Klaagliederen 3
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Kulish and Puluj Bible (1905)
1Ik ben de man, die ellende aanschouwde Door de roede van zijn verbolgenheid;
1Я чоловік, що зазнав горя від палицї гнїву його;
2Hij heeft mij gedreven en opgejaagd De diepste duisternis in;
2Він повів мене й увів у пітьму, а не в сьвітло.
3Telkens keerde Hij zijn hand tegen mij, Elke dag opnieuw.
3Так, він обернувся проти мене, і день у день простягає на мене руку свою;
4Hij heeft mijn vlees en huid doen verkwijnen, Mijn beenderen gebroken;
4Поморщив тїло моє й кожу мою, та потер костї мої;
5Overal rond mij opgestapeld Gal en kommer;
5Обгородив мене (нещастєм), обложив горем і нуждою;
6Mij in het donker doen zitten Als de doden uit aloude tijden.
6Він посадив мене в темне місце, як тих, що давно померли;
7Hij metselde mij in, zodat ik niet kon ontsnappen, En verzwaarde mijn ketens;
7Наче муром, обвів мене, щоб я не вийшов, закував у тяжкі кайдани;
8Hoe ik ook klaagde en schreide, Hij bleef doof voor mijn smeken;
8Як я прошу, як благаю, він одпихає молитву твою;
9Hij versperde mijn wegen met stenen, Vernielde mijn paden.
9Дороги мої він каміннєм закидав, попсував стежки мої.
10Hij loerde op mij als een beer, Als een leeuw, die in hinderlaag ligt;
10Став проти мене, наче ведмедем у засїдцї, — левом у сховищу;
11Hij sleurde mij van mijn wegen, om mij te verscheuren, En stortte mij in het verderf;
11Поперевертав дороги мої, розірвав мене, й у нїщо обернув;
12Hij spande zijn boog, En maakte mij doel van de pijl.
12Напяв лука свого й поставив мене за мету стрілам своїм;
13Hij schoot door mijn nieren De pijlen van zijn koker.
13Послав у нирки мої стріли з сагайдака свого.
14Voor alle volken werd ik een hoon, Een spotlied altijd herhaald.
14Я стався сьміховищем усьому народові мому, повсякдневною присьпівкою їх.
15Hij heeft met bitterheid mij verzadigd, Met alsem gedrenkt.
15До переситу нагодовав мене гіркотою, напоїв полином;
16Op kiezel heeft Hij mijn tanden doen bijten, Met as mij gespijsd;
16Покрушив каміннєм зуби мої, покрив мене попелом.
17De vrede werd mijn ziel ontroofd, Wat geluk is, ken ik niet meer.
17Покинув супокій душу мою; я вже й забув про днї добрі,
18Ik zeide: Weg is mijn roemen, Mijn hopen op Jahweh!
18І сказав я собі: погасла сила моя й надїя моя на Господа.
19Gedenk toch mijn nood en mijn angst, Mijn alsem en gal!
19О, спогадай про мою муку й нужду, про полин і жовч!
20Ja, Gij zult zeker gedenken, Hoe mijn ziel gaat gebukt:
20Глибоко вбилось усе те в память мою й душа моя в менї заниває.
21Dit blijf ik altijd bepeinzen, Hierop altijd vertrouwen!
21Та я так відповідаю серцю мойму, та й тому вповаю:
22Neen, Jahweh’s genaden nemen geen einde, Nooit houdt zijn barmhartigheid op:
22Ізза милосердя Господнього ми не вигинули, бо милосердє його не вичерпується.
23Iedere morgen zijn ze nieuw, En groot is uw trouw.
23Що ранок воно одновляється, велика бо вірність твоя!
24Mijn deel is Jahweh! zegt mijn ziel, En daarom vertrouw ik op Hem!
24Господь пай мій, говорить собі душа моя, то ж і буду я вповати на него.
25Goed is Jahweh voor die op Hem hopen, Voor iedereen, die Hem zoekt;
25Благий Господь до тих, хто надїється на його, — до душі, що його шукає.
26Goed is het, gelaten te wachten Op redding van Jahweh;
26Добре тому, хто без нарікання дожидає рятунку від Господа.
27Goed is het den mens, zijn juk te dragen Van de prilste jeugd af!
27Благо людинї, що змалку несе ярмо (закону Господнього);
28Hij moet in de eenzaamheid zwijgen, Wanneer Hij het hem oplegt;
28(що) Седить на самотї й мовчить, бо він (Бог) наложив се ярмо на його;
29Zijn mond in het stof blijven drukken. Misschien is er hoop;
29А він нахиляє уста свої в порох, та й думає: може бути, ще є надїя;
30Zijn wangen bieden aan hem, die hem slaat, Verzadigd worden met smaad.
30Хто надставляє бючому свою щоку й приймає, хоч би й до переситу зневагу;
31Neen, de Heer verlaat niet voor immer De kinderen der mensen!
31Бо не на віки Господь покидає;
32Neen, na de kastijding erbarmt Hij zich weer, Naar zijn grote ontferming:
32Та хоч і пішле злиднї, то й помилує по великій добротї своїй;
33Want niet van harte plaagt en bedroeft Hij De kinderen der mensen!
