Genesis 21
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Kulish and Puluj Bible (1905)
1En Jahweh trok Zich Sara aan, zoals Hij gezegd had; Jahweh deed Sara zijn belofte gestand.
1І одвідав Господь Сарру, так як рече, і сотворив Господь Саррі так, як глаголав.
2Zij werd zwanger, en schonk Abraham op zijn oude dag een zoon, juist op de tijd, die God had voorzegd.
2І завагонївши Сарра, вродила Авраамові сина в старощах того часу, як і глаголав йому Господь.
3Abraham noemde den zoon, die hem was geboren, en dien Sara hem geschonken had, Isaäk.
3І дав Авраам імя синові свойму, що вродивсь йому, що вродила йому Сарра, Ізаак.
4En Abraham besneed zijn zoon Isaäk, toen hij acht dagen oud was, zoals God hem bevolen had.
4Обрізав же Авраам Ізаака, сина свого, у восьмий день, так як заповідав йому Бог.
5Abraham was bij de geboorte van zijn zoon Isaäk honderd jaar oud.
5Авраамові ж було сто год віку, як родивсь йому син його Ізаак.
6Sara zeide: God heeft mij reden tot lachen gegeven; en ook iedereen, die het hoort, zal lachen.
6Рече ж Сарра: Сьміх менї сотворив Господь; хто бо почує, сьміятиметься з мене.
7En zij zeide: Wie had tot Abraham durven zeggen: Sara zal nog kinderen voeden? Toch heb ik een zoon gebaard op zijn oude dag.
7І рече: Хто б то сповістив Авраамові, що молоком своїм годувати ме дитину Сарра? Бо в старостї його я родила сина.
8Het kind groeide op, en werd aan de borst ontwend; en toen Isaäk van de borst werd afgenomen, richtte Abraham een groot feestmaal aan.
8І росло хлопятко, і відлучено його. І зробив Авраам бенкет великий того дня, як одлучено Ізаака.
9Maar toen Sara den zoon, dien Hagar de Egyptische aan Abraham geschonken had, haar eigen zoon Isaäk zag uitlachen,
9Як побачила Сарра, що син Агари, Египтянки, насьміхається з Ізаака,
10sprak ze tot Abraham: Jaag die slavin met haar zoon weg; want de zoon van die slavin mag geen erfgenaam worden met mijn zoon Isaäk.
10Каже Авраамові: Прожени сю рабиню й сина її; не наслїдувати ме бо син рабинї сієї з моїм сином Ізааком.
11Dit woord verdroot Abraham om zijn zoon.
11Тяжко ж було чути слово се вельми Авраамові про сина його.
12Maar God sprak: Wees niet verdrietig om den knaap en om uw slavin. Willig alles in, wat Sara u zegt; want alleen wat van Isaäk afstamt, zal uw nakomelingschap worden genoemd.
12І рече Бог Авраамові: Нехай не буде тяжке тобі слово про хлопця і про рабиню. У всёму, що рече тобі Сарра, слухай гласу її; бо в Ізаацї наречеться тобі потомство.
13Toch zal Ik ook van den zoon der slavin een volk maken, omdat hij uw kind is.
13Сина ж рабинї сієї народом великим сотворю його; бо насїннє твоє він.
14Daarom nam Abraham de volgende morgen brood en een zak water, gaf ze aan Hagar, zette het kind op haar schouder, en zond haar weg. Zij ging heen, maar verdwaalde in de woestijn van Beër-Sjéba.
14Устав же Авраам у ранцї, і взяв хлїба та бурдюк води та й оддав Агарі, і положив за плечима в неї хлопця, та й одпустив її. Вона ж одійшовши заблудила в Бейер-Себа пустинї.
15Toen het water uit de zak op was, legde zij den jongen onder een der struiken neer.
15Не стало ж води в бурдюцї, і покинь вона хлопця під ялиною.
16Zelf ging zij op een boogschot afstand daar tegenover zitten; want ze zei: Ik kan het kind niet zien sterven. En terwijl ze zo tegenover hem zat, begon ze hardop te snikken.
16Відойшовши ж сїла навпроти його віддалеки, як би дострелити з лука; каже бо: Нехай не бачу смерти дитини моєї. І седїла навпроти його, та й заголосила.
17God hoorde ook den knaap schreien; en de engel van God riep uit de hemel tot Hagar, en zeide tot haar: Wat is er toch Hagar? Wees maar niet bang; want God heeft het schreien van den jongen gehoord; dat betekent immers zijn naam.
