Genesis 47
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Kulish and Puluj Bible (1905)
1Josef ging dus Farao berichten: Mijn vader en mijn broers zijn met hun schapen en runderen en met heel hun bezit uit het land Kanaän aangekomen, en bevinden zich in het land Gósjen.
1І прибув Йосиф і спосвістив Фараона й каже: Панотець мій і браттє моє, з вівцями й товариною й з усїм статком своїм, прибули із Канаан землї, і се вони в Госен землї.
2Hij had vijf van zijn broers meegenomen, en stelde ze aan Farao voor.
2Та й із браття свого взяв пятеро чоловіка, та й поставив їх перед Фараоном.
3Farao vroeg aan zijn broers: Wat is uw beroep? Zij gaven Farao ten antwoord: Uw dienaren zijn schaapherders, van vader op zoon.
3І промовив Фараон до браття Йосифового: Яке ремество ваше? Вони ж відказали Фараонові: Чабани, раби твої, ми й батьки наші змалку та й по сей день.
4En ze vervolgden tot Farao: We zijn gekomen, om de gastvrijheid van het land te genieten; want uw dienaars hadden geen weidegrond meer voor hun vee, daar de hongersnood het land Kanaän heeft geteisterd. Geef uw dienaren verlof, zich in het land Gósjen te vestigen.
4Мовляли вони й надто Фараонові: Перебувати в землї поприганялись; нема бо пасовища вівцям у рабів твоїх; опанував бо голод Канаан землю. Тепереньки ж благаємо, дозволь оселитись у Госен землї.
5Toen sprak Farao tot Josef: Nu uw vader en broers tot u zijn gekomen,
5І промовив Фараон Йосифові: Отець твій і браттє твоє прибули до тебе. Се земля Египецька перед тобою. На щонайлуччій землї осели отця твого і браттє твоє.
6staat het land van Egypte voor u open. Laat uw vader en broers in het beste deel van het land wonen; ze kunnen in het land Gósjen blijven. En wanneer ge weet, dat er geschikte mannen onder hen zijn, stel ze dan tot opzichters over mijn eigen veestapel aan.
6Нехай селяться в Госен землї; і коли знаєш яких людей спосібних між ними, так настанови їх доглядниками над скотиною моєю.
7Nu ging Josef zijn vader Jakob halen, en stelde ook hem aan Farao voor. Nadat Jakob Farao met een zegenwens had begroet,
7І привів Йосиф отця свого, та й поставив його перед Фараоном. І благословив Яков Фараона.
8sprak Farao tot Jakob: Hoeveel jaren telt ge reeds?
8І промовив Фараон до Якова: Скільки років життя твого?
9Jakob gaf Farao ten antwoord: Het getal van mijn pelgrimsjaren bedraagt honderd dertig: weinig in aantal, maar vol van verdriet zijn mijn levensjaren geweest, en zij hebben niet het getal van die mijner vaderen bereikt in de dagen van hun pelgrimstocht.
9І каже Яков Фараонові: Життя мого на сьвітї сто і трийцять лїт. Малі й важкі були лїта життя мого, не досягли до лїт життя отцїв моїх на сьвітї.
10Toen zegende Jakob Farao, en ging van Farao heen.
10І благословивши Яков Фараона, вийшов зперед Фараона.
11Josef wees zijn vader en broers een woonplaats aan en gaf hun grondbezit in Egypte, en wel in de streek van Raämses, in het beste deel van het land, zoals Farao bevolen had.
11І поселив Йосиф панотця свого й браттє своє, і дав їм державу в землї Египецькій, на луччій землї, в Раємзес землї, як повелїв Фараон.
12En Josef voorzag zijn vader en broers van brood, en heel het gezin van zijn vader naar het getal van de kinderen.
12І надїляв Йосиф отця свого й браттє своє й усю родину хлїбом, по лїчбі дїтей.
13Daar intussen de hongersnood hevig bleef woeden, was er in heel het land geen voedsel meer, en raakten Egypte en Kanaän uitgeput van honger.
13Хлїба ж не стало по всїй землї, голод бо тяжкій був; омлївала й Египецька земля й Канаан земля з голоднечі.
14Nu kreeg Josef al het geld in handen, dat in Egypte en Kanaän werd gevonden, in ruil voor het koren, dat men kocht; en al het geld stortte Josef in de schatkist van Farao.
14І позбирав Йосиф усї гроші, які знайшлись у землї Египецькій і в Канаан землї, за хлїб, що куповали люде; і повносив Йосиф усї гроші в палати Фараонові.
15Toen er in Egypte en Kanaän geen geld meer was, kwamen alle Egyptenaren naar Josef toe, en zeiden: Geef ons brood; waarom moeten wij voor uw ogen sterven, omdat er geen geld meer is.
15І як повитрачувано всї гроші в землї Египецькій і в Канаан землї, поприходили тодї всї Египтяне до Йосифа говорючи: Дай нам хлїба! Чому бо вмірати нам перед віччу в тебе? Кінець бо вже нашим грошам.
16Josef antwoordde: Als ge geen geld meer bezit, geeft dan uw vee, en ik geef u daarvoor brood in de plaats.
16І каже їм Йосиф: Так пригоньте скотину вашу, я й давати му вам хлїба за скотину, коли кінець вашій грошві.
17Zij brachten dus Josef hun kudden, en Josef gaf hun voedsel in ruil voor hun paarden, schapen, runderen en ezels. Dat jaar voorzag hij hen van brood in ruil voor al hun kudden.
