1 Kronieken 1
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Clementine Vulgate, 1598
1Adam Set, Enos,
1Adam, Seth, Enos,
2Kaïnan, Malaleël, Járed,
2Cainan, Malaleel, Jared,
3Henok, Matoesala, Lámek,
3Henoch, Mathusale, Lamech,
4Noë. Sem, Cham en Jáfet.
4Noë, Sem, Cham, et Japtheth.
5De zonen van Jáfet waren: Gómer, Magog, Madai, Jawan, Toebal, Mésjek en Tiras.
5Filii Japheth: Gomer, et Magog, et Madai, et Javan, Thubal, Mosoch, Thiras.
6De zonen van Gómer: Asjkenaz, Rifat en Togarma.
6Porro filii Gomer: Ascenez, et Riphath, et Thogorma.
7De zonen van Jawan: Elisja, Tarsjisj, de Kittiërs en de Dodanieten.
7Filii autem Javan: Elisa et Tharsis, Cethim et Dodanim.
8De zonen van Cham waren: Koesj, Egypte, Poet en Kanaän.
8Filii Cham: Chus, et Mesraim, et Phut, et Chanaan.
9De zonen van Koesj waren: Seba, Chawila, Sabta, Rama en Sabteka. De zonen van Rama: Sjeba en Dedan.
9Filii autem Chus: Saba, et Hevila, Sabatha, et Regma, et Sabathacha. Porro filii Regma: Saba, et Dadan.
10Koesj verwekte ook Nimrod. Deze begon machtig te worden op aarde.
10Chus autem genuit Nemrod: iste cœpit esse potens in terra.
11Egypte bracht de Loedieten voort, de Anamieten, de Lehabieten, de Naftoechieten,
11Mesraim vero genuit Ludim, et Anamim, et Laabim, et Nephtuim,
12de Patroesieten en de Kasloechieten, waar de Filistijnen en de Kaftorieten uit voortgekomen zijn.
12Phetrusim quoque, et Casluim: de quibus egressi sunt Philisthiim, et Caphtorim.
13Kanaän verwekte Sidon, zijn eerstgeborene, en Chet;
13Chanaan vero genuit Sidonem primogenitum suum, Hethæum quoque,
14verder de Jeboesieten, Amorieten en de Girgasjieten,
14et Jebusæum, et Amorrhæum, et Gergesæum,
15de Chiwwieten, Arkieten en Sinieten,
15Hevæumque et Aracæum, et Sinæum.
16de Arwadieten, Semarieten en Chamatieten.
16Aradium quoque, et Samaræum, et Hamathæum.
17De zonen van Sem waren: Elam, Assjoer, Arpaksad, de Lydiërs, Aram, Oes, Choel, Géter en Mésjek.
17Filii Sem: Ælam, et Assur, et Arphaxad, et Lud, et Aram, et Hus, et Hul, et Gether, et Mosoch.
18Arpaksad verwekte Sála, en Sála weer Éber.
18Arphaxad autem genuit Sale, qui et ipse genuit Heber.
19Éber had twee zonen: de eerste heette Páleg, omdat in zijn tijd de wereld verdeeld werd; zijn broer heette Joktan.
19Porro Heber nati sunt duo filii: nomen uni Phaleg, quia in diebus ejus divisa est terra; et nomen fratris ejus Jectan.
20Joktan verwekte Almodad en Sjélef, Chasarmáwet en Jérach,
20Jectan autem genuit Elmodad, et Saleph, et Asarmoth, et Jare,
21Hadoram, Oezal en Dikla,
21Adoram quoque, et Huzal, et Decla,
22Ebal, Abimaël, Sjeba,
22Hebal etiam, et Abimaël, et Saba, necnon
23Ofir, Chawila en Jobab: allen zonen van Joktan.
23et Ophir, et Hevila, et Jobab: omnes isti filii Jectan.
24Sem, Arpaksad, Sála,
24Sem, Arphaxad, Sale,
25Éber en Páleg; Ragaoe,
25Heber, Phaleg, Ragau,
26Seroeg, Nachor, Tara
26Serug, Nachor, Thare,
27en Abram; dat is dezelfde als Abraham.
27Abram: iste est Abraham.
28De zonen van Abraham waren Isaäk en Jisjmaël.
28Filii autem Abraham, Isaac et Ismahel.
29Hier volgt de lijst van hun afstammelingen. De eerstgeborene van Jisjmaël was Nebajot; verder Kedar, Adbeël en Mibsam,
29Et hæ generationes eorum. Primogenitus Ismahelis, Nabaioth, et Cedar, et Adbeel, et Mabsam,
30Misjma, Doema en Massa, Chadad, Tema,
30et Masma, et Duma, Massa, Hadad, et Thema,
31Jetoer, Nafisj en Kédma. Dit zijn de zonen van Jisjmaël.
31Jetur, Naphis, Cedma: hi sunt filii Ismahelis.
32Ketoera, de bijvrouw van Abraham, kreeg de volgende kinderen: Zimran, Joksjan, Medan, Midjan, Jisjbak en Sjóeach. Joksjan verwekte Sjeba en Dedan.
