1 Kronieken 2
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Clementine Vulgate, 1598
1Hier volgen de zonen van Israël: Ruben, Simeon, Levi, Juda, Issakar, Zabulon,
1Filii autem Israël: Ruben, Simeon, Levi, Juda, Issachar, et Zabulon,
2Dan, Josef, Benjamin, Neftali, Gad en Aser.
2Dan, Joseph, Benjamin, Nephthali, Gad, et Aser.
3De zonen van Juda waren Er, Onan en Sjela; deze drie werden hem geschonken door Bat-Sjóea, de kanaänietische. Er, Juda’s oudste zoon, deugde niet in Jahweh’s ogen; daarom strafte Hij hem met de dood.
3Filii Juda: Her, Onan, et Sela: hi tres nati sunt ei de filia Sue Chananitide. Fuit autem Her primogenitus Juda malus coram Domino, et occidit eum.
4Zijn schoondochter Tamar schonk hem Fáres en Zara. Juda had dus in het geheel vijf kinderen.
4Thamar autem nurus ejus peperit ei Phares et Zara: omnes ergo filii Juda, quinque.
5De zonen van Fáres waren Chesron en Chamoel.
5Filii autem Phares: Hesron et Hamul.
6De zonen van Zara waren: Zimri, Etan, Heman, Kalkol en Déra; in het geheel vijf.
6Filii quoque Zaræ: Zamri, et Ethan, et Eman, Chalchal quoque, et Dara, simul quinque.
7De zoon van Zimri was Karmi; de zoon van Karmi was Akar, die Israël in het verderf stortte, omdat hij zich aan de ban vergreep.
7Filii Charmi: Achar, qui turbavit Israël, et peccavit in furto anathematis.
8De zoon van Etan was Azarja.
8Filii Ethan: Azarias.
9De zonen, die Chesron kreeg, waren Jerachmeël, Ram en Keloebai.
9Filii autem Hesron qui nati sunt ei: Jerameel, et Ram, et Calubi.
10Ram verwekte Amminadab; Amminadab verwekte Naässon, het opperhoofd der Judeërs;
10Porro Ram genuit Aminadab. Aminadab autem genuit Nahasson, principem filiorum Juda.
11Naässon verwekte Salma; Salma verwekte Bóoz,
11Nahasson quoque genuit Salma, de quo ortus est Booz.
12Bóoz verwekte Obed; Obed verwekte Jesse.
12Booz vero genuit Obed, qui et ipse genuit Isai.
13Jesse verwekte Eliab zijn eerstgeborene, Abinadab zijn tweede, Sjima zijn derde,
13Isai autem genuit primogenitum Eliab, secundum Abinadab, tertium Simmaa,
14Netanel zijn vierde, Raddai zijn vijfde,
14quartum Nathanaël, quintum Raddai,
15Osem zijn zesde, en David zijn zevende zoon.
15sextum Asom, septimum David.
16Hun zusters heetten Seroeja en Abigáil. De zonen van Seroeja waren Absjai, Joab en Asaël, in het geheel drie.
16Quorum sorores fuerunt Sarvia et Abigail. Filii Sarviæ: Abisai, Joab, et Asaël, tres.
17Abigáil bracht Amasa ter wereld; de vader van Amasa was Jéter, de Jisjmaëliet.
17Abigail autem genuit Amasa, cujus pater fuit Jether Ismahelites.
18Kaleb, de zoon van Chesron, kreeg van zijn vrouw Azoeba een dochter, Jeriot genaamd; haar zonen waren: Jésjer, Sjobab en Ardon.
18Caleb vero filius Hesron accepit uxorem nomine Azuba, de qua genuit Jerioth: fueruntque filii ejus Jaser, et Sobab, et Ardon.
19Na de dood van Azoeba trouwde Kaleb met Efrat; deze schonk hem Choer.
19Cumque mortua fuisset Azuba, accepit uxorem Caleb Ephratha, quæ peperit ei Hur.
20Choer verwekte Oeri, Oeri verwekte Besalel.
20Porro Hur genuit Uri, et Uri genuit Bezeleel.
