Genesis 3
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Kulish and Puluj Bible (1905)
1De slang was het sluwste van alle dieren in het wild, die Jahweh God had gemaakt. Ze sprak tot de vrouw: Heeft God u dan werkelijk verboden, van de bomen in de tuin te eten?
1Змій же був хитріщий над усякого польового зьвіра, що Господь Бог создав. І каже він жіньцї: Чи справдї Бог сказав: Не мусите їсти нї з якого дерева райського? І каже жінка змієві: З усякого дерева райського їсти мемо,
2De vrouw gaf de slang ten antwoord: We mogen de vruchten eten van al de bomen in de tuin;
2З плоду ж дерева, що серед раю, рече Бог, не їжте з його, анї доторкати метесь до нього, ато помрете.
3alleen heeft God gezegd: ge moogt niet de vruchten eten van de boom, die midden in de tuin staat, en die zelfs niet aanraken; anders zult ge sterven.
3І каже змій жіньцї: Нї бо, не помрете.
4Maar de slang sprak tot de vrouw: Ge zult volstrekt niet sterven.
4А се Бог знає, що скоро попоїсте з нього, відкриються вам очі, і будете як боги, знающі добре й лукаве.
5Maar God weet, dat uw ogen zullen opengaan, wanneer ge daarvan eet, en dat ge gelijk aan God zult worden door de kennis van goed en kwaad.
5І вбачала жінка, що добре дерево на їду, і принадне очима дивитись і надило тим, щоб усе знати; і взяла плоду з його та й скоштувала, і дала чоловікові свойму з собою, і скоштували.
6Ook had de vrouw al bemerkt, hoe goed die boom was om van te eten; hoe hij een lust was voor de ogen, en hoe verleidelijk, wanneer men inzicht wil verkrijgen. Ze plukte dus van zijn vrucht en at; ze gaf er ook van aan haar man, die bij haar stond, en ook hij at er van.
6І відкрились їм обом очі, і схаменулись вони, що були нагі; і позшивали листя смоковне, та й поробили пояси.
7Nu gingen hun beiden de ogen open; ze merkten, dat ze naakt waren. Ze hechtten daarom vijgeblaren aaneen, en maakten er zich een schaamgordel van.
7І почули глас Господа Бога ходячого в раї по прохолодї, і поховались чоловік і жінка його від лиця Господа Бога посеред райського дерева.
8En toen zij Jahweh God in de koelte van de middag in de tuin hoorden wandelen, verborgen de mens en zijn vrouw zich voor Jahweh God tussen de bomen van de tuin.
8І покликне Господь Бог до чоловіка, і рече йому: Де єси?
9Maar Jahweh God riep den mens, en sprak tot hem: Waar zijt gij?
9І каже він: Голос почув я твій у саду та й злякавсь, тим що наг, та й сховавсь.
10Hij antwoordde: Toen ik U in de tuin hoorde, werd ik bang, omdat ik naakt ben; en ik heb mij verborgen.
10І рече він: Хто зъясував тобі, що наг єси? Хиба скоштував з того древа, що заповідав я тобі з одного сього не їсти?
11Maar Hij sprak: Wie heeft u verteld, dat ge naakt zijt? Hebt ge soms van de boom gegeten, waarvan Ik u verboden heb te eten?
11І каже чоловік: Жінка, що дав єси бути зо мною, вона дала менї з дерева, я й попоїв.
12De mens antwoordde: De vrouw, die Gij mij tot gezellin hebt gegeven, gaf mij van de boom, en ik at.
12І рече Господь Бог жіньцї: Що ти вкоїла? І каже жінка: Змій спокусив мене, я й скоштувала.
13Nu sprak Jahweh God tot de vrouw: Wat hebt ge gedaan? De vrouw gaf ten antwoord: De slang heeft mij verleid, en ik heb gegeten.
13І рече Господь Бог змієві: За те, що вдїяв таке, проклят єси між усїма скотами, і між усїм зьвірєм польовим. Лазити меш поповза, човгати меш на грудях твоїх і на череві ходити меш, і їсти меш землю по всї днї життя твого.
14Toen sprak Jahweh God tot de slang: Omdat ge dit gedaan hebt, zijt ge vervloekt Onder alle tamme en wilde dieren; Op uw buik zult ge kruipen, Stof vreten uw leven lang.
14І положу ворогуваннє між тобою й жінкою і між насїннєм твоїм і насїннєм її, воно рощавлювати ме тобі голову, ти ж упивати мешся йому в пяту.
15Ik zal vijandschap wekken tussen u en de vrouw, Tussen uw kroost en haar kroost; Dit zal u de kop verpletteren, Maar gij zult loeren naar zijn hiel.
15А жінцї рече: Наготую тобі муки в вагонїннях твоїх; мучившись роджати меш дїти, а до мужа твого поривати ме тебе, він же панувати ме над тобою.
16En tot de vrouw sprak Hij: De lasten uwer zwangerschap zal Ik verzwaren, In smarten zult ge kinderen baren; Toch zult ge naar uw man verlangen, En hij zal over u heersen.
16І чоловікові рече: Що послухав єси гласу жени твоєї та попоїв з того дерева, що заповідав я сього єдиного не їсти, проклята земля задля тебе; в печалї і тузї харчувати мешся з неї по всї днї живота твого.
17En Hij sprak tot den mens: Omdat ge naar uw vrouw hebt geluisterd, En van de boom hebt gegeten, waarvan Ik u verbood te eten; Is om u de aardbodem vervloekt, Alleen door levenslang zwoegen zult ge er van eten.
17Тернину да осет родитиме вона тобі, і їстимеш польове зело.
18Distels en doornen zal hij u voortbrengen, Ofschoon gij u met veldgewas moet voeden;
18У поту лиця твого їстимеш хлїб твій, аж покіль вернешся в землю, що з неї й узято тебе. Земля бо єси і землею візьмешся.
19In het zweet van uw aanschijn zult gij uw brood eten, Totdat ge terugkeert tot de grond, waaruit ge genomen zijt. Want ge zijt stof, En tot stof keert ge terug!
19І дав чоловік жіньцї своїй імя Ева: бо вона мати всїх живих.
20De mens noemde zijn vrouw nu Eva, omdat zij de moeder zou worden van al wat leeft.
20І поробив Господь Бог чоловікові й жіньцї його одежу із шкір та й зодїг їх.
21En Jahweh God maakte kleren van dierenhuiden voor den mens en zijn vrouw, en bekleedde hen daarmee.
21І рече Господь Бог: Оце і чоловік став як один ізміж нас, зрозумівши добре й лукаве, і тепер колиб не простїг руку свою, та не взяв із древа животового, да не попоїв, і не став жити во вік.
22Toen sprak Jahweh God: Zie, door de kennis van goed en kwaad is de mens geworden als een van ons. Als hij nu zijn hand maar niet uitstrekt, om te plukken en te eten van de levensboom, zodat hij ook nog eeuwig blijft leven!
22І вислав його Господь Бог із саду Едену порати землю, що з неї й узятий.
23Daarom verdreef Jahweh God hem uit de tuin van Eden, om de grond te bebouwen, waaruit hij genomen was.
23І вигнав чоловіка. І поставив на востоцї за садом Еденом херовимів з поломяними голими мечами обертасами стерегти дорогу до животового древа.
24Hij joeg den mens weg, en plaatste ten oosten van Edens tuin de cherubs met de vlam van het bliksemende zwaard, om de weg naar de levensboom te bewaken.
no verse 24 in this text
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.