Lucas 1
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Clementine Vulgate, 1598
1Daar reeds velen ondernomen hebben, een verhaal samen te stellen van de gebeurtenissen, die onder ons zijn geschied,
1Quoniam quidem multi conati sunt ordinare narrationem, quæ in nobis completæ sunt, rerum:
2en zoals ze ons door de eerste ooggetuigen en bedienaars van het Woord zijn overgeleverd,
2sicut tradiderunt nobis, qui ab initio ipsi viderunt, et ministri fuerunt sermonis:
3kwam het ook mij wenselijk voor, beste Teófilus, na alles, van de aanvang af, nauwkeurig te hebben onderzocht, het ordelijk voor u te beschrijven,
3visum est et mihi, assecuto omnia a principio diligenter, ex ordine tibi scribere, optime Theophile,
4om u de waarachtigheid te doen zien van de leer, waarin ge onderwezen zijt.
4ut cognoscas eorum verborum, de quibus eruditus es, veritatem.
5In de dagen van Herodes, koning van Judea, was er een priester Zakarias geheten, uit het priesterlijk geslacht van Abias; zijn vrouw behoorde tot de dochters van Aäron, en heette Elisabet.
5Fuit in diebus Herodis, regis Judææ, sacerdos quidam nomine Zacharias de vice Abia, et uxor illius de filiabus Aaron, et nomen ejus Elisabeth.
6Beiden waren rechtschapen in de ogen van God, en leefden onberispelijk in al de geboden en voorschriften van den Heer.
6Erant autem justi ambo ante Deum, incedentes in omnibus mandatis et justificationibus Domini sine querela.
7Ze hadden geen kinderen; want Elisabet was onvruchtbaar, en beiden waren reeds hoogbejaard.
7Et non erat illis filius, eo quod esset Elisabeth sterilis, et ambo processissent in diebus suis.
8Eens, dat zijn afdeling de beurt had, om de dienst voor God te verrichten,
8Factum est autem, cum sacerdotio fungeretur in ordine vicis suæ ante Deum,
9werd hij, zoals dit bij de priesters gebruikelijk was, door het lot aangewezen, om de tempel des Heren binnen te gaan en wierook te offeren.
9secundum consuetudinem sacerdotii, sorte exiit ut incensum poneret, ingressus in templum Domini:
10En al het volk stond buiten te bidden op het uur van het wierookoffer.
10et omnis multitudo populi erat orans foris hora incensi.
11Daar verscheen hem een engel des Heren, die rechts van het wierookaltaar stond.
11Apparuit autem illi angelus Domini, stans a dextris altaris incensi.
12Zakarias ontstelde bij dit gezicht, en beefde van angst.
12Et Zacharias turbatus est videns, et timor irruit super eum.
13Maar de engel sprak tot hem: Vrees niet, Zakarias, want uw gebed is verhoord; Elisabet, uw vrouw, zal u een zoon schenken, en ge zult hem Johannes noemen.
13Ait autem ad illum angelus: Ne timeas, Zacharia, quoniam exaudita est deprecatio tua: et uxor tua Elisabeth pariet tibi filium, et vocabis nomen ejus Joannem:
14Ge zult juichen en jubelen, en velen zullen zich over zijn geboorte verheugen.
14et erit gaudium tibi, et exsultatio, et multi in nativitate ejus gaudebunt:
15Want hij zal groot zijn voor den Heer; hij zal geen wijn drinken, noch sterke drank; en reeds van de schoot zijner moeder af zal hij worden vervuld van den Heiligen Geest.
15erit enim magnus coram Domino: et vinum et siceram non bibet, et Spiritu Sancto replebitur adhuc ex utero matris suæ:
16En vele kinderen van Israël zal hij bekeren tot den Heer hun God;
16et multos filiorum Israël convertet ad Dominum Deum ipsorum:
17hij zal voor Hem uitgaan met de geest en de macht van Elias, om de harten der vaders tot de kinderen terug te brengen, en de weerspannigen tot de gezindheid van rechtvaardigen, en den Heer een goedgestemd volk gaan bereiden.
17et ipse præcedet ante illum in spiritu et virtute Eliæ: ut convertat corda patrum in filios, et incredulos ad prudentiam justorum, parare Domino plebem perfectam.
18Maar Zakarias zei tot den engel: Waaraan zal ik dat erkennen? Want ik ben oud, en ook mijn vrouw is reeds op jaren.
18Et dixit Zacharias ad angelum: Unde hoc sciam? ego enim sum senex, et uxor mea processit in diebus suis.
19De engel antwoordde hem: Ik ben Gábriël; ik sta voor Gods aanschijn, en ben gezonden, om u toe te spreken, en u deze blijde boodschap te brengen.