21Later hield Chesron gemeenschap met de dochter van Makir, den stamvader van Gilad; hij huwde haar, ofschoon hij al zestig was, en zij schonk hem Segoeb.
21Post hæc ingressus est Hesron ad filiam Machir patris Galaad, et accepit eam cum esset annorum sexaginta: quæ peperit ei Segub.
22Segoeb verwekte Jaïr; hij beschikte over drie en twintig steden in het land Gilad.
22Sed et Segub genuit Jair, et possedit viginti tres civitates in terra Galaad.
23Maar Gesjoer en Aram ontnamen hun de kampementen van Jaïr, namelijk Kenat met bijbehorende plaatsen; in het geheel zestig plaatsen, allemaal stichtingen van Makir, den stamvader van Gilad.
23Cepitque Gessur et Aram oppida Jair, et Canath, et viculos ejus sexaginta civitatum: omnes isti filii Machir patris Galaad.
24Na de dood van Chesron hield Kaleb gemeenschap met de vrouw van zijn vader Chesron, en zij schonk hem Asjchoer, den stichter van Tekóa.
24Cum autem mortuus esset Hesron, ingressus est Caleb ad Ephratha. Habuit quoque Hesron uxorem Abia, quæ peperit ei Assur patrem Thecuæ.
25De zonen van Jerachmeël, den oudsten zoon van Chesron waren: Ram, de oudste, en zijn broers Boena, Oren, en Osem.
25Nati sunt autem filii Jerameel primogeniti Hesron, Ram primogenitus ejus, et Buna, et Aram, et Asom, et Achia.
26Ook had Jerachmeël nog een andere vrouw, die Atara heette; zij was de moeder van Onam.
26Duxit quoque uxorem alteram Jerameel, nomine Atara, quæ fuit mater Onam.
27De zonen van Ram, den oudsten zoon van Jerachmeël, waren: Máas, Jamin en Éker.
27Sed et filii Ram primogeniti Jerameel fuerunt Moos, Jamin, et Achar.
28De zonen van Onam waren Sjammai en Jada. De zonen van Sjammai waren Nadab en Abisjoer.
28Onam autem habuit filios Semei et Jada. Filii autem Semei: Nadab et Abisur.
29De vrouw van Abisjoer heette Abicháil; zij schonk hem Achban en Molid.
29Nomen vero uxoris Abisur, Abihail, quæ peperit ei Ahobban et Molid.
30De zonen van Nadab waren Séled en Appáim. Séled stierf zonder kinderen,
30Filii autem Nadab fuerunt Saled et Apphaim. Mortuus est autem Saled absque liberis.
31maar Appáim verwekte Jisji. De zoon van Jisji was Sjesjan. De zoon van Sjesjan was Achlai.
31Filius vero Apphaim, Jesi: qui Jesi genuit Sesan. Porro Sesan genuit Oholai.
32De zonen van Jada, den broer van Sjammai, waren Jéter en Jonatan. Jéter stierf zonder kinderen,
32Filii autem Jada fratris Semei: Jether, et Jonathan. Sed et Jether mortuus est absque liberis.
33maar Jonatan verwekte Pélet en Zaza. Dit waren de afstammelingen van Jerachmeël.
33Porro Jonathan genuit Phaleth, et Ziza. Isti fuerunt filii Jerameel.
34Sjesjan had alleen maar dochters, geen zonen. Sjesjan bezat echter een egyptischen slaaf, die Jarcha heette;
34Sesan autem non habuit filios, sed filias: et servum ægyptium nomine Jeraa.
35daarom gaf Sjesjan zijn dochter tot vrouw aan zijn slaaf Jarcha; zij schonk hem Attai.
35Deditque ei filiam suam uxorem: quæ peperit ei Ethei.
36Attai verwekte Natan; Natan verwekte Zabad;
36Ethei autem genuit Nathan, et Nathan genuit Zabad.
37Zabad verwekte Eflal; Eflal verwekte Obed;
37Zabad quoque genuit Ophlal, et Ophlal genuit Obed.
