Genesis
Chapter 27
Petrus Canisius Bible, 1…
vs Kulish and Puluj B…
Aa
Text size
Line width
Verse numbers
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Kulish and Puluj Bible (1905)
1Intussen was Isaäk oud geworden en werden zijn ogen zo zwak, dat hij niet meer kon zien. Daarom riep hij zijn oudsten zoon Esau, en zei hem: Mijn zoon! Deze antwoordde: Hier ben ik!
1І сталося, що як був Ізаак старий, і притупились очі в його, та й недобачав, покликав Езава, сина свого старшого та й каже йому: Сину мій! І каже: Ось я!
2Hij sprak: Zie, ik ben oud geworden, en weet niet, wanneer ik zal sterven.
2І говорить Ізаак: Оце я старий уже, і не знаю коли скінчусь.
3Neem daarom uw jachttuig, pijlkoker en boog, ga het veld in, en schiet voor mij een stuk wild;
3Дак возьми знаряддє твоє, сагайдака твого й лука, та пійди в дике поле, та влови менї влову.
4maak het smakelijk voor me klaar, zoals ik het graag heb, en breng het me hier, om op te eten. Dan zal ik u zegenen, vóór ik sterf.
4І вготуй менї наїдку такого, як я люблю, та й принеси менї, щоб моя душа благословила тебе, покіль не вмер.
5Maar Rebekka had afgeluisterd, wat Isaäk tot zijn zoon Esau had gezegd. En toen Esau het veld was ingegaan, om een stuk wild voor zijn vader te schieten,
5Ребека ж чула, як Ізаак говорив до Езава, сина свого. Пійшов же Езав у дике поле, вловити влову та принести.
6zei Rebekka tot haar zoon Jakob: Ik heb zo juist uw vader tegen uw broer Esau horen zeggen:
6Озветься ж Ребека до Якова, сина свого меньшого: Оце я чула, як отець твій озвавсь до Езава, брата твого, промовивши:
7“Breng mij een stuk wild, en maak er een smakelijke schotel van, waarvan ik kan eten; dan zal ik u zegenen voor het aanschijn van Jahweh, eer ik sterf”.
7Принеси менї влову, та вготуй менї наїдку, щоб я попоїв, та благословив тебе перед Господом, покіль не вмер.
8Luister nu naar mij, mijn jongen, en doe wat ik u zeg.
8Тим же то, синку, послухай голосу мого, що заповідаю тобі.
9Ga naar de kudde en haal mij twee malse geitebokjes; dan maak ik daarvan een smakelijke schotel voor uw vader gereed, zoals hij het gaarne heeft.
9Пійди лишень в отару, та піймай менї звідти двойко мякеньких та добрих, і зроблю я смашний наїдок отцеві твойму, такий як він любить.
10Die moet ge naar uw vader brengen, dan kan hij ervan eten. Dan zal hij u zegenen, eer hij sterft.
10І внесеш отцеві твойму, щоб він попоїв, і щоб тебе благословив, покіль не вмер.
11Doch Jakob zei tot zijn moeder Rebekka: Maar mijn broer Esau is ruig, en ik ben onbehaard.
11Каже ж Яков Ребецї, матері своїй: Та ж Езав брат мій, чоловік волохатий, я ж половік гладенький.
12Als mijn vader mij nu eens betast, zal hij denken, dat ik de spot met hem drijf; en ik zal vloek over mij brengen in plaats van zegen.
12Може, полапає мене панотець, і зроблюсь перед ним мантїєм, і наведу на себе клятьбу а не благословеннє.
13Zijn moeder verzekerde hem: Die vloek over u neem ik op mij, mijn jongen; luister maar naar mij, en ga ze halen.
13Рече ж йому мати: На менї клятьба твоя, синку; тілько послухай голосу мого, та йди, і піймай менї.
14Hij ging ze dus halen, en bracht ze naar zijn moeder; en zijn moeder maakte er een smakelijke schotel van, zoals zijn vader het gaarne had.
14Пійшов же, піймав, і принїс матері; і вготовила мати смашний наїдок, який любив отець його.
15Daarna nam Rebekka de beste kleren van haar oudsten zoon Esau, die ze bij zich thuis had, en trok die haar jongsten zoon Jakob aan;
15І взявши Ребека одежу Езавову добру, сина свого старшого, що була у неї в схованцї, одягла нею Якова, сина свого меньшого.
16de vellen van de geitebokjes trok ze over zijn handen en over het onbehaarde deel van zijn hals.
16А смушками козлячими пообгортала руки і наге тїло на шиї в його.
17Vervolgens reikte zij haar zoon Jakob de smakelijke schotel met het brood, dat zij gebakken had.
17І дала смашний наїдок і хлїба, що вготовила, в руки Яковові, синові свойму.
18Nu ging hij naar zijn vader en sprak: Vader! Deze antwoordde: Ja, mijn jongen, wie zijt ge?
