als ge nu ook dezen van mij wegneemt, en hem een ongeluk overkomt, dan zoudt ge mijn grijze haren met kommer ten grave doen dalen”.
29Коли ж оце візьмете й сього від мене, і станеться йому пригода, зведете старощі мої в смутку на той сьвіт.
30Wanneer ik nu dus terugkom bij mijn vader, uw dienaar, en de knaap, aan wien hij met heel zijn ziel hangt, ons niet vergezelt,
30Тим же то, як пійду я до раба твого, панотця мого, та хлопця не буде з нами? Душа ж бо його та звязана з душею малого,
31dan zal hij sterven, als hij ziet, dat de jongen er niet is, en uw dienaars zullen de grijze haren van onzen vader, uw dienaar, met kommer ten grave doen dalen.
31Так станеться таке, що як побачить, що нема хлопця з нами, то певно й раби твої зведуть сиве волоссє раба твого, панотця нашого, смутком в землю.
32Waarachtig, uw dienaar is borg gebleven voor den knaap bij mijn vader, en heeft hem gezegd: “Als ik hem niet bij u terugbreng, blijf ik mijn leven lang schuldig voor mijn vader.”
32Бо раб твій зробивсь порукою мойму панотцеві за хлопця, і ясив: Коли не приведу його до тебе, так нехай буду непрощений тобі до віку.
33Laat dus uw dienaar, in plaats van den jongen, als slaaf van mijn heer achterblijven, maar laat de knaap met zijn broers vertrekken.
33Тим же то буду тепереньки замість хлопця тобі рабом, а хлопець нехай іде з браттєм своїм.
34Want hoe zou ik naar mijn vader durven terugkeren, als de jongen mij niet vergezelt! Ik zou de smart niet kunnen aanzien, die mijn vader zou treffen.
34Як бо менї йти до панотця, хлопця ж не буде зо мною? Не мушу вбачати лихої години, що побє панотця мого.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.