1 Kronieken
Chapter 6
Petrus Canisius Bible, 1…
vs Old Persian Versio…
Aa
Text size
Line width
Verse numbers
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Old Persian Version (ترجمه قدیم)
1De zonen van Levi waren: Gersjon, Kehat en Merari.
1بني لاوي: جَرشون و قَهات و مَراري.
2De zonen van Kehat waren: Amram, Jishar, Chebron en Oezziël.
2بني قَهات: عَمرام و يصهار و حَبرون و عُزّيئيل.
3De kinderen van Amram waren: Aäron, Moses en Mirjam. De zonen van Aäron waren Nadab, Abihoe, Elazar en Itamar.
3وبني عَمرام: هارون و موسي و مريم. و بني هارون: ناداب و اَبِيهُو و اَليعازار و ايتامار.
4Elazar verwekte Pinechas; Pinechas verwekte Abisjóea;
4و اَليعازار فينَحاس را آورد و فينَحاس ابيشوع را آورد.
5Abisjóea verwekte Boekki; Boekki verwekte Oezzi;
5و ابيشوع بُقِّي را آورد و بُقِّي عُزّي را آورد.
6Oezzi verwekte Zerachja; Zerachja verwekte Merajot;
6و عُزّي زَرَحيا را آورد و زَرَحيا مَرايوت را آورد.
7Merajot verwekte Amarja; Amarja verwekte Achitoeb;
7ومَرايوت اَمَريا را آورد و اَمَريا اخيطوب را آورد.
8Achitoeb verwekte Sadok: Sadok verwekte Achimáas;
8و اخيطوب صادوق را آورد و صادوق اَخِيمَعص را آورد.
9Achimáas verwekte Azarja; Azarja verwekte Jochanan;
9واَخِيمَعص عَزَريا را آورد و عَزَريا يوحانان را آورد.
10Jochanan verwekte Azarja. Deze laatste was priester in de tempel, die Salomon te Jerusalem bouwde.
10و يوحانان عَزَريا را آورد و او در خانه اي که سليمان در اورشليم بنا کرد، کاهن بود.
11Azarja verwekte Amarja; Amarja verwekte Achitoeb;
11و عَزَريا اَمَريا را آورد و اَمَريا اخيطوب را آورد.
12Achitoeb verwekte Sadok; Sadok verwekte Sjalloem;
12و اَخيطوب صادوق را آورد و صادوق شَلّوم را آورد.
13Sjalloem verwekte Chilki-ja; Chilki-ja verwekte Azarja;
13و شَلّوم حِلقيا را آورد و حِلقّيا عَزَريا را آورد
14Azarja verwekte Seraja; Seraja verwekte Jehosadak.
14و عَزَريا سَرايا را آورد و سرايا يهُوصاداق را آورد.
15Jehosadak trad af, toen Jahweh Juda en Jerusalem door Nabukodonosor in ballingschap liet wegvoeren.
15و يهُوصاداق به اسيري رفت هنگامي که خداوند يهودا و اورشليم را به دست نَبُوکَدنَصَّر اسير ساخت.
16De zonen van Levi waren dus Gersjon, Kehat en Merari.
16پسران لاوي: جرشوم و قَهات و مَراري.
17De zonen van Gersjon heetten Libni en Sjimi;
17و اينها است اسمهاي پسران جَرشُوم: لِبنِي و شِمعي.
18die van Kehat heetten Amram, Jishar, Chebron en Oezziël;
18و پسران قَهات: عَمرام و يصهار و حبرون و عُزّيئيل.
19die van Merari heetten Machli en Moesji. Hier volgen de verschillende geslachten der Levieten naar hun families:
19و پسران مَراري: مَحلي و موشي پس اينها قبايل لاويان بر حسب اجداد ايشان است.
20De zoon van Gersjon was Libni; die van Libni was Jáchat; die van Jáchat was Zimma;
20از جَرشُوم پسرش لِبنِي، پسرش يحَت، پسرش زِمَّه.
21die van Zimma was Joach; die van Joach was Iddo; die van Iddo was Zérach; die van Zérach was Jeaterai.
21پسرش يوآخ پسرش عِدُّو پسرش زارَح پسرش ياتراي.
22De zonen van Kehat waren: zijn eigen zoon was Amminadab; de zoon van Amminadab was Kórach; die van Kórach was Assir;
22پسران قَهات، پسرش عَمِّيناداب پسرش قُورَح پسرش اَسّير.
