Genesis 42
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Kulish and Puluj Bible (1905)
1Toen Jakob vernam, dat er in Egypte koren was, zeide hij tot zijn zonen: Wat talmt ge nog?
1Бачивши ж Яков, що є на продаж хлїб у Египтї, каже синам своїм: Чого позираєте один на одного?
2Ik heb gehoord, dat er koren is in Egypte. Trekt daarheen, en gaat er wat voor ons kopen, zodat we in leven blijven en niet sterven.
2Я ж чув, що є хлїб в Египтї. Рушайте туди, та купіте таменьки хлїба, щоб нам жити, не повмірати.
3Tien broeders van Josef gingen dus op weg, om in Egypte graan te kopen.
3Рушило браттє Йосифове, десятеро братів, куповати хлїба, в Египет:
4Maar Jakob liet Benjamin, den broer van Josef, niet met de andere broers meegaan; want hij was bang, dat hem een ongeluk zou overkomen.
4Бенямина ж, брата Йосифового, не відпустив Яков із браттєм його, каже бо: Коли б не сталась йому в дорозї пригода!
5Zo kwamen de zonen van Israël, tegelijk met vele anderen, daar aan, om koren te kopen; want er was hongersnood in het land Kanaän.
5Поприходили ж синове Яковові куповати хлїба з приходнїми, була бо голоднеча в Канаан землї.
6Josef, die toen het land bestuurde, verkocht persoonlijk aan al de volken der aarde. Ook de broers van Josef gingen dus naar hem toe, en bogen zich voor hem ter aarde neer.
6Йосиф же правив землею; він і продавав усїм землянам. Поприходивши ж брати Йосифові вклонились йому лицем до землї.
7Zodra Josef zijn broers zag, herkende hij hen, maar hij maakte zich zelf aan hen niet bekend. Bars sprak hij hen toe: Waar komt ge vandaan? Zij antwoordden: Uit het land Kanaän, om koren te kopen.
7Побачивши Йосиф браттє своє впізнав, та почужив їх, і говорив до них жорстоко, і каже їм: Звідкіля прийшли? Вони ж кажуть: Із Канаан землї, купити хлїба.
8Nu wist Josef zeker, dat het zijn broers waren, en dat zij hem niet hadden herkend;
8Упізнав же Йосиф браттє своє, вони ж не впізнали його.
9en hij herinnerde zich toen de dromen, die hij vroeger had gehad. Hij sprak tot hen: Gij zijt spionnen; ge zijt gekomen, om de zwakke punten van het land te verspieden.
9І спогадав Йосиф сни свої, що снились про їх, і каже їм: Ви пронири! Прийшли вишпіонувати проходи в землї сій.
10Zij antwoordden: Neen, heer; uw dienaars zijn enkel gekomen, om levensmiddelen te kopen.
10Вони ж кажуть: Нї, пане добродію! раби твої прибули купити харчі собі!
11Wij allen zijn zonen van één man, en wij zijn betrouwbare mensen; uw dienaars zijn geen spionnen.
11Всї ми синове одного чоловіка, вірняки. Раби твої, не підглядники.
12Hij herhaalde: Niet waar, ge zijt gekomen, om de zwakke punten van het land te verspieden.
12Каже ж їм: Нї! Перевідати прийшли проходи в землю сю.
13Ze zeiden: Uw dienaren zijn twaalf in getal geweest; wij zijn broeders en zonen van één man uit het land Kanaän. De jongste is bij onzen vader gebleven, en één is er niet meer.
13Вони ж кажуть: Дванайцятеро нас братів, рабів твоїх, у Канаан землї. Меньший тепереньки з отцем нашим, а одного немає.
14Josef hernam: Ik blijf er bij; ge zijt spionnen.
14Каже ж їм Йосиф: Се ж воно й є те, що я сказав вам: ви пронири.
