Exodus 20
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Old Persian Version (ترجمه قدیم)
1Toen sprak God alles wat volgt:
1و خدا تکلم فرمود و همه این کلمات را بگفت:
2Ik ben Jahweh, uw God, die u uit Egypte, uit het slavenhuis heb geleid;
2«من هستم یهوه، خدای تو، که تو را از زمین مصر و از خانه غلامی بیرون آوردم.
3gij zult geen andere goden naast Mij hebben.
3تو را خدایان دیگر غیر از من نباشد.
4Gij zult u geen godenbeeld maken noch enig beeld van wat in de hemel daarboven, op de aarde beneden, of in het water onder de aarde is.
4صورتی تراشیده و هیچ تمثالی از آنچه بالا درآسمان است، و از آنچه پایین در زمین است، و ازآنچه در آب زیر زمین است، برای خود مساز.
5Gij moogt ze niet aanbidden of dienen. Want Ik, Jahweh, uw God, ben een naijverige God, die de zonden der vaders wreekt op de zonen, op het derde en vierde geslacht van hen, die Mij haten,
5نزد آنها سجده مکن، و آنها را عبادت منما، زیرامن که یهوه، خدای تو میباشم، خدای غیورهستم، که انتقام گناه پدران را از پسران تا پشت سوم و چهارم از آنانی که مرا دشمن دارندمی گیرم.
6maar die genadig is aan het duizendste geslacht van hen, die Mij liefhebben en mijn geboden onderhouden.
6و تا هزار پشت بر آنانی که مرا دوست دارند و احکام مرا نگاه دارند، رحمت میکنم.
7Gij zult de naam van Jahweh, uw God, niet ijdel gebruiken; want wanneer iemand de naam van Jahweh ijdel gebruikt, laat Hij dit niet ongestraft.
7نام یهوه، خدای خود را به باطل مبر، زیراخداوند کسی را که اسم او را به باطل برد، بیگناه نخواهد شمرد.
8Gedenk de sabbat, dat gij die heiligt.
8روز سبت را یاد کن تا آن راتقدیس نمایی.
9Zes dagen kunt ge werken en al uw arbeid verrichten,
9شش روز مشغول باش و همه کارهای خود را بجا آور.
10maar de zevende dag is een sabbat voor Jahweh, uw God; dan moogt ge geen arbeid verrichten; gijzelf, noch uw zoon of uw dochter, noch uw slaaf, uw slavin of uw vee, noch de vreemdeling, die binnen uw poorten woont.
10اما روز هفتمین، سبت یهوه، خدای توست. در آن هیچ کار مکن، تو و پسرت و دخترت و غلامت و کنیزت وبهیمه ات و مهمان تو که درون دروازه های توباشد.
11Want in zes dagen heeft Jahweh hemel, aarde en zee gemaakt met al wat er in is; maar op de zevende dag rustte Hij. Daarom heeft Jahweh de sabbat gezegend, en hem voor heilig verklaard.
11زیرا که در شش روز، خداوند آسمان وزمین و دریا و آنچه را که در آنهاست بساخت، ودر روز هفتم آرام فرمود. از این سبب خداوند روزهفتم را مبارک خوانده، آن را تقدیس نمود.
12Eert uw vader en moeder, opdat ge lang moogt blijven in het land, dat Jahweh, uw God, u zal schenken.
12پدر و مادر خود را احترام نما، تا روزهای تو درزمینی که یهوه خدایت به تو میبخشد، درازشود.
13Gij zult niet doden.
13قتل مکن.
14Gij zult geen overspel doen.
14زنا مکن.
15Gij zult niet stelen.
15دزدی مکن.
16Gij zult tegen uw naaste geen valse getuigenis afleggen.
16بر همسایه خود شهادت دروغ مده.
17Gij zult het huis van uw naaste niet begeren. Gij zult de vrouw van uw naaste niet begeren, noch zijn slaaf of slavin, zijn rund of zijn ezel, noch iets van wat uw naaste behoort.
17به خانه همسایه خود طمع مورز، و به زن همسایه ات وغلامش و کنیزش و گاوش و الاغش و به هیچچیزی که از آن همسایه تو باشد، طمع مکن.»
18Toen heel het volk de donderslagen en bliksemflitsen, het bazuingeschetter en de rokende berg gewaar werd, rilde het van angst, en bleef sidderend op een afstand staan.
18و جمیع قوم رعدها و زبانه های آتش وصدای کرنا و کوه را که پر از دود بود دیدند، وچون قوم این را بدیدند لرزیدند، و از دوربایستادند.
19En zij zeiden tot Moses: Spreek gij met ons, dan zullen wij luisteren; maar laat God niet met ons spreken, anders zullen wij sterven.
19و به موسی گفتند: «تو به ما سخن بگو و خواهیم شنید، اما خدا به ما نگوید، مبادابمیریم.»
20Maar Moses sprak tot het volk: Weest maar niet bang; want God is gekomen, om u voor de keuze te stellen, en u voor altijd zulk ontzag voor Hem in te prenten, dat ge niet zondigt.
20موسی به قوم گفت: «مترسید زیراخدا برای امتحان شما آمده است، تا ترس اوپیش روی شما باشد و گناه نکنید.»
21Terwijl dus het volk op een afstand bleef staan, trad Moses nader tot de donkere wolk, waar God in was.
21پس قوم ازدور ایستادند و موسی به ظلمت غلیظ که خدا درآن بود، نزدیک آمد.
22En Jahweh sprak tot Moses: Ge moet het volgende tot de kinderen Israëls zeggen: Gij hebt zelf gezien, hoe Ik uit de hemel tot u gesproken heb:
22و خداوند به موسی گفت: «به بنیاسرائیل چنین بگو: شما دیدید که ازآسمان به شما سخن گفتم:
23“Gij zult geen goden maken naast Mij, u geen afgoden maken van zilver of goud.”
23با من خدایان نقره مسازید و خدایان طلا برای خود مسازید.
24Ge moet een altaar van aarde voor Mij oprichten, en daarop uw brand(-) en vredeoffers opdragen, uw schapen en runderen, overal, waar Ik mijn Naam doe gedenken, waar Ik u zal verschijnen en u zal zegenen.
24مذبحی از خاک برای من بساز، و قربانی های سوختنی خود و هدایای سلامتی خود را از گله ورمه خویش بر آن بگذران، در هر جایی که یادگاری برای نام خود سازم، نزد تو خواهم آمد، و تو را برکت خواهم داد.
25Bouwt ge Mij echter een stenen altaar, dan moogt ge het niet optrekken van gehouwen stenen; want hebt ge ze met uw beitel bewerkt, dan hebt ge ze ontwijd.
25و اگر مذبحی ازسنگ برای من سازی، آن را از سنگهای تراشیده بنا مکن، زیرا اگر افزار خود را بر آن بلند کردی، آن را نجس خواهی ساخت.
26Ook moogt ge mijn altaar niet langs trappen beklimmen, om uw schaamte daarop niet te ontbloten.
26و بر مذبح من ازپلهها بالا مرو، مبادا عورت تو بر آن مکشوف شود.»
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.