18І внїс отцеві свойму, і каже: Панотче! Він же рече: Ось я! Хто єси ти, синку?
19En Jakob zei tot zijn vader: Ik ben Esau, uw eerstgeborene; ik heb gedaan, wat ge mij gezegd hebt. Ga dus overeind zitten, en eet van het wild; dan kunt ge me zegenen.
19І каже Яков отцеві: Я Езав, первенець твій. Зробив, як мовляв менї єси. Устань, сядь і попоїж мого влову, щоб мене благословила душа твоя.
20Maar Isaäk vroeg zijn zoon: Hoe hebt ge dat zo gauw kunnen vinden, mijn jongen? Deze antwoordde: Jahweh, uw God, heeft het mij tegemoet gestuurd.
20Рече ж Ізаак синові свойму: Що воно? Як хутко споткав єси, синку! Він же каже: Се тим, що послав Господь, Бог мій, перед мене.
21Maar nu beval Isaäk aan Jakob: Kom dichter bij, mijn jongen; dan kan ik u eens betasten, of ge werkelijk mijn zoon Esau zijt of niet.
21Рече ж Ізаак Яковові: Приступи до мене, облапаю тебе, синку, чи ти єси справдї син мій Езав, чи нї.
22Jakob trad dus op zijn vader Isaäk toe. Deze betastte hem en sprak: De stem is de stem van Jakob, maar de handen zijn de handen van Esau.
22Приступив же Яков до Ізаака, отця свого, і він облапав його, і рече: Голос — голос Яковів, руки ж — руки Езавові.
23Hij herkende hem niet, omdat zijn handen behaard waren als de handen van Esau, zijn broer. En toen hij hem wilde zegenen,
23І не впізнав його; були бо руки його, як руки Езавові, брата його, волохаті; от і благословив його.
24sprak hij nog: Ge zijt toch wezenlijk mijn zoon Esau? Hij antwoordde: Ja, dat ben ik.
24І рече: Чи справдї бо ти єси син мій Езав? Він же каже: Я.
25Toen zei hij: Dien het mij op, en laat mij eten van het wild van mijn zoon; dan zal ik u zegenen. Hij zette het hem voor, en hij at; daarna bracht hij hem wijn, die hij dronk.
25І рече: Подай менї сюди. Попоїм улову твого, синку, щоб тебе благословила душа моя. І подав йому, і попоїв; і принїс йому вино, і випив.
26Nu sprak zijn vader Isaäk tot hem: Kom hier, mijn zoon, en kus mij.
26І рече йому Ізаак, отець його: Приступи ж, та поцїлуй мене, синку.
27Hij trad nader, en kuste hem. En toen hij de geur van zijn kleren rook, zegende hij hem, en sprak: Zie, de geur van mijn zoon Is als de geur van een akker, Door Jahweh gezegend.
27І приступивши поцїлував його. І нюхав запах одежі його, і благословив його, і рече: Се запах сина мого, як запах ниви, що благословив її Господь.
28God schenke u dauw van de hemel, En het vette der aarde, Met overvloed van koren en most.
28Дай же тобі, Боже, буйну росу з неба, і дай тобі, Боже, землю благодатню! Роди тобі, Боже, зерно й виногрони!
29Volken zullen u dienen, En naties zich voor u buigen. Wees een vorst over uw broeders, De zonen uwer moeder werpen zich voor u neer. Vervloekt, die u vloekt, Maar gezegend, die u zegent!
29Нехай тобі хмарі служать службу вірну, і перед тобою шию гнуть народи! Мусиш бути паном, і над братом рідним, над усїма дїтьми матері твоєї. Проклят буде той, хто тебе проклинає, і благословенний, хто благословляє!
30Nauwelijks had Isaäk Jakob gezegend, en was Jakob van zijn vader Isaäk heengegaan, of zijn broer Esau kwam terug van de jacht.
30І сталось воно, скоро перестав Ізаак благословляти Якова, і ледві Яков вийшов од Ізаака, батька свого, аж Езав, брат його, прийшов до дому з ловитви.
31Ook hij maakte een smakelijke schotel gereed, bracht die naar zijn vader, en sprak tot zijn vader: Kom overeind zitten, vader, en eet van het wild van uw zoon; dan kunt ge me zegenen.
31Уготовив же й той наїдку, та й принїс отцеві свойму, і каже батькові: Нехай тато встане та попоїсть улову сина свого, щоб мене благословляла душа твоя.
32Zijn vader Isaäk sprak tot hem: Wie zijt gij? Hij antwoordde: Ik ben uw zoon Esau, uw eerstgeborene.
32І рече йому Ізаак, отець його: Хто ж єси ти? Він же каже: Я син твій, первенець твій Езав.
33Hevig ontsteld vroeg Isaäk: Maar wie was het dan, die het wild heeft geschoten en het mij heeft gebracht, zodat ik voor uw komst reeds volop heb gegeten? Dien heb ik gezegend, en hij blijft gezegend!
