Klaagliederen 3
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Clementine Vulgate, 1598
1Ik ben de man, die ellende aanschouwde Door de roede van zijn verbolgenheid;
1[ Aleph Ego vir videns paupertatem meam in virga indignationis ejus.
2Hij heeft mij gedreven en opgejaagd De diepste duisternis in;
2Aleph Me minavit, et adduxit in tenebras, et non in lucem.
3Telkens keerde Hij zijn hand tegen mij, Elke dag opnieuw.
3Aleph Tantum in me vertit et convertit manum suam tota die.
4Hij heeft mijn vlees en huid doen verkwijnen, Mijn beenderen gebroken;
4Beth Vetustam fecit pellem meam et carnem meam; contrivit ossa mea.
5Overal rond mij opgestapeld Gal en kommer;
5Beth Ædificavit in gyro meo, et circumdedit me felle et labore.
6Mij in het donker doen zitten Als de doden uit aloude tijden.
6Beth In tenebrosis collocavit me, quasi mortuos sempiternos.
7Hij metselde mij in, zodat ik niet kon ontsnappen, En verzwaarde mijn ketens;
7Ghimel Circumædificavit adversum me, ut non egrediar; aggravavit compedem meum.
8Hoe ik ook klaagde en schreide, Hij bleef doof voor mijn smeken;
8Ghimel Sed et cum clamavero, et rogavero, exclusit orationem meam.
9Hij versperde mijn wegen met stenen, Vernielde mijn paden.
9Ghimel Conclusit vias meas lapidibus quadris; semitas meas subvertit.
10Hij loerde op mij als een beer, Als een leeuw, die in hinderlaag ligt;
10Daleth Ursus insidians factus est mihi, leo in absconditis.
11Hij sleurde mij van mijn wegen, om mij te verscheuren, En stortte mij in het verderf;
11Daleth Semitas meas subvertit, et confregit me; posuit me desolatam.
12Hij spande zijn boog, En maakte mij doel van de pijl.
12Daleth Tetendit arcum suum, et posuit me quasi signum ad sagittam.
13Hij schoot door mijn nieren De pijlen van zijn koker.
13He Misit in renibus meis filias pharetræ suæ.
14Voor alle volken werd ik een hoon, Een spotlied altijd herhaald.
14He Factus sum in derisum omni populo meo, canticum eorum tota die.
15Hij heeft met bitterheid mij verzadigd, Met alsem gedrenkt.
15He Replevit me amaritudinibus; inebriavit me absinthio.
16Op kiezel heeft Hij mijn tanden doen bijten, Met as mij gespijsd;
16Vau Et fregit ad numerum dentes meos; cibavit me cinere.
17De vrede werd mijn ziel ontroofd, Wat geluk is, ken ik niet meer.
17Vau Et repulsa est a pace anima mea; oblitus sum bonorum.
18Ik zeide: Weg is mijn roemen, Mijn hopen op Jahweh!
18Vau Et dixi: Periit finis meus, et spes mea a Domino.
19Gedenk toch mijn nood en mijn angst, Mijn alsem en gal!
19Zain Recordare paupertatis, et transgressionis meæ, absinthii et fellis.
20Ja, Gij zult zeker gedenken, Hoe mijn ziel gaat gebukt:
20Zain Memoria memor ero, et tabescet in me anima mea.
21Dit blijf ik altijd bepeinzen, Hierop altijd vertrouwen!
21Zain Hæc recolens in corde meo, ideo sperabo.
22Neen, Jahweh’s genaden nemen geen einde, Nooit houdt zijn barmhartigheid op:
22Heth Misericordiæ Domini, quia non sumus consumpti; quia non defecerunt miserationes ejus.
23Iedere morgen zijn ze nieuw, En groot is uw trouw.
23Heth Novi diluculo, multa est fides tua.
24Mijn deel is Jahweh! zegt mijn ziel, En daarom vertrouw ik op Hem!
24Heth Pars mea Dominus, dixit anima mea; propterea exspectabo eum.
25Goed is Jahweh voor die op Hem hopen, Voor iedereen, die Hem zoekt;
25Teth Bonus est Dominus sperantibus in eum, animæ quærenti illum.
26Goed is het, gelaten te wachten Op redding van Jahweh;
26Teth Bonum est præstolari cum silentio salutare Dei.
27Goed is het den mens, zijn juk te dragen Van de prilste jeugd af!
27Teth Bonum est viro cum portaverit jugum ab adolescentia sua.
28Hij moet in de eenzaamheid zwijgen, Wanneer Hij het hem oplegt;
28Jod Sedebit solitarius, et tacebit, quia levavit super se.
29Zijn mond in het stof blijven drukken. Misschien is er hoop;
29Jod Ponet in pulvere os suum, si forte sit spes.
30Zijn wangen bieden aan hem, die hem slaat, Verzadigd worden met smaad.
30Jod Dabit percutienti se maxillam: saturabitur opprobriis.
31Neen, de Heer verlaat niet voor immer De kinderen der mensen!
31Caph Quia non repellet in sempiternum Dominus.
32Neen, na de kastijding erbarmt Hij zich weer, Naar zijn grote ontferming:
32Caph Quia si abjecit, et miserebitur, secundum multitudinem misericordiarum suarum.
33Want niet van harte plaagt en bedroeft Hij De kinderen der mensen!
33Caph Non enim humiliavit ex corde suo et abjecit filios hominum.
