Genesis 37
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Kulish and Puluj Bible (1905)
1Jakob bleef in het land Kanaän wonen, waar ook zijn vader had vertoefd.
1Осївся ж Яков на країнї, де пробував отець його Ізаак, у Канаан землї.
2En dit is de familiegeschiedenis van Jakob: Toen Josef zeventien jaar oud en dus nog een knaap was, en hij met zijn broers, met de zonen van Bilha en de zonen van Zilpa, de vrouwen van zijn vader, de kudde weidde, bracht hij de kwade geruchten, die over hen liepen, aan hun vader over.
2Се ж родопись Якова: Як було Йосифові сїмнайцять років, пас він вівцї з браттєм своїм, та був ще недолїтком між синами Балли та Зелфи, жен отця свого. І доводив Йосиф речі їх ледачі до панотця свого.
3Ook hield Israël meer van Josef dan van zijn andere zonen, omdat hij hem nog op zijn oude dag geboren was; daarom liet hij hem een kleurig gewaad maken.
3Яков же любив Йосифа над усї сини свої; бо родивсь у старощах його, і справив йому одїж квіччасту, рукавчату.
4Toen zijn broeders dus bemerkten, dat hun vader hem meer beminde dan al zijn broers, begonnen zij hem te haten, en gunden hem geen vriendelijk woord meer.
4Вбачаючи ж браттє його, що любить його батько над усї сини свої, зненавидїли його, і тяжко їм було промовляти до його мирно.
5Bovendien had Josef eens een droom, die hij aan zijn broers vertelde, met het gevolg, dat zij hem nog meer gingen haten.
5Бачив же Йосиф сон і росказав браттї своїй.
6Hij sprak tot hen: Luistert eens naar de droom, die ik heb gehad.
6І каже їм: Послухайте лишень сна сього, що я бачив.
7Ziet, wij waren op het veld aan het schoven binden, toen mijn schoof overeind rees en recht bleef staan, terwijl uw schoven zich er omheen plaatsten, en voor de mijne begonnen te buigen.
7Здавалось бо, нїби вяжемо снопи серед поля; аж ось встав мій сніп, да й стоїть: ваші ж, бачся, снопи постали навкруги, та й уклонились мойму снопові.
8Maar zijn broers zeiden tot hem: Wilt ge soms koning over ons worden, of over ons heersen? En ze haatten hem nog meer om die droom, die hij had verhaald.
8Сказали йому браттє його: Чи то ж бо справдї царювати меш над нами. Та й зненавидїли його ще й надто за сни його і за слова його.
9Later had hij nog een andere droom, die hij eveneens aan zijn broers vertelde. Hij sprak: Ik heb een nieuwe droom gehad. Zie, de zon, de maan en elf sterren bogen zich voor mij neer.
9Побачив же сон другий, та й повідав його браттю свойму, і каже: Ось бачив ще сон, і здавалось, нїби соньце й місяць й одинайцятеро зір уклонились менї.
10Maar toen hij dit aan zijn vader en zijn broers vertelde, berispte hem zijn vader en zei: Wat moet dat met die droom, die ge gehad hebt; moeten ik, uw moeder en broers ons soms voor u ter aarde komen buigen?
10І росказав отцеві свойму й браттю свойму. І докорив йому панотець його, каже йому: Що се за сон такий тобі приснивсь? Чи то ж бо се прийдемо, я й мати твоя й браттє твоє, вклонитись тобі до землї?
11Maar terwijl zijn broers nijdig op hem bleven, prentte zijn vader dat verhaal in zijn geheugen.
11Позавидували ж йому браттє його, панотець же його завважив слово се.
12Nu gebeurde het eens, dat zijn broers naar Sikem waren gegaan, om de kudden van hun vader te weiden.
12І погнались брати його з отецькими вівцями в Сихем.
13Toen sprak Israël tot Josef: De broers zijn in Sikem de kudden aan het weiden; ik wilde u er wel eens heen zenden. Hij antwoordde: Heel goed!
13І каже Ізраїль до Йосифа: Чи не пасуть браттє твоє в Сихемі? Іди навідайся до них. Каже ж йому: Готов!
14Hij hernam: Ga dan eens zien, of alles in orde is met uw broers en ook met het vee, en kom het mij dan vertellen. Zo zond hij hem uit de vallei van Hebron op pad. Toen hij bij Sikem was gekomen,
14Каже ж йому: Іди, синку, та наглянь, чи все гаразд у браття твого, чи все гаразд між вівцями, і принеси вістку. Та й послав його з Геброн долини, і прийшов у Сихем.
15en daar in de velden ronddoolde, ontmoette hem iemand, die hem vroeg, wat hij zocht.
15І стьрів його чоловік якийся, аж він блукає по полю. Питає ж його чоловік: Чого шукаєш?
16Hij antwoordde: Ik ben op zoek naar mijn broers; kunt ge me zeggen, waar zij hun kudde weiden?
16Він же каже: Браття мого шукаю. Повідай, де пасуть.
17De man gaf ten antwoord: Zij zijn van hier weg; want ik heb ze horen zeggen, dat ze naar Dotan wilden gaan. Josef ging dus zijn broers achterna, en trof hen in Dotan.
17Каже ж йому чоловік: Погнались ізвідсї; чув бо, як мовляли: Поженимось у Дотан. І пійшов Йосиф слїдом за браттєм своїм, і зустьрів їх у Дотанї.
