1 Kronieken
Chapter 6
Petrus Canisius Bible, 1…
vs Clementine Vulgate…
Aa
Text size
Line width
Verse numbers
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Clementine Vulgate, 1598
1De zonen van Levi waren: Gersjon, Kehat en Merari.
1Filii Levi: Gerson, Caath, et Merari.
2De zonen van Kehat waren: Amram, Jishar, Chebron en Oezziël.
2Filii Caath: Amram, Isaar, Hebron, et Oziel.
3De kinderen van Amram waren: Aäron, Moses en Mirjam. De zonen van Aäron waren Nadab, Abihoe, Elazar en Itamar.
3Filii Amram: Aaron, Moyses, et Maria. Filii Aaron: Nadab et Abiu, Eleazar, et Ithamar.
4Elazar verwekte Pinechas; Pinechas verwekte Abisjóea;
4Eleazar genuit Phinees, et Phinees genuit Abisue.
5Abisjóea verwekte Boekki; Boekki verwekte Oezzi;
5Abisue vero genuit Bocci, et Bocci genuit Ozi.
6Oezzi verwekte Zerachja; Zerachja verwekte Merajot;
6Ozi genuit Zaraiam, et Zaraias genuit Meraioth.
7Merajot verwekte Amarja; Amarja verwekte Achitoeb;
7Porro Meraioth genuit Amariam, et Amarias genuit Achitob.
8Achitoeb verwekte Sadok: Sadok verwekte Achimáas;
8Achitob genuit Sadoc, et Sadoc genuit Achimaas,
9Achimáas verwekte Azarja; Azarja verwekte Jochanan;
9Achimaas genuit Azariam, Azarias genuit Johanan,
10Jochanan verwekte Azarja. Deze laatste was priester in de tempel, die Salomon te Jerusalem bouwde.
10Johanan genuit Azariam: ipse est qui sacerdotio functus est in domo quam ædificavit Salomon in Jerusalem.
11Azarja verwekte Amarja; Amarja verwekte Achitoeb;
11Genuit autem Azarias Amariam, et Amarias genuit Achitob,
12Achitoeb verwekte Sadok; Sadok verwekte Sjalloem;
12Achitob genuit Sadoc, et Sadoc genuit Sellum,
13Sjalloem verwekte Chilki-ja; Chilki-ja verwekte Azarja;
13Sellum genuit Helciam, et Helcias genuit Azariam,
14Azarja verwekte Seraja; Seraja verwekte Jehosadak.
14Azarias genuit Saraiam, et Saraias genuit Josedec.
15Jehosadak trad af, toen Jahweh Juda en Jerusalem door Nabukodonosor in ballingschap liet wegvoeren.
15Porro Josedec egressus est, quando transtulit Dominus Judam et Jerusalem per manus Nabuchodonosor.
16De zonen van Levi waren dus Gersjon, Kehat en Merari.
16Filii ergo Levi: Gersom, Caath, et Merari.
17De zonen van Gersjon heetten Libni en Sjimi;
17Et hæc nomina filiorum Gersom: Lobni, et Semei.
18die van Kehat heetten Amram, Jishar, Chebron en Oezziël;
18Filii Caath: Amram, et Isaar, et Hebron, et Oziel.
19die van Merari heetten Machli en Moesji. Hier volgen de verschillende geslachten der Levieten naar hun families:
19Filii Merari: Moholi et Musi. Hæ autem cognationes Levi secundum familias eorum.
20De zoon van Gersjon was Libni; die van Libni was Jáchat; die van Jáchat was Zimma;
20Gersom: Lobni filius ejus, Jahath filius ejus, Zamma filius ejus,
21die van Zimma was Joach; die van Joach was Iddo; die van Iddo was Zérach; die van Zérach was Jeaterai.
21Joah filius ejus, Addo filius ejus, Zara filius ejus, Jethrai filius ejus.
22De zonen van Kehat waren: zijn eigen zoon was Amminadab; de zoon van Amminadab was Kórach; die van Kórach was Assir;
22Filii Caath: Aminadab filius ejus, Core filius ejus, Asir filius ejus,
23die van Assir was Elkana; die van Elkana was Ebjasaf; die van Ebjasaf was Assir;
23Elcana filius ejus, Abiasaph filius ejus, Asir filius ejus,
24die van Assir was Táchat; die van Táchat was Oeriël; die van Oeriël was Oezzi-ja; die van Oezzi-ja was Sjaoel.
