Maleachi
Chapter 1

Maleachi

Petrus Canisius Bible, 1…
vs Kulish and Puluj B…
Aa
Text size
Line width
Verse numbers
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Kulish and Puluj Bible (1905)
1Een godsspraak: het woord van Jahweh, door Malakias tot Israël gericht.
1Пророче слово Господнє до Ізраїля через Малахію.
2Ik heb u lief, spreekt Jahweh! Gij zegt: Waaruit blijkt dan uw liefde tot ons? Was Esau niet de broer van Jakob, is de godsspraak van Jahweh; toch heb Ik Jakob liefgehad,
2Я полюбив вас, говорить Господь. Ви питаєте: У чому показалась любов твоя до нас? — Хиба ж Езав не брат Яковів? говорить Господь? а однакже я полюбив Якова,
3maar Esau heb Ik gehaat: een wildernis van zijn bergen gemaakt, van zijn erfdeel een steppe in de woestijn.
3А Езава я зненавидїв, так що гори його поробив безлюддєм, а наслїддє його — пробутком шакалів.
4En als Edom zegt: We zijn wel vernield, maar we bouwen onze puinen weer op; dan spreekt Jahweh der heirscharen: Zij mogen bouwen, maar Ik zal verwoesten; men zal ze noemen: goddeloos volk, waarop Jahweh voor immer vergramd blijft!
4Коли б Едом сказав: Хоч ми розбурені, та ми повідновлюємо розбурене, то Господь Саваот каже на те: Вони побудують, а я порозвалюю, так що їм приложать прізвище: Країна безбожностї, — нарід, що на його Господь прогнївився по віки.
5Met eigen ogen zult ge het zien, en moeten erkennen: Jahweh is groot, ook buiten Israëls gebied!
5Своїми очима ви се побачите та й скажете: Звеличив себе Господь над Ізрайлевим займищем!
6De zoon eert zijn vader, de knecht vreest zijn meester! Maar zo Ik dan een Vader ben, waar is de eer, die Mij toekomt; en ben Ik een Meester, waar is dan de vrees voor Mij? Zo spreekt Jahweh der heirscharen tot u, priesters; gij die mijn Naam durft verachten! En dan vraagt ge nog: Waardoor hebben wij Uw Naam veracht?
6Син шанує батька, а раб — пана свого; коли ж я батько, так де ж та почесть, що менї подобає? й коли я пан, де ж те поважаннє для мене? говорить Господь Саваот до вас, сьвященники, що зневажаєте ймя моє? Ви питаєте: Чим же ми зневажаємо ймя твоє?
7Door op mijn altaar onreine spijzen te offeren! Gij zegt: Hoe hebben wij die dan verontreinigd? Door te zeggen: De tafel van Jahweh is zoveel bijzonders toch niet;
7Ось, ви приносите нечистий хлїб на мій жертівник, та ще й питаєте: Як ми зневажаємо тебе? От тим, що говорите: Трапезу Господню нїщо поважати.
8of als gij een blind dier ten offer brengt, te zeggen: Dat is geen kwaad; of als gij een kreupel of ziek dier offert: Dat is niet zo erg! Biedt het dan uw landvoogd eens aan; zal hèm dat bevallen en hij u gunsten bewijzen, spreekt Jahweh der heirscharen!
8І як ви приносите на жертву слїпе, чи те в вас не погане? або як приносите кульгаве чи хворе, чи ж і се не погане? Ось, принеси се твойму князеві, чи буде воно йому приємне, чи прийме він тебе ласкаво? говорить Господь Саваот.
9Zoekt zo maar de gunsten van Jahweh: Hij zal u zeker genadig zijn; door u is het bedreven: moet Hij u nu maar gunstig zijn?
9Оце ж благайте Бога, щоб вас помилував; бо коли таке буде виходити з рук ваших, так чи ж може він вас ласкаво приймати? говорить Господь сил небесних.
10O, dat iemand van u de deuren maar sloot; dan zoudt gij niet tevergeefs het vuur op mijn altaar ontsteken! Neen, Ik heb geen behagen in u, spreekt Jahweh der heirscharen. geen lust in het offer uit uw handen.
10Лучше зачини которий храмові двері, щоб на мойму жертівнику не палити марно огню. Нема в мене ласкавостї до вас, говорить Господь сил небесних, і не вгодні менї приноси з ваших рук.
11Want van de opgang der zon tot aan haar ondergang is mijn Naam groot onder de volken; op iedere plaats wordt mijn Naam een wierookoffer en een reine offerande gebracht! Waarachtig, mijn Naam is groot onder de volken, spreekt Jahweh der heirscharen!
11Від ісходу бо та й до заходу сонця буде ймя моє величатись проміж народами, й всюди приносити муть іменї мойму кадило й жертву чисту; велике буде ймя моє проміж народами, говорить Господь Саваот.
12Maar gij ontwijdt hem door te zeggen: De tafel van Jahweh is onrein, en de spijs, die er afkomt, is minderwaardig!
12Ви ж його зневажаєте, мовляючи: Столові Господньому не належиться пошана, й те, що нам із неї впадає, невартне.
13Gij zegt: Wat een last; en gij trekt er uw neus voor op, zegt Jahweh der heirscharen! Of gij offert iets wat gestolen is, of wat kreupel of ziek is; en zou Ik dat van u aanvaarden, spreekt Jahweh?
13До того ще й мовляєте: Скілько ж то працї! та й маловажите все, говорить Господь сил, і приносите крадене й кульгаве й недуже, а такі самі й хлїбові дари ваші. Чи менї ж та приймати таке залюбки з рук ваших? говорить Господь.
14Vervloekt de bedrieger, die een mannelijk dier in zijn kudde bezit, maar aan den Heer een ondeugdelijk offert, als hij een gelofte heeft gedaan! Want Ik ben een grote Koning, spreekt Jahweh der heirscharen, en mijn Naam is onder de volken geducht!
14Нї, проклят зрадливий, що, мавши в чередї своїй здорового самця й обрікши себе обітом, приносить Господеві миршаве; я бо царь великий, говорить Господь сил небесних, а моє імя страшне проміж народами.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.