Jonas
Chapter 1

Jonas

Petrus Canisius Bible, 1…
vs Kulish and Puluj B…
Aa
Text size
Line width
Verse numbers
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Kulish and Puluj Bible (1905)
1Het woord van Jahweh werd tot Jonas gericht, den zoon van Amittai:
1І надійшло слово Господнє до Йони Аматієнка, таке:
2Sta op, ga naar Ninive, de grote stad, en kondig haar aan, dat haar boosheid tot Mij is doorgedrongen.
2Устань, подайсь у Ниневію, в город великий, і проповідуй проти його, бо ледарства його дойшли до мене.
3Jonas stond op, maar wilde naar Tarsjisj vluchten, ver buiten het bereik van Jahweh. Hij daalde naar Joppe af, vond er een schip, dat op Tarsjisj voer, betaalde de overtocht, en ging aan boord, om met de anderen naar Tarsjisj te varen, ver buiten het bereik van Jahweh.
3Йона ж устав, щоб утїкати від Господа в Тарсис, і, дойшовши до Яфи, знайшов корабель, що йшов у Тарсис, заплатив гроші за переправу, й вступив на нього, щоб на ньому одплисти в Тарсис перед лицем Господнїм.
4Maar Jahweh slingerde een orkaan over het water, en er brak een zware storm los op zee, die het schip dreigde te kraken.
4Господь же послав на море велику бурю, і постала на морі лиха хуртовина, так що караблеві приходилось розбитись.
5In hun angst riepen de schepelingen allen hun eigen goden aan, en wierpen de lading in zee, om het schip te ontlasten. Maar Jonas was in het scheepsruim gegaan, had zich daar ter ruste gelegd, en was in diepe slaap gevallen.
5І полякались моряки, й почали взивати кожен до свого бога. І викидали в море склад із корабля, щоб його полегчити; Йона ж зійшов у середину на дно, лїг та й заснув твердим сном.
6De kapitein ging naar hem toe, en zei hem: Hoe kunt ge nog slapen! Sta op, roep uw God aan; misschien ontfermt zich God over ons, en vergaan we niet.
6І прийшов до його керманич корабельний та й каже: Як тобі спати? вставай, покликни до твого Бога; може сей Бог зглянеться на нас, і ми не погинемо.
7Later zeiden ze tot elkander: Laat ons loten, om uit te maken, door wiens schuld dit onheil ons treft. Ze wierpen dus het lot; en het lot viel op Jonas.
7І говорили вони один одному: Ось, киньмо лишень жереб, щоб довідатись, за чию провину сталась нам ся пригода. Як же кинули вони жереб, упав він на Йону.
8Nu zeiden ze hem: Zeg ons, waarom dit onheil ons treft; wat is uw beroep, waar komt ge vandaan, wat is uw vaderland, van welk volk stamt ge af.
8І кажуть вони йому: Скажи же нам, за яку провину сталась нам ся пригода? Яке твоє дїло й звідки ти йдеш? де твій край, і з якого ти народу?
9Hij gaf hun ten antwoord: Ik ben een Hebreër; ik vereer Jahweh, den God des hemels, die zee en land heeft gemaakt.
9І відказав їм: Я Єврей і почитаю Господа, Бога небесного, що сотворив море й увесь суходіл.
10Nu werd de bemanning nog meer bevreesd, en ze zeiden tot hem: Hoe hebt ge zo iets durven doen? Want nu wisten ze, dat hij op de vlucht was voor Jahweh; hij had het hun zelf bekend.
10І полякались вельми люде й сказали йому: Що се ти зробив? бо довідались, що він утїкав од Господа, він бо їм признався.
11Ze zeiden hem: Wat moeten we met u doen, om de zee te kalmeren; want de zee raast hoe langer hoe harder!
11Питають його тодї: Що нам з тобою почати, щоб море втихло про нас? бо море не переставало яритись.
12Hij antwoordde: Neem mij op, en werp mij in zee; dan zal de zee bedaren. Want nu zie ik duidelijk in, dat door mijn schuld deze geweldige storm u teistert.
12Тодї він сказав їм: Возьміте мене та й вкиньте мене в море; тодї воно втихне про вас; я бо добре знаю, що ся страшенна хуртовина прийшла на вас через мене.
13Nog beproefde de bemanning, naar het land te roeien, maar het lukte haar niet; want steeds onstuimiger beukte de zee.
13Але ті люде силкувалися добитись до берега, та се їм не вдалось, бо море не переставало яритись проти них.
14Toen riepen ze Jahweh aan, en zeiden: Ach Jahweh! Laat ons toch niet vergaan om het leven van dezen man; wreek op ons geen onschuldig bloed. Want Gij, Jahweh, hebt zelf gedaan, wat U behaagt!
14Тодї покликнули вони до Господа й мовляли: Просимо тебе, Господи! не дай нам згинути за життє сього чоловіка, й не винуй нас, наче б ми безвинну кров пролили; ти бо, Господи, вчинив, що тобі сподобалось.
15Toen namen ze Jonas op, en wierpen hem in zee; en aanstonds kwam de zee tot bedaren.
15Тодї взяли вони Йону та й вкинули в море; і перестало море яритись.
16De bemanning werd van grote vrees voor Jahweh vervuld; men bracht Jahweh een offer, en deed Hem geloften.
16І полякались ті люде вельми перед Господом, принесли Господеві жертву й обреклись обітами.
17Intussen had Jahweh een grote vis laten komen, om Jonas op te slokken: en Jonas bleef in de buik van de vis drie dagen en drie nachten lang.
no verse 17 in this text

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.