24Thahath filius ejus, Uriel filius ejus, Ozias filius ejus, Saul filius ejus.
25De zonen van Elkana waren: Amasai, Achimot
25Filii Elcana, Amasai et Achimoth
26en Elkana. De zonen van dezen laatsten Elkana waren: zijn eigen zoon was Sofai; de zoon van Sofai was Náchat;
26et Elcana. Filii Elcana: Sophai filius ejus, Nahath filius ejus,
27die van Náchat was Eliab; die van Eliab was Jerocham; die van Jerocham was Elkana.
27Eliab filius ejus, Jeroham filius ejus, Elcana filius ejus.
28De zonen van Samuël waren: Joël, de oudste, en Abi-ja, de tweede.
28Filii Samuel: primogenitus Vasseni, et Abia.
29De zonen van Merari waren: zijn eigen zoon was Machli; de zoon van Machli was Libni; die van Libni was Sjimi; die van Sjimi was Oezza;
29Filii autem Merari, Moholi: Lobni filius ejus, Semei filius ejus, Oza filius ejus,
30die van Oezza was Sjima; die van Sjima was Chaggi-ja; die van Chaggi-ja was Asaja.
30Sammaa filius ejus, Haggia filius ejus, Asaia filius ejus.
31Hier volgen degenen, die door David belast waren met de verzorging van de muziek in het huis van Jahweh als de ark daar geplaatst zou zijn.
31Isti sunt quos constituit David super cantores domus Domini, ex quo collocata est arca:
32Ze verzorgden de muziek voor de tabernakel van de openbaringstent, totdat Salomon in Jerusalem de tempel van Jahweh zou hebben gebouwd, en ze hun dienst volgens voorschrift zouden kunnen volbrengen.
32et ministrabant coram tabernaculo testimonii, canentes donec ædificaret Salomon domum Domini in Jerusalem: stabant autem juxta ordinem suum in ministerio.
33Dit waren dan de dienstdoenden met hun zonen: Van de Kehatieten was het: Heman de zanger, de zoon van Joël, den zoon van Samuël,
33Hi vero sunt qui assistebant cum filiis suis, de filiis Caath, Hemam cantor filius Johel, filii Samuel,
34zoon van Elkana, zoon van Jerocham, zoon van Eliël, zoon van Tóach,
34filii Elcana, filii Jeroham, filii Eliel, filii Thohu,
35zoon van Soef, zoon van Elkana, zoon van Machat, zoon van Amasai,
35filii Suph, filii Elcana, filii Mahath, filii Amasai,
36zoon van Elkana, zoon van Joël, zoon van Azarja, zoon van Sefanja,
36filii Elcana, filii Johel, filii Azariæ, filii Sophoniæ,
37zoon van Táchat, zoon van Assir, zoon van Ebjasaf, zoon van Kórach,
37filii Thahath, filii Asir, filii Abiasaph, filii Core,
38zoon van Jishar, zoon van Kehat, zoon van Levi, zoon van Israël.
38filii Isaar, filii Caath, filii Levi, filii Israël.
39Zijn ambtgenoot, die aan zijn rechterhand stond, was een Gersjoniet, namelijk Asaf. Deze was de zoon van Berekjáhoe, den zoon van Sjima,
39Et frater ejus Asaph, qui stabat a dextris ejus, Asaph filius Barachiæ, filii Samaa,
40zoon van Mikaël, zoon van Baäseja, zoon van Malki-ja,
40filii Michaël, filii Basaiæ, filii Melchiæ,
41zoon van Etni, zoon van Zérach, zoon van Adaja,
41filii Athanai, filii Zara, filii Adaia,
42zoon van Etan, zoon van Zimma, zoon van Sjimi,
42filii Ethan, filii Zamma, filii Semei,
43zoon van Jáchat, zoon van Gersjon, zoon van Levi.
43filii Jeth, filii Gersom, filii Levi.