17І стали приганятись із скотом до Йосифа, і давав їм хлїба Йосиф за конї, й за вівцї, й за воли, і за осли; і прохарчував хлїбом їх за всю скотину їх у тому роцї.
18Maar toen het jaar om was, kwamen zij ook in het volgende jaar naar hem toe, en zeiden: We behoeven het niet voor onzen heer te verbergen, dat het geld op is en de veestapel reeds in het bezit van onzen heer is gekomen; we hebben dus niets meer over voor onzen heer, dan onze eigen persoon en onze landerijen.
18І минув той год, і поприходили до його на другий год і мовляли до його: Не таїти мемо від пана добродїя нашого, що наші гроші повитрачувались, а наша скотина в нашого пана добродїя. Не зісталось перед віччу в пана добродїя нашого вже нїчого, як тільки тїло наше та земля наша.
19Waarom zouden wij met onze landerijen voor uw ogen te gronde gaan? Koop onszelf en ons land in ruil voor brood; dan zullen wij met ons land dienstbaar zijn aan Farao. Geef ook koren, om te zaaien, dan kunnen we in leven blijven en behoeven we niet te sterven, en zal ook het land niet braak blijven liggen.
19Чи то ж нам гинути перед очима в тебе, і нам, і нашій землї? Купуй нас і землю нашу за хлїб, і будемо самі й земля наша рабами Фараонові. Давай нам тільки насїння на засїв, та й живі будемо, не помремо, і земля не спустїє.
20Nu kocht Josef al het land van Egypte voor Farao op; want de Egyptenaren moesten allen hun akkers verkopen, omdat de honger hen kwelde. Zo werd het land Farao’s eigendom.
20І поскуплював Йосиф землю Египецьку Фараонові; попродали бо Египтяне землю свою Фараонові через те, що голод опанував їх. І земля стала Фараоновою.
21Bovendien bracht hij het hele volk in lijfeigenschap van het ene eind van Egypte tot het andere.
21А людей попереселяв він у городи з одного кінця Египту та й до другого.
22Alleen het land van de priesters kon hij niet kopen. Want de priesters hadden een vaste toelage van Farao, en leefden van wat Farao hun gaf; daarom behoefden zij hun land niet te verkopen.
22Тільки землї сьвященників не поскуплював, одержали бо сьвященники свій пай од Фараона і жили з того паю, що давав їм Фараон; тим і не попродали вони землї своєї.
23Nu zei Josef tot het volk: Ik heb nu uw personen en akkers voor Farao gekocht, en gij hebt nu zaaikoren, om het land te bezaaien.
23І каже Йосиф усїм Египтянам: Оце купив я вас і землю вашу Фараонові. От вам насїннє, возьміте і засївайте землю.
24Maar nu moet ge van de opbrengst een vijfde aan Farao afstaan; vier vijfden moogt ge voor u zelf behouden, om er uw velden mee te bezaaien, er met uw gezinnen van te leven, en uw kinderen te onderhouden.
24А з урожаю давати мете пятину Фараонові, чотирі ж пятини будуть вам на засїв землї, та про малечу вашу.
25Zij zeiden: Gij hebt ons het leven gered! Laat ons genade vinden in de ogen van onzen heer, en de slaven van Farao zijn.
25І казали: Вирятував єси нас од смертї; дай же нам ізнайти ласку в очу в тебе, пане добродїю, щоб нам бути рабами Фараонові.
26Zo maakte Josef het tot wet, die nog heden voor de akkers in Egypte geldt, dat een vijfde aan Farao moet worden opgebracht. Alleen het land van de priesters bleef uitgezonderd, omdat het niet van Farao was.
26І поставив їм Йосиф устав аж по сей день, пятину з землї давати Фараонові. Тілько земля священників не зробилась Фараоновою.
27Zo vestigden de Israëlieten zich in Egypte, in het land Gósjen. Ze kregen daar vaste bezittingen, waren er vruchtbaar, en werden zeer talrijk.
27І пробував Ізраїль у землї Египецькій, у Госен землї, і мали вони в їй наслїдню державу, і були плодющі й намножувались велико.
28Jakob leefde in Egypte nog zeventien jaar, zodat de hele levensduur van Jakob honderd zeven en veertig jaren bedroeg.
28І пожив Яков у землї Египецькій сїмнайцять років, а було днїв Якового життя сто і сорок і сїм років.
29Toen de dag van zijn sterven begon te naderen, ontbood hij zijn zoon Josef, en sprak tot hem: Als ik genade gevonden heb in uw ogen, leg dan uw hand onder mijn heup als bewijs van uw liefde en trouw, dat ge mij niet in Egypte zult begraven,
29І прийшла година Ізраїлеві вмерти. І прикликав сина свого Йосифа і каже йому: Коли знайшов я ласку в очах твоїх, підложи руку твою під стегно моє, що сотвориш надо мною милость і правду. Не ховай мене в Египтї!
30maar dat ik bij mijn vaderen zal rusten. Breng me uit Egypte over, en begraaf mij in hun graf. Hij antwoordde: Ik zal doen, wat ge zegt.
30Нї! хочу лежати з отцями моїми, і винесеш мене з Египту, та й поховаєш мене в гробовищі їх. Він же каже: Сотворю по слову твойму.
31Hij sprak: Zweer het mij dan! En toen hij het hem had gezworen, boog Israël zich aanbiddend neer op het hoofdeinde van zijn bed.
31І каже: Кленись менї! І поклявсь йому: І приклонився Ізраїль на підголовку постелї своєї.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.