32Filii autem Ceturæ concubinæ Abraham, quos genuit: Zamran, Jecsan, Madan, Madian, Jesboc, et Sue. Porro filii Jecsan: Saba, et Dadan. Filii autem Dadan: Assurim, et Latussim, et Laomim.
33De zonen van Midjan waren: Efa, Éfer, Chanok, Abida en Eldaä. Dat waren allen nakomelingen van Ketoera.
33Filii autem Madian: Epha, et Epher, et Henoch, et Abida, et Eldaa: omnes hi filii Ceturæ.
34Abraham was de vader van Isaäk. De zonen van Isaäk waren Esau en Israël.
34Genuit autem Abraham Isaac: cujus fuerunt filii Esau, et Israël.
35De zonen van Esau waren: Elifáz, Reoeël, Jeoesj, Jalam en Kórach.
35Filii Esau: Eliphaz, Rahuel, Jehus, Ihelom, et Core.
36De zonen van Elifaz waren: Teman, Omar, Sefi, Gatam, Kenaz, Timna en Amalek.
36Filii Eliphaz: Theman, Omar, Sephi, Gathan, Cenez, Thamna, Amalec.
37De zonen van Reoeël waren: Náchat en Zérach, Sjamma en Mizza.
37Filii Rahuel: Nahath, Zara, Samma, Meza.
38De zonen van Seïr waren: Lotan. Sjobal, Sibon en Ana; verder Disjon, Éser en Disjan.
38Filii Seir: Lotan, Sobal, Sebeon, Ana, Dison, Eser, Disan.
39De zonen van Lotan waren Chori en Homam; de zuster van Lotan was Timna.
39Filii Lotan: Hori, Homam. Soror autem Lotan fuit Thamna.
40De zonen van Sjobal waren: Aljan, Manáchat, Ebal, Sjefi en Onam. De zonen van Sibon waren Ajja en Ana.
40Filii Sobal: Alian, et Manahath, et Ebal, Sephi et Onam. Filii Sebeon: Aja et Ana. Filii Ana: Dison.
41De zoon van Ana was Disjon. De zonen van Disjon waren: Chamran, Esjban, Jitran en Keran.
41Filii Dison: Hamram, et Heseban, et Jethran, et Charan.
42De zonen van Éser waren: Bilhan, Zaäwan en Akan. De zonen van Disjan waren Oes en Aran.
42Filii Eser: Balaan, et Zavan, et Jacan. Filii Disan: Hus et Aran.
43En dit zijn de koningen, die over het land Edom regeerden, eer er een koning heerste over de zonen Israëls. Béla, de zoon van Beor; zijn hofstad heette Dinhaba.
43Isti sunt reges qui imperaverunt in terra Edom, antequam esset rex super filios Israël. Bale filius Beor: et nomen civitatis ejus, Denaba.
44Na de dood van Béla regeerde Jobab, de zoon van Zérach uit Bosra in zijn plaats.
44Mortuus est autem Bale, et regnavit pro eo Jobab filius Zare de Bosra.
45Na de dood van Jobab regeerde Choesjam uit het land der Temanieten in zijn plaats.
45Cumque et Jobab fuisset mortuus, regnavit pro eo Husam de terra Themanorum.
46Na de dood van Choesjam regeerde Hadad, de zoon van Bedad, in zijn plaats. Hij was het, die Midjan in de vlakten van Moab versloeg; zijn stad heette Awit.
46Obiit quoque et Husam, et regnavit pro eo Adad filius Badad, qui percussit Madian in terra Moab: et nomen civitatis ejus Avith.
47Na de dood van Hadad regeerde Samla uit Masreka in zijn plaats.
47Cumque et Adad fuisset mortuus, regnavit pro eo Semla de Masreca.
48Na de dood van Samla regeerde Sjaoel uit Rechobot aan de rivier in zijn plaats.
48Sed et Semla mortuus est, et regnavit pro eo Saul de Rohoboth, quæ juxta amnem sita est.
49Na de dood van Sjaoel regeerde Báal-Chanan, de zoon van Akbor, in zijn plaats.
49Mortuo quoque Saul, regnavit pro eo Balanan filius Achobor.
50Na de dood van Báal-Chanan regeerde Hadad in zijn plaats; zijn hofstad heette Paï; zijn vrouw heette Mehetabel, en was de dochter van Matred en kleindochter van Me-Zahab.
50Sed et hic mortuus est, et regnavit pro eo Adad: cujus urbis nomen fuit Phau, et appellata est uxor ejus Meetabel filia Matred filiæ Mezaab.
51Na de dood van Hadad waren er de volgende stamhoofden in Edom: die van Timna, Alja en Jetet,
51Adad autem mortuo, duces pro regibus in Edom esse cœperunt: dux Thamna, dux Alva, dux Jetheth,
52Oholibama, Ela en Pinon,
52dux Oolibama, dux Ela, dux Phinon,
53Kenaz, Teman en Mibsar,
53dux Cenez, dux Theman, dux Mabsar,
54Magdiël en Iram. Dit waren dus de stamhoofden van Edom.
54dux Magdiel, dux Hiram: hi duces Edom.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.