Filemon 1
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Clementine Vulgate, 1598
1Paulus, de geboeide van Christus Jesus, en broeder Timóteus; aan onzen beminden medearbeider Filemon,
1Paulus vinctus Christi Jesu, et Timotheus frater, Philemoni dilecto, et adjutori nostro,
2alsook aan onze zuster Appia, aan onzen strijdmakker Archippus en aan de gemeente, die bij u vergadert:
2et Appiæ sorori carissimæ, et Archippo commilitoni nostro, et ecclesiæ, quæ in domo tua est.
3genade en vrede zij u van God onzen Vader en van den Heer Jesus Christus.
3Gratia vobis, et pax a Deo Patre nostro, et Domino Jesu Christo.
4Ik breng dank aan mijn God, telkens wanneer ik u in mijn gebeden gedenk,
4Gratias ago Deo meo, semper memoriam tui faciens in orationibus meis,
5omdat ik hoor van uw liefde, die ge aan alle heiligen bewijst, en van uw geloof, waarmee ge in den Heer Jesus gelooft.
5audiens caritatem tuam, et fidem, quam habes in Domino Jesu, et in omnes sanctos:
6Moge uw geloofsbezit zich ook tonen door de daad, door de erkenning van al het goede, dat er is in ons, die aan Christus toebehoren.
6ut communicatio fidei tuæ evidens fiat in agnitione omnis operis boni, quod est in vobis in Christo Jesu.
7Ja waarlijk, broeder, door uw liefde heb ik veel vreugde en troost ondervonden, omdat ge rust hebt gebracht in de harten der heiligen.
7Gaudium enim magnum habui, et consolationem in caritate tua: quia viscera sanctorum requieverunt per te, frater.
8Ofschoon ik in Christus het volste recht heb, u te bevelen wat uw plicht is,
8Propter quod multam fiduciam habens in Christo Jesu imperandi tibi quod ad rem pertinet:
9wil ik daarom toch liever een beroep op uw liefde doen. Zie, ik Paulus, een oud man en thans bovendien nog geboeid voor Christus Jesus,
9propter caritatem magis obsecro, cum sis talis, ut Paulus senex, nunc autem et vinctus Jesu Christi:
10ikzelf kom u smeken voor Onésimus, mijn kind, dat ik in mijn boeien heb verwekt,
10obsecro te pro meo filio, quem genui in vinculis, Onesimo,
11en dat u vroeger van weinig nut is geweest, maar thans zowel voor u als voor mij van groot nut is geworden.
11qui tibi aliquando inutilis fuit, nunc autem et mihi et tibi utilis,
12Ik zend hem u terug; hem, dat is mijn eigen hart.
12quem remisi tibi. Tu autem illum, ut mea viscera, suscipe:
13Ik had hem gaarne bij me gehouden, opdat hij mij in úw plaats zou dienen gedurende mijn gevangenschap voor het Evangelie.
13quem ego volueram mecum detinere, ut pro te mihi ministraret in vinculis Evangelii:
14Maar ik heb niets zonder uw toestemming willen doen, opdat uw goede daad niet afgedwongen zou zijn, maar vrijwillig zou geschieden.
14sine consilio autem tuo nihil volui facere, uti ne velut ex necessitate bonum tuum esset, sed voluntarium.
15Want misschien is hij juist daarom een tijdje van u weg geweest, opdat ge hem zoudt bezitten voor eeuwig;
15Forsitan enim ideo discessit ad horam a te, ut æternum illum reciperes:
16niet meer als slaaf, doch meer dan dat, als een geliefden broeder. Geldt dit voor mij, hoeveel te meer geldt het dan voor u, die hem terugkrijgt zowel naar het lichaam als in den Heer.
16jam non ut servum, sed pro servo carissimum fratrem, maxime mihi: quanto autem magis tibi et in carne, et in Domino?
17Indien ge me dus als een vriend beschouwt, neem hem dan op, als was ik het zelf.
17Si ergo habes me socium, suscipe illum sicut me:
18Wanneer hij u enige schade heeft berokkend of u iets schuldig is, zet het dan op mijn rekening;
18si autem aliquid nocuit tibi, aut debet, hoc mihi imputa.
19ik Paulus schrijf het eigenhandig: Ik zal het betalen. Of liever nog: zet het op uw eigen rekening; want ge zijt mij uzelf schuldig.
19Ego Paulus scripsi mea manu: ego reddam, ut non dicam tibi, quod et teipsum mihi debes:
20Ja broeder, laat mij nu in den Heer ook wat voordeel hebben van u; stel in Christus mijn hart gerust.
20ita, frater. Ego te fruar in Domino: refice viscera mea in Domino.
21Ik schrijf u, omdat ik op uw bereidwilligheid vertrouw, en omdat ik weet, dat ge nog meer zult doen dan ik vraag.
21Confidens in obedientia tua scripsi tibi: sciens quoniam et super id, quod dico, facies.
22Bovendien moet ge u gereed houden, om ook mij als gast te ontvangen; want ik hoop, dat ge mij door uw gebeden terug zult bekomen.
22Simul autem et para mihi hospitium: nam spero per orationes vestras donari me vobis.
23U groet Épafras, mijn medegevangene in Christus Jesus;
23Salutat te Epaphras concaptivus meus in Christo Jesu,
24ook mijn medearbeiders Markus, Aristarchus, Demas en Lukas.
24Marcus, Aristarchus, Demas, et Lucas, adjutores mei.
25De genade van den Heer Jesus Christus zij met uw geest!
25Gratia Domini nostri Jesu Christi cum spiritu vestro. Amen.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.