15Dat is nu juist een punt, om u op de proef te stellen; bij het leven van Farao, gij komt hier niet vandaan, eer uw jongste broer naar hier is gekomen.
15Ось чим оправдитесь: Бодай так був жив Фараон! Не вийдете звідсї, коли брат ваш меньший не прийде сюди.
16Stuur dus een van u, om uw broer te halen; gij blijft hier gevangen achter. Zo kan worden onderzocht, of ge de waarheid hebt gesproken. En zo dit niet het geval is: bij het leven van Farao, dan zijt ge verspieders.
16Пошлїть одного зміж вас, і нехай приведе брата вашого; а вас держати муть у вязницї, докіль справдяться ваші слова: чи в вас є правда, чи нї. Як же нї, бодай так був жив Фараон, ви пронири.
17Nu liet hij hen drie dagen lang te zamen in de gevangenis opsluiten.
17І віддав їх під варту на три днї.
18Op de derde dag sprak Josef tot hen: Ge kunt uw leven redden, zo ge doet wat ik zeg; ook ik ben een godvrezend man.
18Каже ж їм третього дня: От що вчинїте, так останетесь живі; бо я собі людина богобоязлива.
19Wanneer gij betrouwbare mannen zijt, laat dan een van uw broers als gevangene in uw kerker achter; de anderen van u kunnen vertrekken, en koren meenemen, om de honger van uw gezinnen te stillen.
19Коли ви певняки, нехай один з між братів седить у неволї, де вас вартують, а ви йдїть, вистачити хлїб вашій семї, в вашу господу.
20Maar ge brengt uw jongsten broeder naar mij toe, om de waarheid van uw woorden te bewijzen; dan zult ge niet sterven. Daar gingen ze op in.
20А брата вашого меньшого приведїте до мене, так і правдиві будуть ваші слова, і не загинете. І вчинили так.
21Maar ze zeiden toch onder elkander: Waarachtig, we hebben het aan onzen broer verdiend. Wij hebben zijn doodsangst gezien, maar niet naar hem willen luisteren, toen hij ons om genade smeekte. Daarom komt deze ramp over ons.
21І каже одно одному: Ой справдї ми провинили братові нашому тим, що занедбали скорботу душі його, як благав нас, та й не послухали! Тим прийшла на нас така печаль.
22Ruben voegde er nog aan toe: Heb ik u niet gezegd, u niet aan den knaap te bezondigen? Maar gij hebt niet willen luisteren. Zie, nu wordt zijn bloed teruggeëist.
22Відказуючи ж Рубен, каже їм: Хиба ж я не казав вам: Не согрішайте на дитинї! Та не послухали. Оце кров його жадається від нас.
23Ze wisten niet, dat Josef hen verstond; want ze hadden zich van een tolk bediend.
23Вони ж не відали, що їх розуміє Йосиф; бо промовляв до них через товкмача.
24Josef weende met de rug naar hen toe. Daarna keerde hij zich om, en onderhield zich met hen. Hij liet Simeon uit hun midden weghalen, en hem voor hun ogen in boeien slaan.
24Та й одвернувшись од них, сплакав Йосиф, і прийшовши знов до них розмовляв із ними та, взявши Симеона від них, звязав його перед віччу в них.
25Nu gaf Josef bevel, hun zakken met koren te vullen, maar in ieders zak het geld terug te leggen, en hun mondvoorraad mee te geven voor onderweg. Zo deed men.
25Повелїв же Йосиф понасипати торби їх пашнею, та й вернути кожному гроші в його торбину, та й обмислити їх живностю на дорогу. І сталось так.
26Zij laadden het koren op hun ezels, en trokken weg.
26І навючивши пашню на осли свої, рушили звідти.
27Maar toen een van hen in het nachtverblijf zijn zak opendeed, om zijn ezel te voeren, vond hij het geld bovenop in de zak.
