Klaagliederen
Chapter 1

Klaagliederen

Petrus Canisius Bible, 1…
vs Kulish and Puluj B…
Aa
Text size
Line width
Verse numbers
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Kulish and Puluj Bible (1905)
1Ach, hoe eenzaam zit ze neer De eens zo volkrijke stad; Hoe blijft ze als weduwe achter De machtige onder de volken, En moet de vorstin der landouwen Slavendienst doen
1Як ся столиця седить одинока, — та, що була колись така многолюдна, стала, мов би вдовою; город, великий між народами, князь над краями, — платить нинї дань!
2De hele nacht weent ze en snikt ze, Stromen de tranen over haar wangen. Niemand troost haar Van al haar minnaars; Al haar vrienden werden haar ontrouw, En zijn nu haar vijand.
2Плаче гірко по ночах, сльози ллються по щоках; з усїх, що його любили, нема нїкого, хто б розважив; усї приятелї його зрадили його, стали ворогами.
3Ontvolkt is Juda door ellende En harde dienst; Onder de heidenen moet het wonen, Maar vindt geen rust. Al zijn vervolgers haalden het in, Van angsten omringd.
3Юда, втїкаючи від злиднїв та неволї тяжкої, поселився серед поган, та не знайшов впокою; всї, що його з давна гонили, спіймали його, наче б у тїсному заулку.
4De wegen van Sion treuren, Want niemand trekt op naar het feest; Al haar poorten liggen in puin, Haar priesters zuchten, Haar maagden jammeren, Zelf is zij bitter bedroefd.
4Посуміли дороги на Сион, бо перестали прочане ходити; всї брами його опустїли; сьвященники взітхають, дївчата горюють, — гірко й йому самому.
5Haar verdrukkers zegepralen, Haar haters juichen, Want Jahweh heeft haar in jammer gestort Om haar talloze zonden; Haar kinderen moesten in ballingschap, Voor hun vijanden uit.
5Вороги його взяли гору над ним; противники роскошують, бо Господь послав на його злиднї за премногі його провини; дїти його пійшли в неволю поперед ворога чамбулом.
6Verdwenen voor de dochter van Sion Al haar glorie! Haar vorsten als rammen, Die geen weideplaats vinden, Lopen uitgeput, Voor den drijver uit.
6Минулась у Сиону вся його величність; знатні в його — наче ті оленї, що не знаходять собі нїде паші; безсильні, пійшли навперід погоничів своїх.
7Nog altijd denkt Jerusalem terug Aan haar tijd van ellende en nood: Toen haar bevolking viel door de hand van den vijand, En niemand haar hielp; Toen de verdrukkers met een grijnslach Haar verwoesting aanschouwden.
7В злиднях своїх та в тїснотї своїй спогадав Ерусалим про всї дорогі добра свої, що їх мав тодї, як нарід його попав в руки ворожі, й нї в кого не знайшов підмоги; а вороги позирають на його та висьмівають і його суботи.
8Gezondigd, zwaar heeft Jerusalem gezondigd, Daarom is ze onrein als een vrouw in haar stonden; Verachten haar allen, die haar vroeger vereerden, Nu zij haar naaktheid aanschouwen; Daarom blijft ze altijd maar zuchten, Met afgewend gelaat.
8Тяжко провинив Ерусалим, тим і зробився огидою людям; всї, що його славили, споглядають на його з погордою, бо побачили наготу його, а й сам він взітхає, та й одвертає, застидавшись, обличчє.
9De onreinheid hangt aan haar slippen: Nooit had ze zoo’n einde voorzien. Peilloos diep zonk zij weg, Niemand, die haar kwam troosten. Ach Jahweh, zie toch neer op mijn nood, Want de vijand braveert!
9Гріх його, мов нечистота на платтї, явний, та він не подумав, що з того буде; тим то й упав він так низько, та й не має потїшителя. Зглянься ж ти, Боже, на мене у злиднях, бо ворог аж надто піднявся вгору!
10De vijand heeft zijn hand gelegd Op alles wat haar dierbaar was; Ja, ze heeft het moeten aanschouwen, Dat heidenen binnen haar heiligdom trokken, Ofschoon Gij hun hadt verboden, In uw gemeente te komen.
10Ворог простяг руку свою на все, що йому дороге було; він бачить, як погане втискаються в пресьвяте місце його; а ти ж (Господи,) заповідав, щоб вони не вступали в громаду твою.
11Heel haar bevolking loopt zuchtend Te zoeken naar brood; Hun schatten geven ze weg voor spijs, Om het leven te rekken. Ach Jahweh, blik neer en zie toe, Hoe diep vernederd ik ben!
11Ввесь нарід взітхає за насущним хлїбом, віддає все дороге, щоб було чим посилити душу. О, зглянься, Господи, подивись, як я принижений.