38Obed verwekte Jehoe; Jehoe verwekte Azarja;
38Obed genuit Jehu, Jehu genuit Azariam,
39Azarja verwekte Chéles; Chéles verwekte Elasa;
39Azarias genuit Helles, et Helles genuit Elasa.
40Elasa verwekte Sismai; Sismai verwekte Sjalloem;
40Elasa genuit Sisamoi, Sisamoi genuit Sellum,
41Sjalloem verwekte Jekamja; Jekamja verwekte Elisjama.
41Sellum genuit Icamiam, Icamia autem genuit Elisama.
42De oudste zoon van Kaleb, den broer van Jerachmeël, was Mesja; deze was de vader van Zif en van de zonen van Maresja, den vader van Hebron.
42Filii autem Caleb fratris Jerameel: Mesa primogenitus ejus; ipse est pater Ziph: et filii Maresa patris Hebron.
43De zonen van Hebron waren Kórach, Tappóeach, Rékem en Sjéma.
43Porro filii Hebron, Core, et Taphua, et Recem, et Samma.
44Sjéma verwekte Rácham, den vader van Jorkeam; Rékem verwekte Sjammai.
44Samma autem genuit Raham, patrem Jercaam, et Recem genuit Sammai.
45De zoon van Sjammai was Maon; Maon was de vader van Bet-Soer.
45Filius Sammai, Maon: et Maon pater Bethsur.
46Efa, de bijvrouw van Kaleb, schonk het leven aan Charan, Mosa en Gazez. Charan verwekte Jodai.
46Epha autem concubina Caleb peperit Haran, et Mosa, et Gezez. Porro Haran genuit Gezez.
47De zonen van Jodai waren: Régem, Jotam, Gesjan, Pélet, Efa en Sjáaf.
47Filii autem Jahaddai, Regom, et Joathan, et Gesan, et Phalet, et Epha, et Saaph.
48Maäka, een bijvrouw van Kaleb, schonk het leven aan Sjéber en Tirchana;
48Concubina Caleb Maacha, peperit Saber, et Tharana.
49ook baarde zij Sjáaf, den vader van Madmanna, en Sjewa, den vader van Makbena en Giba. Aksa was de dochter van Kaleb.
49Genuit autem Saaph pater Madmena Sue, patrem Machbena et patrem Gabaa. Filia vero Caleb fuit Achsa.
50Dit waren de afstammelingen van Kaleb. De zonen van Choer, den oudsten zoon van Efrat, waren Sjobal de vader van Kirjat-Jearim,
50Hi erant filii Caleb, filii Hur primogeniti Ephratha, Sobal pater Cariathiarim.
51Salma de vader van Betlehem, en Charef de vader van Bet-Gader.
51Salma pater Bethlehem, Hariph pater Bethgader.
52Sjobal, de vader van Kirjat-Jearim, had nog andere kinderen, namelijk: Reaja, het halve geslacht Manáchat.
52Fuerunt autem filii Sobal patris Cariathiarim, qui videbat dimidium requietionum.
53In Kirjat-Jearim woonden de volgende geslachten: dat van Jéter, van Poet, van Sjoema en van Misjra; hieruit kwamen weer de lieden van Sora en Esjtaol voort.
53Et de cognatione Cariathiarim, Jethrei, et Aphuthei, et Semathei, et Maserei. Ex his egressi sunt Saraitæ, et Esthaolitæ.
54De zonen van Salma waren Betlehem, het geslacht van Netofa, Atrot-Bet-Joab, het halve geslacht Manáchat, de Sorieten,
54Filii Salma, Bethlehem, et Netophathi, coronæ domus Joab, et dimidium requietionis Sarai:
55en de geslachten der schriftgeleerden, die te Jabes woonden, namelijk die van Tira, van Sjima en van Sjoeka. Dit waren de Kinieten, die van Chammat afstammen, den vader van de familie Rekab.
55cognationes quoque scribarum habitantium in Jabes, canentes atque resonantes, et in tabernaculis commorantes. Hi sunt Cinæi, qui venerunt de Calore patris domus Rechab.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.