18Zij zagen hem al uit de verte. En eer hij hen nog had bereikt, hadden ze al het plan beraamd, hem te doden.
18Загледїли ж його оддалеки, перш нїж наближився до них, і змовились на його, щоб убити його.
19Ze zeiden tot elkander: Zie, daar komt de dromer aan!
19Каже ж брат до брата: От сновидець той ійде.
20Vooruit nu, laten we hem vermoorden, in een van de putten gooien, en zeggen, dat een wild beest hem heeft verslonden; dan zullen we eens zien, wat er van zijn dromen terecht komt.
20Нумо вбємо його та вкиньмо в який колодязь, та й казати мемо: Зьвір лютий пожер його; от і побачимо, що станеться з тих снів його.
21Toen Ruben dit hoorde, wilde hij hem uit hun handen redden. Daarom zei hij: We moeten hem niet om het leven brengen.
21Чуючи ж се Рубен, одняв його з рук у їх, та й каже: Не губімо душі.
22En Ruben vervolgde: Ge moet geen bloed vergieten; werpt hem liever in die put daar, in de woestijn, maar raakt hem niet aan. Zo wilde hij hem aan hun handen onttrekken, om hem naar zijn vader terug te brengen.
22Каже ж Рубен: Не проливайте крові, а вкиньте в степовий колодязь, руки ж не кладїть на його; се, щоб визволити його з рук у них, та й оддати панотцеві.
23Toen Josef dan bij zijn broers was gekomen, trokken zij hem het veelkleurig kleed uit, dat hij aanhad,
23І сталось, як прийшов Йосиф до браття свого, стягли з Йосифа одїж його квіччасту рукавчату, що була на йому.
24grepen hem vast, en wierpen hem in de put. De put was leeg, en er stond geen water in.
24І взяли його, та й укинули в колодязь; колодязь же сухий був, води не було.
25Terwijl ze daarna zaten te eten, keken ze op, en bemerkten een karavaan van Jisjmaëlieten, die van Gilad kwam; hun kamelen waren belast met gom, balsem en hars, en waren op weg naar Egypte.
25І сїли попоїсти, коли ж глянуть, ідуть подорожні Ізмайлитяне від Галааду з верблюдами своїми, везучи бурштин, бальзам та ладан в Египет.
26Nu zei Juda tot zijn broers: Wat hebben we er aan, onzen broer te vermoorden en zijn bloed te bedekken?
26Каже ж Юда до браття свого: Що за користь, як убємо брата нашого та й потаїмо кров його.
27Laten we hem liever aan de Jisjmaëlieten verkopen en niet onze handen aan hem slaan; want hij is toch onze broer en ons eigen vlees. Zijn broers stemden er in toe.
27Ходїмо, продаймо його Ізмайлитянам; руки ж наші не будуть на йому, бо він брат наш і тїло наше. І вдовольнились браттє його.
28En toen de midjanietische kooplieden voorbijkwamen, trokken zij Josef uit de put omhoog, en verkochten hem voor twintig zilverstukken aan de Jisjmaëlieten, die Josef naar Egypte voerden.
28І йшли мимо купцї Мидіянські; і витягли вони Йосифа з колодязя, і продали Йосифа Ізмайлитянам за двайцять срібняків; і поведено Йосифа в Египет.
29Toen Ruben weer naar de put kwam, maar Josef niet meer in de put was, scheurde hij zijn kleren.
29Вернувся ж Рубен до колодязя, аж Йосифа нема в колодязї, і розірвав одїж свою.
30Hij liep terug naar zijn broers, en riep: De jongen is weg, wat moet ik nu gaan beginnen!
30І прийшов до браттї своєї й каже: Хлопця нема, а я, куди менї теперенькі йти?
31Nu namen zij het kleed van Josef, slachtten een geitebokje, en doopten het kleed in het bloed.
31Узяли ж вони одежу Йосифову, і закололи кізлика, та й помазали одежу кровю;
32Ze stuurden het kleurige kleed naar hun vader, en lieten hem zeggen: Dit hebben we gevonden; zie eens, of dit het kleed van uw zoon is, of niet?
32І послали одежину квіччасту рукавчату, і принесено її до батька, і казали: Се ми знайшли; познавай, чи се одежа сина твого, чи нї.
33Hij herkende het en zei: Het is het kleed van mijn zoon; een wild beest heeft hem verslonden; ach, Josef is in stukken gescheurd!
33І впізнав, і каже: Одежа сина мого! Зьвір лютий іззїв його, зьвір ухопив Йосифа.
34En Jakob scheurde zijn kleren, deed een zak om zijn lenden, en treurde lange tijd om zijn zoon.
34І розірвав Яков одїж свою, і нагорнув на чересла свої веретище, і плакав по синові свойму днї многі.
35Al zijn zonen en dochters kwamen hem troosten; maar hij wilde geen troost. Want hij sprak: Treurend daal ik naar mijn zoon in het dodenrijk af. Zo bleef zijn vader om hem wenen.
35Посходилися ж усї його синове й дочки розважати його, та не слухав розважання говорючи: Пійду до сина мого сумуючи на той сьвіт у землю. Так убивався по йому батько його.
36Intussen hadden de Midjanieten Josef in Egypte verkocht aan Potifar, een hoveling van Farao, en overste van de lijfwacht.
36Мидіянії ж продали Йосифа в Египтї Потифарові, дворянину Фараоновому, гетьманові прибічників його.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.