12Wee! Gij allen, die mij voorbijgaat, Schouwt rond en ziet toe, Of er een smart is gelijk aan de smart, Die mij overstelpt, Waarin Jahweh mij heeft gedompeld, Op de dag van zijn ziedende toorn!
12О, нехай вас нїколи таке не спіткає, всї ви, що дорогою проходите мимо! Гляньте, придивіться, чи є біль такий, як мій біль, що на мене впав, що послав на мене Господь в день палаючого гнїву свого?
13Uit de hoge heeft Hij een vuur geslingerd In het diepst van mijn gebeente; Hij heeft een net voor mijn voeten gespannen, Mij achterover gestort; Mij tot vertwijfeling gebracht, Immerdoor in ellende.
13Звисока послав він огонь у костї мої і той обгорнув їх; він розстелив сїтї під ноги менї й повалив мене; учинив мене бідним, та мучить мене день поза день.
14Zwaar drukt mij het juk van mijn zonden, Dat Hij met eigen hand heeft gestrengeld; Het is neergelegd op mijn nek, Mijn krachten heeft het gebroken. Ja, de Heer heeft mij in handen geleverd, Waaronder ik niet overeind kan komen.
14Ярмо, зроблене з проступків моїх, в руцї в него; вони, неначе в шнур поскручувані, і заложені менї на шию; Господь обезсилив мене; віддав мене в руки, що з них годї менї добутись.
15Al mijn dapperen heeft de Heer Uit mijn midden gevaagd; Hij heeft tegen mij een bende ontboden, Om mijn jonge mannen te breken: De Heer heeft de wijnpers getreden Voor de jonkvrouw, de dochter van Juda.
15Всїх хоробрих моїх повалив Господь посеред мене; скликав проти мене цїлу товпу, щоб вигубити молодиків моїх; неначе (грони) в тискарнї, зтоптав Господь дївицю-дочку Юдину.
16Daarom ween ik immerdoor, En stromen mijn ogen van tranen. Neen, geen trooster voor mij, Die mij opbeurt; Mijn zonen zijn met ontzetting geslagen, Want de vijand heeft de zege behaald.
16От чого я плачу; око моє, — от чого око моє проливає води; далеко від мене втїшитель, що живив би духа в менї; дїти мої витрачені, бо ворог взяв гору.
17Sion breidt haar handen uit, Maar ze heeft niemand die troost. Jahweh heeft tegen Jakob van alle kant Zijn verdrukkers ontboden; Jerusalem is in hun kring Onrein als een vrouw in haar stonden.
17Сион простягає руки свої та нема, хто б його розважив. Господь дав приказ проти Якова ворогам його, щоб його кругом обступили; Ерусалим стався гидотою посеред них.
18En toch is Jahweh rechtvaardig, Want ik had zijn bevel getrotseerd! Hoort dan allen, gij volken, En aanschouwt mijn smart: Mijn jonge dochters en mannen Moesten in ballingschap.
18Справедливий Господь, бо я не корився його слову. О, слухайте, всї народи, погляньте на муку мою; дїви мої й молодики мої — всї вони пійшли в неволю!
19Ik riep om mijn minnaars, Maar ze lieten mij staan; Mijn priesters en oudsten Versmachtten in de stad, Op zoek naar voedsel, Om het leven te rekken.
19Кличу другів моїх, та вони завели мене; сьвященники мої й старшина моя гинуть у містї, шукаючи харчі собі, щоб підкріпитись, свою душу (задержати в тїлї).
20Ach Jahweh, zie toch hoe bang het mij is, Hoe het stormt in mijn borst. Mijn hart krimpt ineen in mijn boezem, Want ik ben opstandig geweest: Buiten werd ik kinderloos door het zwaard, Binnenshuis door de dood.
20Зглянься, Господи, бо я в тїснечі; внутро моє неспокійне, серце, неначе перевернулось у менї; я бо упрямо противився тобі; в полі забрав меч дїти мої, а дома — (голодова) смерть.
21Men hoort, hoe ik zucht, Maar niemand die troost. Neen, als mijn vijanden van mijn ongeluk horen, Verheugen zich allen, dat Gij het mij hebt berokkend. Laat komen de dag der vergelding, Waarop zij mijn lot zullen delen!
21Почули, що я стогну, а нема, хто б мене розважив; почули всї вороги мої про мою недолю, та й утїшились, що ти се вчинив менї. О, коли б ти послав уже той день, що його заповів, і вони стали такими ж, як я!
22Laat al hun boosheid Voor uw aangezicht treden; Doe hun, zoals Gij met mij hebt gedaan. Om al mijn zonden! Ach, ontelbaar blijven mijn zuchten, Mijn hart doet zo wee!
22О, постав перед лице своє усе зло їх; обійдись із ними оттак, як обійшовся зо мною за всї гріхи мої, я бо стогну безнастанно, й серце в менї завмірає!

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.