34Dat men onder de voeten treedt, Allen, die in het land zijn gevangen:
34Lamed Ut conteret sub pedibus suis omnes vinctos terræ.
35Dat men het recht van een ander verkracht Voor het aanschijn van den Allerhoogste:
35Lamed Ut declinaret judicium viri in conspectu vultus Altissimi.
36Dat men den naaste geen recht laat geschieden: Zou de Heer dat niet zien?
36Lamed Ut perverteret hominem in judicio suo; Dominus ignoravit.
37Neen, op wiens bevel het ook is geschied, Heeft de Heer het niet geboden?
37Mem Quis est iste qui dixit ut fieret, Domino non jubente?
38Komt niet uit de mond van den Allerhoogste Het kwaad en het goed?
38Mem Ex ore Altissimi non egredientur nec mala nec bona?
39Wat klaagt dan de mens bij zijn leven: Laat iedereen klagen over zijn zonde!
39Mem Quid murmuravit homo vivens, vir pro peccatis suis?
40Laten wij ons gedrag onderzoeken en toetsen, En ons tot Jahweh bekeren;
40Nun Scrutemur vias nostras, et quæramus, et revertamur ad Dominum.
41Heffen wij ons hart op de handen omhoog Tot God in de hemel!
41Nun Levemus corda nostra cum manibus ad Dominum in cælos.
42Wij bleven zondigen, en waren opstandig: Gij kondt geen vergiffenis schenken!
42Nun Nos inique egimus, et ad iracundiam provocavimus; idcirco tu inexorabilis es.
43Toen hebt Gij in toorn u gepantserd en ons achtervolgd, Meedogenloos ons gedood;
43Samech Operuisti in furore, et percussisti nos; occidisti, nec pepercisti.
44U gehuld in een wolk, Waar geen bidden doorheen kon;
44Samech Opposuisti nubem tibi, ne transeat oratio.
45Tot vuil en uitschot ons gemaakt Te midden der volken.
45Samech Eradicationem et abjectionem posuisti me in medio populorum.
46Nu sperren allen de mond tegen ons op, Die onze vijanden zijn;
46Phe Aperuerunt super nos os suum omnes inimici.
47Nu liggen wij in schrik en strik, Verwoesting, vernieling;
47Phe Formido et laqueus facta est nobis vaticinatio, et contritio.
48Nu storten onze ogen beken van tranen Om de ondergang van de dochter van mijn volk.
48Phe Divisiones aquarum deduxit oculus meus, in contritione filiæ populi mei.
49Rusteloos stromen mijn ogen En zonder verpozing,
49Ain Oculus meus afflictus est, nec tacuit, eo quod non esset requies.
50Totdat Jahweh neerblikt, Uit de hemel toeziet.
50Ain Donec respiceret et videret Dominus de cælis.
51Mijn oog doet mij wee Van al het schreien over mijn stad.
51Ain Oculus meus deprædatus est animam meam in cunctis filiabus urbis meæ.
52Als een vogel maakten ze jacht op mij, Die zonder reden mijn vijanden zijn;
52Sade Venatione ceperunt me quasi avem inimici mei gratis.
53Zij smoorden mij levend in een put, En wierpen mij nog stenen na;
53Sade Lapsa est in lacum vita mea, et posuerunt lapidem super me.
54Het water stroomde over mijn hoofd, Ik dacht: Nu ben ik verloren!
54Sade Inundaverunt aquæ super caput meum; dixi: Perii.
55Toen riep ik uw Naam aan, o Jahweh, Uit het diepst van de put!
55Coph Invocavi nomen tuum, Domine, de lacu novissimo.
56Gij hebt mijn smeken gehoord, uw oor niet gesloten Voor mijn zuchten en schreien;
56Coph Vocem meam audisti; ne avertas aurem tuam a singultu meo et clamoribus.
57Gij zijt gekomen, toen ik U riep, En hebt gesproken: Wees niet bang!
57Coph Appropinquasti in die quando invocavi te; dixisti: Ne timeas.
58Heer, Gij naamt het voor mij op, En hebt mijn leven gered!
58Res Judicasti, Domine, causam animæ meæ, redemptor vitæ meæ.
59Jahweh, Gij hebt mijn verdrukking gezien, Mij recht verschaft;
59Res Vidisti, Domine, iniquitatem illorum adversum me: judica judicium meum.
60Gij hebt hun wraakzucht aanschouwd, Al hun plannen tegen mij.
60Res Vidisti omnem furorem, universas cogitationes eorum adversum me.
61Jahweh, Gij hebt hun spotten gehoord, Al hun plannen tegen mij.
61Sin Audisti opprobrium eorum, Domine, omnes cogitationes eorum adversum me.
62Mijn vijand heeft lippen zowel als gedachten Altijd tegen mij gericht.
62Sin Labia insurgentium mihi, et meditationes eorum adversum me tota die.
63Zie toe; want of ze zitten of staan, Een spotlied ben ik voor hen!
63Sin Sessionem eorum et resurrectionem eorum vide; ego sum psalmus eorum.
64Jahweh, vergeld ze hun daden, Het werk hunner handen!
64Thau Redes eis vicem, Domine, juxta opera manuum suarum.
65Sla hun hart met verblinding, Henzelf met uw vloek;
65Thau Dabis eis scutum cordis, laborem tuum.
66Vervolg en verniel ze in gramschap Onder uw hemel, o Jahweh!
66Thau Persequeris in furore, et conteres eos sub cælis, Domine.]
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.