23die van Assir was Elkana; die van Elkana was Ebjasaf; die van Ebjasaf was Assir;
23پسرش اَلقانَه پسرش اَبيآ ساف پسرش اَسّير.
24die van Assir was Táchat; die van Táchat was Oeriël; die van Oeriël was Oezzi-ja; die van Oezzi-ja was Sjaoel.
24پسرش تَحَت پسرش اُوريئيل پسرش عُزّيا، پسرش شاؤل.
25De zonen van Elkana waren: Amasai, Achimot
25و پسران اَلقانَه عماساي و اَخيمُوت.
26en Elkana. De zonen van dezen laatsten Elkana waren: zijn eigen zoon was Sofai; de zoon van Sofai was Náchat;
26و امّا اَلقانَه. پسران اَلقانَه پسرش صوفاي پسرش نَحَت.
27die van Náchat was Eliab; die van Eliab was Jerocham; die van Jerocham was Elkana.
27پسرش اَلِيآب پسرش يرُوحام پسرش اَلقانَه.
28De zonen van Samuël waren: Joël, de oudste, en Abi-ja, de tweede.
28و پسران سموئيل نخست زاده اش وَشنِي و دومش اَبِيا.
29De zonen van Merari waren: zijn eigen zoon was Machli; de zoon van Machli was Libni; die van Libni was Sjimi; die van Sjimi was Oezza;
29پسران مَراري مَحلي و پسرش لِبنِي پسرش شِمعي پسرش عُزَّه.
30die van Oezza was Sjima; die van Sjima was Chaggi-ja; die van Chaggi-ja was Asaja.
30پسرش شِمعِي پسرش هَجيا پسرش عَسايا.
31Hier volgen degenen, die door David belast waren met de verzorging van de muziek in het huis van Jahweh als de ark daar geplaatst zou zijn.
31و اينانند که داود ايشان را بر خدمت سرود در خانه خداوند تعيين نمود بعد از آنکه تابوت مستقر شد.
32Ze verzorgden de muziek voor de tabernakel van de openbaringstent, totdat Salomon in Jerusalem de tempel van Jahweh zou hebben gebouwd, en ze hun dienst volgens voorschrift zouden kunnen volbrengen.
32و ايشان پيش مسکن خيمه اجتماع مشغول سراييدن مي شدند تا حيني که سليمان خانه خداوند را در اورشليم بنا کرد. پس بر حسب قانون خويش بر خدمت خود مواظب شدند.
33Dit waren dan de dienstdoenden met hun zonen: Van de Kehatieten was het: Heman de zanger, de zoon van Joël, den zoon van Samuël,
33پس آنهايي که با پسران خود معين شدند، اينانند: از بني قَهاتيان هِمانِ مغنّي ابن يوئيل بن سموئيل.
34zoon van Elkana, zoon van Jerocham, zoon van Eliël, zoon van Tóach,
34بن اَلقانَه بن يرُوحام بن اَليئيل بن نُوح،
35zoon van Soef, zoon van Elkana, zoon van Machat, zoon van Amasai,
35ابن صوف بن اَلقانَه بن مَهت بن عماساي،
36zoon van Elkana, zoon van Joël, zoon van Azarja, zoon van Sefanja,
36ابن اَلقانَه بن يوئيل بن عَزَرياء بن صَفَنيا،
37zoon van Táchat, zoon van Assir, zoon van Ebjasaf, zoon van Kórach,
37ابن تَحَت بن اَسّير بن اَبيآ ساف بن قُورح،
38zoon van Jishar, zoon van Kehat, zoon van Levi, zoon van Israël.
38ابن يصهار بن قَهات بن لاوي بن اسرائيل.
39Zijn ambtgenoot, die aan zijn rechterhand stond, was een Gersjoniet, namelijk Asaf. Deze was de zoon van Berekjáhoe, den zoon van Sjima,
39و برادرش آساف که به دست راست وي مي ايستاد. آساف بن بَرَکيا ابن شِمعِي،
40zoon van Mikaël, zoon van Baäseja, zoon van Malki-ja,
40ابن ميکائيل بن بَعسِيا ابن مَلکِيا،
41zoon van Etni, zoon van Zérach, zoon van Adaja,
41ابن اَتنِي ابن زارَح بن عَدايا،
42zoon van Etan, zoon van Zimma, zoon van Sjimi,
42ابن اِيتان بن زِمَّه بن شِمعِي،
43zoon van Jáchat, zoon van Gersjon, zoon van Levi.
43ابن يحت بن جَرشُوم بن لاوي.