33Злякався ж Ізаак ляком великим вельми, і рече: Хто ж той, що вловив менї влову, і принїс менї, і попоїв я в сього перш, нїж прийшов ти, і благословив його? І буде благословен.
34Toen Esau dit van zijn vader vernam, brak hij in luide en bittere jammerklachten los, en zei tot zijn vader: Vader, zegen ook mij!
34Почувши ж Езав отецькі слова, заголосив голосом великим, і гірким тяжко, та й каже: Благослови ж і мене, панотче!
35Deze antwoordde: Uw broer heeft u listig de zegen ontnomen.
35Рече ж йому: Підійшов твій брат лестиво, та й узяв благословеннє твоє.
36En hij zeide: Terecht wordt hij Jakob genoemd; want hij heeft mij reeds tweemaal bedrogen. Hij heeft mij mijn eerstgeboorterecht ontroofd, en zie, nu steelt hij mijn zegen. En hij ging voort: Hebt ge voor mij geen zegen meer?
36І каже: По правдї дано йому імя Яков; бо підійшов під мене, се вже вдруге, і первеньство моє взяв у мене, і благословеннє моє тепер одняв. І каже Езав отцеві свойму: Чи то ж не приховав єси й менї благословення, панотче?
37Isaäk gaf Esau ten antwoord: Zie, ik heb hem over u tot vorst gesteld, hem al zijn broeders tot dienaars gegeven, en koren en most hem geschonken. Mijn jongen, wat kan ik dan voor ú nog doen?
37Відказав же Ізаак, і рече Езавові: Що ж? Паном зробив я його тобі, а все браттє його поробив рабами йому, хлїбом і вином забезпечив його. Тобі ж тепер що зробити, синку?
38Maar Esau zei tot zijn vader: Was dat dan uw enige zegen, vader? Ach, vader, zegen ook mij! En Esau snikte het uit.
38Озвався ж Езав до батька свого: Хиба ж одно благословеннє в тебе, панотче? Благослови ж і мене, панотченьку! Та й знов заплакав Езав.
39Toen sprak zijn vader Isaäk tot hem: Zie, ver van het vette der aarde zult ge wonen, Ver van de hemeldauw uit den hogen,
39Відказав же Ізаак, отець його, і рече йому: Знай же, що твою осаду тук земний вбезпечить, прохолодою ж твоєю з неба роси будуть.
40Van uw zwaard zult ge leven! Uw broeder zult ge dienstbaar zijn; Maar als ge tot macht komt, Schudt ge zijn juk van uw nek!
40Житимеш з меча важкого в послузї у брата. Станеться ж ізнов, ти будеш самовладьнїм паном, і ненавидну кормигу з гамалика скинеш.
41Esau haatte Jakob om de zegen, die zijn vader over hem had uitgesproken. En Esau dacht bij zichzelf: De tijd komt spoedig, dat men rouwt over mijn vader; dan zal ik mijn broer Jakob vermoorden.
41І зненавидїв Езав Якова за благословеннє, що ним благословив його батько його. Каже ж Езав у серцї свойму: Днї плачу по батькові надходять; тодї вбю Якова, брата мого.
42Toen men aan Rebekka dit plan van haar oudsten zoon Esau overbracht, liet zij haar jongsten zoon Jakob roepen, en zei tot hem: Hoor eens, uw broer Esau wil wraak op u nemen en u vermoorden.
42Переказано ж Ребецї слова Езавові, сина її старшого, і пославши прикликала Якова, сина свого меньшого, та й каже йому: Ось Езав, твій брат, погрожує тобі вбити тебе.
43Luister nu naar mij, mijn jongen. Maak u gereed, om naar mijn broer Laban in Charan te vluchten,
43Тепер же, синку, послухай голосу мого, і вставши біжи до Лабана, брата мого, в Гаран.
44en blijf enige tijd bij hem, totdat de woede van uw broer is bekoeld.
44І поживи з ним кілька днїв, докіль одвернеться ярость і гнїв у брата твого від тебе,
45Wanneer de toorn van uw broer over u is bedaard, en hij vergeten is, wat ge hem hebt gedaan, zal ik bericht zenden en u terug laten halen. Waarom zou ik u beiden op één dag verliezen!
45І забуде він, що йому вдїяв єси. Тодї пославши возьму тебе звідти. Чого ж менї втеряти вас обох ув один день?
46Toen zei Rebekka tot Isaäk: Het leven walgt me al om de dochters van Chet. Als nu ook Jakob een vrouw neemt uit de meisjes van het land, wat heb ik dan aan mijn leven?
46Рече ж Ребека до Ізаака: Тяжко менї жити на сьвітї через Хетіївен. Як візьме Яков за себе Хетіївну, таку, як вони в оцїй землї, дак про що менї й на сьвітї жити?

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.