19Et respondens angelus dixit ei: Ego sum Gabriel, qui asto ante Deum: et missus sum loqui ad te, et hæc tibi evangelizare.
20Zie, ge zult stom zijn en niet kunnen spreken, tot de dag waarop dit geschieden zal; omdat ge mijn woorden niet hebt geloofd, die te hunner tijd in vervulling zullen gaan.
20Et ecce eris tacens, et non poteris loqui usque in diem quo hæc fiant, pro eo quod non credidisti verbis meis, quæ implebuntur in tempore suo.
21Intussen stond het volk op Zakarias te wachten, en verwonderde zich er over, dat hij zolang in de tempel bleef.
21Et erat plebs exspectans Zachariam: et mirabantur quod tardaret ipse in templo.
22Maar toen hij buiten kwam, en niet tot hen kon spreken, begrepen ze, dat hij in de tempel een verschijning gezien had; wel maakte hij gebaren, maar hij bleef stom.
22Egressus autem non poterat loqui ad illos, et cognoverunt quod visionem vidisset in templo. Et ipse erat innuens illis, et permansit mutus.
23Toen zijn diensttijd voorbij was, ging hij naar huis.
23Et factum est, ut impleti sunt dies officii ejus, abiit in domum suam:
24Enige tijd later kwam zijn vrouw Elisabet in gezegende omstandigheden; ze verborg zich vijf maanden lang, en sprak:
24post hos autem dies concepit Elisabeth uxor ejus, et occultabat se mensibus quinque, dicens:
25Dit heeft de Heer voor mij gedaan, toen Hij neerzag, om mijn schande bij de mensen weg te nemen.
25Quia sic fecit mihi Dominus in diebus, quibus respexit auferre opprobrium meum inter homines.
26In de zesde maand werd de engel Gábriël door God naar een stad van Galilea gezonden, Názaret genaamd,
26In mense autem sexto, missus est angelus Gabriel a Deo in civitatem Galilææ, cui nomen Nazareth,
27tot een maagd, die verloofd was aan een man, die Josef heette, en uit het huis van David was; de naam van de maagd was Maria.
27ad virginem desponsatam viro, cui nomen erat Joseph, de domo David: et nomen virginis Maria.
28De engel trad bij haar binnen, en sprak: Wees gegroet, vol van genade. De Heer is met u; gij zijt de gezegende onder de vrouwen.
28Et ingressus angelus ad eam dixit: Ave gratia plena: Dominus tecum: benedicta tu in mulieribus.
29Ze verschrok van dit woord, en vroeg zich af, wat die groet kon beduiden.
29Quæ cum audisset, turbata est in sermone ejus, et cogitabat qualis esset ista salutatio.
30De engel zeide haar: Vrees niet, Maria, want gij hebt genade gevonden bij God.
30Et ait angelus ei: Ne timeas, Maria: invenisti enim gratiam apud Deum.
31Zie, gij zult in uw schoot ontvangen, en een Zoon baren; en gij zult Hem Jesus noemen.
31Ecce concipies in utero, et paries filium, et vocabis nomen ejus Jesum:
32Hij zal groot zijn, en Zoon van den Allerhoogste worden genoemd. God de Heer zal Hem de troon van zijn vader David geven; Hij zal koning zijn over het huis van Jakob in eeuwigheid,
32hic erit magnus, et Filius Altissimi vocabitur, et dabit illi Dominus Deus sedem David patris ejus: et regnabit in domo Jacob in æternum,
33en aan zijn koningschap zal geen einde komen.
33et regni ejus non erit finis.
34Maria sprak tot den engel: Hoe kan dit geschieden, daar ik geen man beken?
34Dixit autem Maria ad angelum: Quomodo fiet istud, quoniam virum non cognosco?
35De engel antwoordde haar: De Heilige Geest zal op u neerdalen, en de kracht van den Allerhoogste zal u overschaduwen; daarom ook zal wat uit u wordt geboren, heilig zijn, en de Zoon van God worden genoemd.
35Et respondens angelus dixit ei: Spiritus Sanctus superveniet in te, et virtus Altissimi obumbrabit tibi. Ideoque et quod nascetur ex te sanctum, vocabitur Filius Dei.
36Zie, uw bloedverwant Elisabet heeft ook een zoon ontvangen in haar ouderdom, en zij, die onvruchtbaar heette, is in haar zesde maand;
36Et ecce Elisabeth cognata tua, et ipsa concepit filium in senectute sua: et hic mensis sextus est illi, quæ vocatur sterilis:
37want niets is onmogelijk bij God.
37quia non erit impossibile apud Deum omne verbum.
38Nu sprak Maria: Zie de dienstmaagd des Heren; mij geschiede naar uw woord. En de engel ging van haar heen.