44Zijn ambtgenoot, die aan zijn linkerhand stond, was een Merariet, namelijk Etan. Deze was de zoon van Kisji, den zoon van Abdi zoon van Malloek,
44و به طرف چپ برادران ايشان که پسران مَراري بودند: اِيتان بن قيشي ابن عَبدِي ابن مَلّوک،
45zoon van Chasjabja, zoon van Amas-ja, zoon van Chilki-ja,
45ابن حَشَبيا ابن اَمَصيا ابن حِلقِيا،
46zoon van Amsi, zoon van Bani, zoon van Sjémer,
46ابن اَمصِي ابن باني ابن شامَر،
47zoon van Machli, zoon van Moesji, zoon van Merari, zoon van Levi.
47ابن مَحلِي ابن موشي ابن مَراري ابن لاوي.
48De levieten, hun ambtgenoten, waren belast met allerlei diensten in de tabernakel van het Godshuis.
48و لاوياني که برادران ايشان بودند، به تمامي خدمت مسکن خانه خدا گماشته شدند.
49Maar Aäron met zijn zonen waren belast met de offerdienst op het brandofferaltaar en het reukofferaltaar, met allerlei plichten in het Allerheiligste, en moesten verzoening voor Israël bewerken, juist zoals Moses, de dienaar van God, het had voorgeschreven.
49و اما هارون و پسرانش بر مذبح قرباني سوختني و بر مذبح بخور به جهت تمامي عمل قدس الاقداس قرباني مي گذرانيدند تا به جهت اسرائيل موافق هر آنچه موسي بنده خدا امر فرموده بود، کفاره نمايند.
50Hier volgen de afstammelingen van Aäron. Zijn eigen zoon was Elazar; die van Elazar was Pinechas; die van Pinechas was Abisjóea;
50و اينانند پسران هارون: پسرش اَلعازار، پسرش فينَحاس، پسرش اَبِيشُوع.
51die van Abisjóea was Boekki; die van Boekki was Oezzi; die van Oezzi was Zerachja;
51پسرش بُقي، پسرش عُزّي، پسرش زَرَحيا،
52die van Zerachja was Merajot; die van Merajot was Amarja; die van Amarja was Achitoeb;
52پسرش مَرايوت پسرش اَمَريا پسرش اَخيطوب،
53die van Achitoeb was Sadok; die van Sadok was Achimáas.
53پسرش صادوق، پسرش اَخِيمَعص.
54En dit waren hun woonplaatsen met hun kampementen op hun grondgebied. Aan de zonen van Aäron, een der geslachten der Kehatieten, voor wie het eerste lot was gevallen,
54و مسکن هاي ايشان بر حسب موضع ها و حدود ايشان اينها است: از پسران هارون به جهت قبايل قَهاتيان زيرا قرعه اوّل از آنِ ايشان بود.
55gaf men Hebron in het land Juda, met de omliggende weidegronden.
55پس حَبرُون در زمين يهودا با حوالي آن به هر طرفش به ايشان داده شد.
56Het akkerland van die stad en haar dorpen had men reeds aan Kaleb, den zoon van Jefoenne, in eigendom gegeven.
56و اما زمينهاي آن شهر دهاتش را به کاليب بن يفُنَّه دادند.
57Aan de zonen van Aäron gaf men dus de vrijstad Hebron; daarenboven Libna, Jattir, Esjtemóa,
57به پسران هارون به جهت شهرهاي ملجا حَبرُون و لِبنَه و حوالي آن، و يتّير و اَشتَموع و حوالي آن را دادند.
58Cholon, Debir,
58و حِيلين و حوالي آن را و دَبير و حوالي آن را،
59Asjan en Bet-Sjémesj, alle met bijbehorende weidegronden.
59و عاشان و حوالي آن را و بيت شمس و حوالي آن را،
60Uit de stam Benjamin: Géba, Alémet en Anatot, elk met zijn weidegronden. In het geheel dus dertien steden met haar bijbehorende weidegronden.
60و از بسط بنيامين جَبَع و حوالي آن را و عَلَّمَت و حوالي آن را و عَناتوت و حوالي آن را. پس جميع شهرهاي ايشان بر حسب قبايل ايشان سيزده شهر بود.
61Onder de overige geslachten der Kehatieten werden tien steden verloot uit de stammen Efraïm, Dan en de helft van Manasse.
61و به پسران قَهات که از قبايل آن سبط باقي ماندند، ده شهر از نصف سبط يعني از نصف مَنَّسي به قرعه داده شد.