17Почув же Бог плач хлопячий, і кликне ангел Божий Агару з небес, і рече: Що тобі, Агаро? Не турбуйся; почув бо Бог плач хлопячий з місця, де воно тепер.
18Sta op, neem den knaap op, en houd hem goed vast; want Ik zal een groot volk van hem maken.
18Устань, та возьми хлопя і держи на руцї твоїй; народом бо великим сотворю його.
19Toen opende God haar ogen, zodat zij een waterput zag; zij ging de zak met water vullen, en gaf den jongen te drinken.
19І відкрив Бог очі їй, і побачила криницю з водою, і пійшла й налила бурдюк води, та й напоїла хлопя.
20En God was met den knaap. Toen hij groot was geworden, vestigde hij zich in de woestijn, en werd een boogschutter.
20І був Бог з хлопчиком, і виріс та й оселивсь у степу і був стрілець-лучник.
21Hij woonde in de woestijn van Paran, en zijn moeder nam hem een vrouw uit het land van Egypte.
21І оселивсь у Фаран-степу, і взяла йому мати його жінку із землї Египецької.
22Het was ongeveer in dezelfde tijd, dat Abimélek en zijn legerhoofd Pikol tot Abraham zeiden: God is met u bij al wat ge doet.
22Сталося ж того часу, що промовив Абимелех та Пихоль, гетьман війська його, до Авраама, говорючи: Бог з тобою в усьому, що дїєш.
23Zweer mij hier dus bij God, dat ge mij, noch mijn geslacht en mijn stam, ontrouw zult worden; maar dat ge mij en het land, waarin ge als gast verblijft, dezelfde vriendschap zult bewijzen, als ik u heb getoond.
23Оце ж клянись менї Богом, що не зрадиш мене, нї дїтей моїх, нї внуків моїх, а по правдї, як прихилен був я до тебе, так і ти будеш до мене, і до землї, де пробуваєш.
24En Abraham zeide: Ik zweer het.
24І рече Авраам: Кленусь.
25Maar tegelijk deed Abraham bij Abimélek zijn beklag, dat de knechten van Abimélek zich met geweld van zijn waterput hadden meester gemaakt.
25І докоряв Авраам Абимелеха, за колодязь водяний, що відняли раби Абимелехові.
26Abimélek zeide: Ik weet niet, wie dat gedaan heeft; ge hebt er mij ook nooit van gesproken, en ik heb er tot nu toe niets van gehoord.
26І каже йому Абимелех: Не знаю, хто вчинив тобі дїло таке, нї ти менї не оповідав єси, нї я чував, тільки сьогоднї.
27Daarop haalde Abraham schapen en runderen, gaf ze aan Abimélek ten geschenke, en zij sloten een verbond met elkander.
27І вилучив Авраам сїм овечок, да товару, та й дав Абимелехові, і вчинили вони обидва умову.
28Toen Abraham zeven lammetjes had afgezonderd,
28І поставив Авраам семеро ягниць овечих із отари окроме.
29zei Abimélek tot Abraham: Wat betekenen die zeven lammetjes, die ge afgezonderd houdt?
29І каже Абимелех Авраамові: Що се за семеро ягниць, що поставив єси окроме?
30Hij antwoordde: Zeven lammetjes moet ge van mij aannemen; dit zal mij tot getuigenis dienen, dat ik die put heb gegraven.
30І рече Авраам: Що семеро сих ягниць візьмеш у мене, нехай будуть менї сьвідоцтвом, що я викопав колодязь сей.
31Daarom wordt die plaats Beër-Sjéba genoemd, omdat zij daar beiden een eed hebben gezworen.
31Того й проложено прізвище місцеві тому: Бейер-Себа, колодязь клятьби; бо там клялись обидва.
32En nadat zij dus een verbond te Beër-Sjéba hadden gesloten, brak Abimélek met zijn legeroverste Pikol op, en keerde naar het land der Filistijnen terug.
32І вчинили вони вмову коло колодязя клятьби. Піднявся ж Абимелех та Пихоль, гетьман війська його, та й вернулись у землю Филистимську.
33Abraham plantte een tamarisk te Beër-Sjéba, en riep daar de naam van Jahweh aan, den eeuwigen God.
33І посадив Авраам тамариску, і призвав там імя Господа Бога вічного.
34Nog lang bleef hij in het land der Filistijnen wonen.
34Пробував же Авраам у землї Филистимській час довгий.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.