27Розвязавши один торбину свою, щоб усипати оброку ослам своїм на попасї, побачив гроші свої; бо вони були зверху, в устї мішковому.
28Hij zei tot zijn broers: Mijn geld is terug; daar ligt het in mijn zak. Zij bestierven het van schrik, en zeiden tot elkander: Wat laat God ons nu overkomen?
28І каже браттю свойму: вернено менї гроші; ось вони в торбі моїй. І охляло серце в їх, і поторопіли, говорючи одно одному: Що се вдїяв нам Бог?
29Zo kwamen zij dan bij hun vader Jakob in het land Kanaän terug, en verhaalden hem alles, wat hun overkomen was.
29І прийшли до Якова, отця свого, в Канаан землю, і оповідали все, що сталось їм, і казали:
30Ze zeiden: Die man, die daar het land regeert, heeft ons bars toegesproken, en ons uitgemaakt voor verspieders van het land.
30Промовляв до нас господар землї тієї жорстоко, і вважав нас за розглядників його землї.
31Wij hebben hem geantwoord: Wij zijn betrouwbare mensen en geen spionnen.
31Ми ж йому казали: Певняки ми, не розглядники.
32Wij zijn twaalf broeders geweest, zonen van één vader; één is er niet meer, en de jongste is bij zijn vader in het land Kanaän gebleven.
32Дванайцятеро братів нас синів отецьких; одного нема, меньший же з панотцем нашим тепереньки в Канаан землї.
33Maar de man, die daar het land regeert, sprak tot ons: Dit zal voor mij het bewijs zijn, dat gij betrouwbare mensen zijt; één van uw broers zal bij me blijven; de anderen van u kunnen vertrekken en koren meenemen, om de honger van uw gezinnen te stillen.
33Каже ж нам господар землї тієї: От із чого я взнаю, що ви певняки. Брата одного покиньте в мене, і забирайте куплений хлїб, задля голоду в домівцї вашій, та й рушайте.
34Maar brengt uw jongsten broer tot mij; dan zal ik weten, dat gij geen verspieders zijt. Als gij betrouwbare mannen zijt, geef ik uw broer aan u terug, en kunt gij vrij door het land reizen.
34І приведїте до мене брата вашого меньшого; тодї знати му, що не розглядники ви а вірняки. І брата вашого тодї оддам вам, і можете орудувати в нашій землї.
35Toen zij hun zakken ledigden, vond ieder zijn buidel met geld in zijn zak. Bij het zien van hun buidels met geld, werden zij, zowel als hun vader, bevreesd.
35І сталось, як спорожняли торби свої, диво, узлик із грошима в кожного в торбі його. І бачивши узлики грошей своїх, і самі і їх отець полякались.
36En hun vader Jakob zeide tot hen: Ge maakt me kinderloos; Josef is weg, Simeon is weg, en nu neemt ge ook nog Benjamin weg; het drukt me allemaal zwaar.
36Каже ж їм Яков, отець їх: Зробили ви мене бездїтним. Нема Йосифа, нема й Симеона; чи то ж і Бенямина візьмете? Це все на мене!
37Maar nu zei Ruben tot zijn vader: Ge moogt mijn beide zonen doden, als ik hem niet bij u terugbreng. Vertrouw hem mij toe; ik breng hem u terug.
37Каже ж Рубен отцеві свойму: Убий два сини мої, коли не приведу його до тебе. Приручи його менї; я приведу його до тебе.
38Maar hij antwoordde: Mijn zoon gaat niet met u mee; want zijn broer is dood, en hij alleen is nog over. Overkomt hem een ongeluk op de reis, die ge onderneemt, dan zoudt ge mijn grijze haren met kommer ten grave doen dalen.
38Він же рече: Не пійде син мій з вами; бо його брат умер, а сей один остався. Як станеться йому пригода в дорозї, що верстаєте, дак зведете смутком моє сиве волосє в землю на той сьвіт.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.