44Zijn ambtgenoot, die aan zijn linkerhand stond, was een Merariet, namelijk Etan. Deze was de zoon van Kisji, den zoon van Abdi zoon van Malloek,
44Filii autem Merari fratres eorum, ad sinistram, Ethan filius Cusi, filii Abdi, filii Maloch,
45zoon van Chasjabja, zoon van Amas-ja, zoon van Chilki-ja,
45filii Hasabiæ, filii Amasiæ, filii Helciæ,
46zoon van Amsi, zoon van Bani, zoon van Sjémer,
46filii Amasai, filii Boni, filii Somer,
47zoon van Machli, zoon van Moesji, zoon van Merari, zoon van Levi.
47filii Moholi, filii Musi, filii Merari, filii Levi.
48De levieten, hun ambtgenoten, waren belast met allerlei diensten in de tabernakel van het Godshuis.
48Fratres quoque eorum Levitæ, qui ordinati sunt in cunctum ministerium tabernaculi domus Domini.
49Maar Aäron met zijn zonen waren belast met de offerdienst op het brandofferaltaar en het reukofferaltaar, met allerlei plichten in het Allerheiligste, en moesten verzoening voor Israël bewerken, juist zoals Moses, de dienaar van God, het had voorgeschreven.
49Aaron vero et filii ejus adolebant incensum super altare holocausti, et super altare thymiamatis, in omne opus Sancti sanctorum: et ut precarentur pro Israël juxta omnia quæ præceperat Moyses servus Dei.
50Hier volgen de afstammelingen van Aäron. Zijn eigen zoon was Elazar; die van Elazar was Pinechas; die van Pinechas was Abisjóea;
50Hi sunt autem filii Aaron: Eleazar filius ejus, Phinees filius ejus, Abisue filius ejus,
51die van Abisjóea was Boekki; die van Boekki was Oezzi; die van Oezzi was Zerachja;
51Bocci filius ejus, Ozi filius ejus, Zarahia filius ejus,
52die van Zerachja was Merajot; die van Merajot was Amarja; die van Amarja was Achitoeb;
52Meraioth filius ejus, Amarias filius ejus, Achitob filius ejus,
53die van Achitoeb was Sadok; die van Sadok was Achimáas.
53Sadoc filius ejus, Achimaas filius ejus.
54En dit waren hun woonplaatsen met hun kampementen op hun grondgebied. Aan de zonen van Aäron, een der geslachten der Kehatieten, voor wie het eerste lot was gevallen,
54Et hæc habitacula eorum per vicos atque confinia, filiorum scilicet Aaron, juxta cognationes Caathitarum: ipsis enim sorte contigerant.
55gaf men Hebron in het land Juda, met de omliggende weidegronden.
55Dederunt igitur eis Hebron in terra Juda, et suburbana ejus per circuitum:
56Het akkerland van die stad en haar dorpen had men reeds aan Kaleb, den zoon van Jefoenne, in eigendom gegeven.
56agros autem civitatis, et villas, Caleb filio Jephone.
57Aan de zonen van Aäron gaf men dus de vrijstad Hebron; daarenboven Libna, Jattir, Esjtemóa,
57Porro filiis Aaron dederunt civitates ad confugiendum Hebron, et Lobna, et suburbana ejus,
58Cholon, Debir,
58Jether quoque, et Esthemo cum suburbanis suis, sed et Helon, et Dabir cum suburbanis suis,
59Asjan en Bet-Sjémesj, alle met bijbehorende weidegronden.
59Asan quoque, et Bethsemes, et suburbana earum.
60Uit de stam Benjamin: Géba, Alémet en Anatot, elk met zijn weidegronden. In het geheel dus dertien steden met haar bijbehorende weidegronden.
60De tribu autem Benjamin, Gabee et suburbana ejus, et Almath cum suburbanis suis, Anathoth quoque cum suburbanis suis: omnes civitates, tredecim, per cognationes suas.
61Onder de overige geslachten der Kehatieten werden tien steden verloot uit de stammen Efraïm, Dan en de helft van Manasse.
61Filiis autem Caath residuis de cognatione sua dederunt ex dimidia tribu Manasse in possessionem urbes decem.
62De geslachten der Gersjonieten kregen uit de stammen Issakar, Aser, Neftali en Manasse dertien steden in Basjan.
62Porro filiis Gersom per cognationes suas de tribu Issachar, et de tribu Aser, et de tribu Nephthali, et de tribu Manasse in Basan, urbes tredecim.