33Не по свойму бо серцї карає він і посиляє смуток на дїтей людських,
34Dat men onder de voeten treedt, Allen, die in het land zijn gevangen:
34А тодї, як вони під ноги беруть безсильних на землї,
35Dat men het recht van een ander verkracht Voor het aanschijn van den Allerhoogste:
35Як несправедливо судять ближнього перед очима Всевишнього,
36Dat men den naaste geen recht laat geschieden: Zou de Heer dat niet zien?
36Як притискають другого в його дїлах; бо хиба ж Господь сього не бачить?
37Neen, op wiens bevel het ook is geschied, Heeft de Heer het niet geboden?
37Хто ж бо сьміє сказати: І таке часом дїється, що Господь не повелїває!
38Komt niet uit de mond van den Allerhoogste Het kwaad en het goed?
38Хиба ж не з уст (не з приказу) Всевишнього виходить нужда й щастє?
39Wat klaagt dan de mens bij zijn leven: Laat iedereen klagen over zijn zonde!
39Чом же нарікає живуща людина? Нехай би нарікала на свої гріхи.
40Laten wij ons gedrag onderzoeken en toetsen, En ons tot Jahweh bekeren;
40Розпитуймо й розвідуймо наші дороги та й обернїмось до Господа;
41Heffen wij ons hart op de handen omhoog Tot God in de hemel!
41Здіймімо серце й руки наші до Бога на небі (й говорімо):
42Wij bleven zondigen, en waren opstandig: Gij kondt geen vergiffenis schenken!
42Ми одпали, ми непокірливі, тим то й не пощадив єси нас;
43Toen hebt Gij in toorn u gepantserd en ons achtervolgd, Meedogenloos ons gedood;
43Ти оболїк себе гнївом і гнав та побивав нас без ощадку;
44U gehuld in een wolk, Waar geen bidden doorheen kon;
44Ти закрив себе хмарою (гріхів наших), щоб не доходила до тебе молитва наша;
45Tot vuil en uitschot ons gemaakt Te midden der volken.
45Соромом і гидотою зробив нас єси серед народів.
46Nu sperren allen de mond tegen ons op, Die onze vijanden zijn;
46Отворили на нас роти свої всї вороги наші.
47Nu liggen wij in schrik en strik, Verwoesting, vernieling;
47Страх і яма, опустошеннє й погибель — се наша доля.
48Nu storten onze ogen beken van tranen Om de ondergang van de dochter van mijn volk.
48Потоки вод проливає око моє над погибелю дочки народу мого.
49Rusteloos stromen mijn ogen En zonder verpozing,
49Без упину виливає сльози око моє, та нема пільги,
50Totdat Jahweh neerblikt, Uit de hemel toeziet.
50Покіль із неба Господь не спогляне та не побачить.
51Mijn oog doet mij wee Van al het schreien over mijn stad.
51Око моє наповнює смутком душу мою, споглядаючи на всї дочки міста мого.
52Als een vogel maakten ze jacht op mij, Die zonder reden mijn vijanden zijn;
52Всякими способами намагались зловити мене, мов ту пташину, вороги мої, без усякої причини;
53Zij smoorden mij levend in een put, En wierpen mij nog stenen na;
53Вкинули мене живцем у яму й прикидали каміннєм.
54Het water stroomde over mijn hoofd, Ik dacht: Nu ben ik verloren!
54Води знялися аж до голови в мене, я сказав собі: Пропав я!
55Toen riep ik uw Naam aan, o Jahweh, Uit het diepst van de put!
55І призивав я імя твоє, Господи, з ями глубокої:
56Gij hebt mijn smeken gehoord, uw oor niet gesloten Voor mijn zuchten en schreien;
56Почуй голос мій; не затулюй уха твого від мого зітхання, від благання мого!
57Gij zijt gekomen, toen ik U riep, En hebt gesproken: Wees niet bang!
57Так, ти зближувався, як я молився до тебе, й казав менї: Не бійся!
58Heer, Gij naamt het voor mij op, En hebt mijn leven gered!
58Ти боронив, Господи, мою справу; вибавляв життє моє.
59Jahweh, Gij hebt mijn verdrukking gezien, Mij recht verschaft;
59Ти, Господи, й тепер бачиш кривду мою; розсуди ж справу мою!
60Gij hebt hun wraakzucht aanschouwd, Al hun plannen tegen mij.
60Ти бачиш ненависть і те, що вони проти мене замишляють.
61Jahweh, Gij hebt hun spotten gehoord, Al hun plannen tegen mij.
61Ти чуєш, Господи, їх наругу, — всї їх підходи під мене,
62Mijn vijand heeft lippen zowel als gedachten Altijd tegen mij gericht.
62(чуєш) Бесїди противників моїх і безнастанні хитрощі їх проти мене.
63Zie toe; want of ze zitten of staan, Een spotlied ben ik voor hen!
63Глянь, чи вони седять, чи встають, — про мене в них все — глумлива пісня.
64Jahweh, vergeld ze hun daden, Het werk hunner handen!
64О, ти певно відплатиш їм, Господи, по учинкам рук їх;
65Sla hun hart met verblinding, Henzelf met uw vloek;
65Заслїпиш їх серця і проклін твій упаде на них;
66Vervolg en verniel ze in gramschap Onder uw hemel, o Jahweh!
66Гонити меш їх, Господи, гнївом, і викорениш їх ізпід неба!
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.