Exodus 1
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Old Persian Version (ترجمه قدیم)
1Dit zijn de namen van de zonen van Israël, die met Jakob naar Egypte waren gekomen, ieder met zijn gezin:
1و این است نامهای پسران اسرائیل که به مصر آمدند، هر کس با اهل خانهاش همراه یعقوب آمدند:
2Ruben, Simeon, Levi en Juda,
2روبین و شمعون و لاوی ویهودا،
3Issakar, Zabulon en Benjamin,
3یساکار و زبولون و بنیامین،
4Dan en Neftali, Gad en Aser.
4و دان ونفتالی، و جاد و اشیر.
5In het geheel waren het zeventig rechtstreekse afstammelingen van Jakob; Josef was toen reeds in Egypte.
5و همه نفوسی که از صلب یعقوب پدید آمدند هفتاد نفر بودند. و یوسف درمصر بود.
6Nadat Josef met al zijn broers en heel dat geslacht was gestorven,
6و یوسف و همه برادرانش، و تمامی آن طبقه مردند.
7werden de kinderen Israëls vruchtbaar en vermenigvuldigden zij zich; ze werden zó talrijk en een zó grote menigte, dat het land met hen overstroomd werd.
7و بنیاسرائیل بارور و منتشر شدند، وکثیر و بینهایت زورآور گردیدند. و زمین ازایشان پر گشت.
8Toen kwam er een nieuwe koning in Egypte aan het bewind, die Josef niet meer had gekend.
8اما پادشاهی دیگر بر مصربرخاست که یوسف را نشناخت.
9Hij sprak tot zijn volk: Zie, het volk van Israël is talrijker dan wij en wordt ons te sterk.
9و به قوم خودگفت: «همانا قوم بنیاسرائیل از ما زیاده وزورآورترند.
10We moeten dus met beleid tegen hen optreden, anders worden zij nog talrijker en sluiten ze zich, als wij in oorlog raken, bij onze vijanden aan, gaan ons bestrijden, en trekken dan weg uit het land.
10بیایید با ایشان به حکمت رفتارکنیم، مبادا که زیاد شوند. و واقع شود که چون جنگ پدید آید، ایشان نیز با دشمنان ماهمداستان شوند، و با ما جنگ کرده، از زمین بیرون روند.»
11Men stelde dus slavendrijvers over hen aan, om hen met dwangarbeid er onder te houden; en zo moesten zij voor Farao de opslagplaatsen Pitom en Raämses bouwen.
11پس سرکاران بر ایشان گماشتند، تا ایشان را بهکارهای دشوار ذلیل سازند، و برای فرعون شهرهای خزینه، یعنی فیتوم و رعمسیس را بناکردند.
12Maar hoe meer men ze verdrukte, hoe talrijker ze werden en hoe sterker zij zich vermenigvuldigden, zodat men de Israëlieten begon te vrezen.
12لیکن چندانکه بیشتر ایشان را ذلیل ساختند، زیادتر متزاید و منتشر گردیدند، و ازبنیاسرائیل احتراز مینمودند.
13Zo maakten de Egyptenaren de kinderen Israëls met geweld tot hun slaven;
13و مصریان ازبنیاسرائیل به ظلم خدمت گرفتند.
14zij verbitterden hun leven door ze zwaar in leem en tichels te laten werken en door allerlei veldarbeid: allemaal slavenwerk, waartoe men hen met geweld dwong.
14و جانهای ایشان را به بندگی سخت، به گل کاری وخشت سازی و هر گونه عمل صحرایی، تلخ ساختندی. و هر خدمتی که بر ایشان نهادندی به ظلم میبود.
15Nu sprak de koning van Egypte tot de vroedvrouwen Sjifra en Poea, die de hebreeuwse vrouwen hielpen:
15و پادشاه مصر به قابله های عبرانی که یکی را شفره و دیگری را فوعه نام بود، امرکرده،
16Wanneer gij de hebreeuwse vrouwen bij de bevalling helpt, let dan op het geslacht van het kind. Als het een jongen is, moet ge het doden; is het een meisje, dan mag het blijven leven.
16گفت: «چون قابله گری برای زنان عبرانی بکنید، و بر سنگها نگاه کنید، اگر پسر باشد او رابکشید، و اگر دختر بود زنده بماند.»
17Maar de vroedvrouwen vreesden God; ze deden niet wat de koning van Egypte haar had bevolen en lieten ook de jongens in leven.
17لکن قابلهها از خدا ترسیدند، و آنچه پادشاه مصربدیشان فرموده بود نکردند، بلکه پسران را زنده گذاردند.
18Daarom liet de koning van Egypte de vroedvrouwen roepen, en zeide tot haar: Waarom doet gij dit, en laat ge de jongens in leven?
18پس پادشاه مصر قابلهها را طلبیده، بدیشان گفت: «چرا این کار را کردید، و پسران را زنده گذاردید؟»
19De vroedvrouwen gaven Farao ten antwoord: De hebreeuwse vrouwen zijn niet als die van Egypte, maar eerder als dieren; voordat de vroedvrouw bij haar is, hebben zij het kind al gebaard.
19قابلهها به فرعون گفتند: «از این سبب که زنان عبرانی چون زنان مصری نیستند، بلکه زورآورند، و قبل از رسیدن قابله میزایند.»
20En God beloonde de vroedvrouwen. En terwijl het volk zich vermenigvuldigde en hoe langer hoe talrijker werd,
20و خدا با قابلهها احسان نمود، و قوم کثیرشدند، و بسیار توانا گردیدند.
21maakte God de vroedvrouwen tot stammoeders, omdat ze Hem hadden gevreesd.
21و واقع شدچونکه قابلهها از خدا ترسیدند، خانهها برای ایشان بساخت.
22Toen gaf Farao aan heel zijn volk het bevel: Werpt iederen jongen, die bij de Hebreën geboren wordt, in de Nijl, maar laat de meisjes in leven.
22و فرعون قوم خود را امر کرده، گفت: «هر پسری که زاییده شود به نهر اندازید، وهر دختری را زنده نگاه دارید.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.