63Onder de geslachten der Merarieten werden twaalf steden verloot uit de stammen Ruben, Gat en Zabulon.
63Filiis autem Merari per cognationes suas de tribu Ruben, et de tribu Gad, et de tribu Zabulon, dederunt sorte civitates duodecim.
64Dit waren dus de steden met bijbehorende weidegronden, welke de levieten van de Israëlieten hebben gekregen.
64Dederunt quoque filii Israël Levitis civitates, et suburbana earum:
65Uit de stammen der Judeërs, Simeonieten en Benjamieten waren bovengenoemde steden verloot.
65dederuntque per sortem, ex tribu filiorum Juda, et ex tribu filiorum Simeon, et ex tribu filiorum Benjamin urbes has, quas vocaverunt nominibus suis,
66Aan de geslachten der Kehatieten werden door het lot de volgende steden toegewezen: Uit de stam Efraïm
66et his, qui erant de cognatione filiorum Caath, fueruntque civitates in terminis eorum de tribu Ephraim.
67kregen ze de vrijstad Sikem op het Efraïmgebergte, met Gézer,
67Dederunt ergo eis urbes ad confugiendum, Sichem cum suburbanis suis in monte Ephraim, et Gazer cum suburbanis suis,
68Jokmeam, Bet-Choron,
68Jecmaam quoque cum suburbanis suis, et Bethoron similiter,
69Ajjalon en Gat-Rimmon, alle met bijbehorende weidegronden.
69necnon et Helon cum suburbanis suis, et Gethremmon in eumdem modum.
70Uit de halve stam van Manasse waren Aner en Bilam, met bijbehorende weidegronden voor de overige geslachten der Kehatieten bestemd.
70Porro ex dimidia tribu Manasse, Aner et suburbana ejus, Balaam et suburbana ejus: his videlicet, qui de cognatione filiorum Caath reliqui erant.
71Aan de geslachten der Gersjonieten werden toegewezen: Uit de ene helft van de stam Manasse: Golan in Basjan, en Asjtarot, met bijbehorende weidegronden.
71Filiis autem Gersom de cognatione dimidiæ tribus Manasse, Gaulon in Basan, et suburbana ejus, et Astaroth cum suburbanis suis.
72Uit de stam Issakar: Kédes, Daberat,
72De tribu Issachar, Cedes et suburbanis suis, et Dabereth cum suburbanis suis,
73Ramot en Anem, met bijbehorende weidegronden.
73Ramoth quoque et suburbana ejus, et Anem cum suburbanis suis.
74Uit de stam Aser: Masjal, Abdon,
74De tribu vero Aser: Masal cum suburbanis suis, et Abdon similiter,
75Choekok en Rechob, met bijbehorende weidegronden.
75Hucac quoque et suburbana ejus, et Rohob cum suburbanis suis.
76Uit de stam Neftali: Kédesj in Galilea, Chammon en Kirjatáim, met bijbehorende weidegronden.
76Porro de tribu Nephthali, Cedes in Galilæa et suburbana ejus, Hamon cum suburbanis suis, et Cariathaim et suburbana ejus.
77Aan de overige levieten, de Merarieten, werden toegewezen uit de stam Zabulon: Rimmon en Tabor, met bijbehorende weidegronden.
77Filiis autem Merari residuis: de tribu Zabulon, Remmono et suburbana ejus, et Thabor cum suburbanis sus:
78In het Overjordaanse, tegenover Jericho oostelijk van de Jordaan, kregen ze uit de stam Ruben: Béser in de woestijn, Jahsa,
78trans Jordanem quoque ex adverso Jericho contra orientem Jordanis, de tribu Ruben, Bosor in solitudine cum suburbanis suis, et Jassa cum suburbanis suis,
79Kedemot en Mefáat, met bijbehorende weidegronden.
79Cademoth quoque et suburbana ejus, et Mephaat cum suburbanis suis.
80Uit de stam Gad: Ramot in Gilad, Machanáim,
80Necnon et de tribu Gad, Ramoth in Galaad et suburbana ejus, et Manaim cum suburbanis suis,
81Chesjbon en Jazer, met bijbehorende weidegronden.
81sed et Hesebon cum suburbanis suis, et Jezer cum suburbanis suis.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.