62De geslachten der Gersjonieten kregen uit de stammen Issakar, Aser, Neftali en Manasse dertien steden in Basjan.
62و به بني جَرشُوم بر حسب قبايل ايشان از بسط يسّاکار و از سبط اَشير و از سبط نَفتالي و از سبط مَنَّسي درباشان سيزده شهر.
63Onder de geslachten der Merarieten werden twaalf steden verloot uit de stammen Ruben, Gat en Zabulon.
63و به پسران مَراري بر حسب قبايل ايشان از بسط رؤبين و از سبط جاد و از سبط زبولون دوازده شهر به قرعه داده شد.
64Dit waren dus de steden met bijbehorende weidegronden, welke de levieten van de Israëlieten hebben gekregen.
64پس بني اسرائيل اين شهرها را با حوالي آنها به لاويان دادند.
65Uit de stammen der Judeërs, Simeonieten en Benjamieten waren bovengenoemde steden verloot.
65و از بسط بني يهودا و از بسط بني شَمعون و از بسط بني بنيامين اين شهرها را که اسم آنها مذکور است به قرعه دادند.
66Aan de geslachten der Kehatieten werden door het lot de volgende steden toegewezen: Uit de stam Efraïm
66و بعضي از قبايل بني قَهات شهرهاي حدود خود را از سبط افرايم داشتند.
67kregen ze de vrijstad Sikem op het Efraïmgebergte, met Gézer,
67پس شکيم را با حوالي آن در کوهستان افرام و جازَر را با حوالي آن به جهت شهرهاي ملجا به ايشان دادند.
68Jokmeam, Bet-Choron,
68و يقمَعام را با حوالي آن و بيت حُورُون را با حوالي آن.
69Ajjalon en Gat-Rimmon, alle met bijbehorende weidegronden.
69و اَيلُون را با حوالي آن و جَتّ رِمُّون را با حوالي آن.
70Uit de halve stam van Manasse waren Aner en Bilam, met bijbehorende weidegronden voor de overige geslachten der Kehatieten bestemd.
70و از نصف سبط مَنَّسي، عانير را با حوالي آن، و بِلعام را با حوالي آن، به قبايل باقي مانده بقي قَهات دادند.
71Aan de geslachten der Gersjonieten werden toegewezen: Uit de ene helft van de stam Manasse: Golan in Basjan, en Asjtarot, met bijbehorende weidegronden.
71و به پسران جَرشُوم از قبايل نصف سبط مَنَّسي، جُولان را در باشان با حوالي آن و عَشتارُوت را با حوالي آن.
72Uit de stam Issakar: Kédes, Daberat,
72و از سبط يسّاکار قادِش را با حوالي آن و دَبَرَه را با حوالي آن.
73Ramot en Anem, met bijbehorende weidegronden.
73و راموت را با حوالي آن و عانيم را با حوالي آن.
74Uit de stam Aser: Masjal, Abdon,
74و از بسط اَشير مَشآل را با حوالي آن عَبدُون را با حوالي آن.
75Choekok en Rechob, met bijbehorende weidegronden.
75و حُقُوق را با حوالي آن و رَحُوب را با حوالي آن.
76Uit de stam Neftali: Kédesj in Galilea, Chammon en Kirjatáim, met bijbehorende weidegronden.
76و از سبط نَفتالي قادِش را در جَلِيل با حوالي آن و حَمّون را با حوالي آن و قِريتايم را با حوالي آن.
77Aan de overige levieten, de Merarieten, werden toegewezen uit de stam Zabulon: Rimmon en Tabor, met bijbehorende weidegronden.
77و به پسران مَراري که از لاويان باقي مانده بودند، از سبط زبولون رِمّون را با حوالي آن و تابور را با حوالي آن.
78In het Overjordaanse, tegenover Jericho oostelijk van de Jordaan, kregen ze uit de stam Ruben: Béser in de woestijn, Jahsa,
78و از آن طرف اُردُن در برابر اريحا به جانب شرقي اُردُن از سبط رؤبين، باصَر را در بيابان با حوالي آن و يهصَه را با حوالي آن.
79Kedemot en Mefáat, met bijbehorende weidegronden.
79و قديموت را با حوالي آن و مَيفَعَه را با حوالي آن.
80Uit de stam Gad: Ramot in Gilad, Machanáim,
80و از سبط جاد راموت را در جِلعاد با حوالي آن و مَحَنايم را با حوالي آن.
81Chesjbon en Jazer, met bijbehorende weidegronden.
81و حَشبون را با حوالي آن و يعزير را با حوالي آن.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.