38Dixit autem Maria: Ecce ancilla Domini: fiat mihi secundum verbum tuum. Et discessit ab illa angelus.
39In die dagen ging Maria op weg, en spoedde zich het bergland in, naar een stad van Juda.
39Exsurgens autem Maria in diebus illis, abiit in montana cum festinatione, in civitatem Juda:
40Ze kwam in het huis van Zakarias, en begroette Elisabet.
40et intravit in domum Zachariæ, et salutavit Elisabeth.
41Toen Elisabet de groet van Maria vernam, sprong het kind op in haar schoot, en werd Elisabet van den Heiligen Geest vervuld.
41Et factum est, ut audivit salutationem Mariæ Elisabeth, exsultavit infans in utero ejus: et repleta est Spiritu Sancto Elisabeth:
42Met luider stem hief ze aan: Gij zijt de gezegende onder de vrouwen, en gezegend is de vrucht van uw schoot!
42et exclamavit voce magna, et dixit: Benedicta tu inter mulieres, et benedictus fructus ventris tui.
43Wat valt mij te beurt, dat de moeder van mijn Heer naar mij toekomt?
43Et unde hoc mihi, ut veniat mater Domini mei ad me?
44Want zie, zodra de klank van uw groet mij in de oren klonk, sprong het kind van vreugde op in mijn schoot.
44Ecce enim ut facta est vox salutationis tuæ in auribus meis, exsultavit in gaudio infans in utero meo.
45Zalig zij, die geloofd heeft; want wat haar namens den Heer is gezegd, zal worden vervuld.
45Et beata, quæ credidisti, quoniam perficientur ea, quæ dicta sunt tibi a Domino.
46Maria sprak: Mijn ziel prijst groot den Heer, Mijn geest jubelt van vreugde
46Et ait Maria: [Magnificat anima mea Dominum:
47In God, mijn Redder;
47et exsultavit spiritus meus in Deo salutari meo.
48Want Hij ziet op de geringheid neer van zijn dienstmaagd. Zie, van nu af prijzen mij zalig Alle geslachten;
48Quia respexit humilitatem ancillæ suæ: ecce enim ex hoc beatam me dicent omnes generationes,
49Want de Machtige heeft aan mij grote dingen gedaan: Zijn Naam is heilig!
49quia fecit mihi magna qui potens est: et sanctum nomen ejus,
50Zijn barmhartigheid reikt van geslacht tot geslacht Over hen, die Hem vrezen;
50et misericordia ejus a progenie in progenies timentibus eum.
51Hij toont de kracht van zijn arm, En slaat de trotsen van harte uiteen.
51Fecit potentiam in brachio suo: dispersit superbos mente cordis sui.
52De machtigen haalt Hij neer van de troon, Maar Hij verheft de geringen;
52Deposuit potentes de sede, et exaltavit humiles.
53Behoeftigen overlaadt Hij met gaven, En rijken zendt Hij ledig heen.
53Esurientes implevit bonis: et divites dimisit inanes.
54Hij heeft Zich over Israël, zijn dienaar, ontfermd; Zijn barmhartigheid indachtig:
54Suscepit Israël puerum suum, recordatus misericordiæ suæ:
55Zoals Hij tot onze vaderen sprak: Aan Abraham en zijn zaad voor altijd.
55sicut locutus est ad patres nostros, Abraham et semini ejus in sæcula.]
56Maria bleef ongeveer drie maanden bij haar; toen keerde ze terug naar huis.
56Mansit autem Maria cum illa quasi mensibus tribus: et reversa est in domum suam.
57Zo kwam voor Elisabet de tijd van haar moederschap, en ze baarde een zoon.
57Elisabeth autem impletum est tempus pariendi, et peperit filium.
58Haar buren en familie hoorden, dat de Heer haar grote barmhartigheid had betoond, en ze deelden in haar vreugde.
58Et audierunt vicini et cognati ejus quia magnificavit Dominus misericordiam suam cum illa, et congratulabantur ei.
59Op de achtste dag kwam men het kind besnijden, en men wilde het Zakarias noemen, naar de naam van zijn vader.
59Et factum est in die octavo, venerunt circumcidere puerum, et vocabant eum nomine patris sui Zachariam.
60Maar zijn moeder nam het woord en sprak: Neen, Johannes zal hij heten.
60Et respondens mater ejus, dixit: Nequaquam, sed vocabitur Joannes.
61Ze zeiden haar: Er is niemand in uw familie, die deze naam heeft.
61Et dixerunt ad illam: Quia nemo est in cognatione tua, qui vocetur hoc nomine.
62Nu gaven ze zijn vader een teken, hoe hij hem wilde noemen.
62Innuebant autem patri ejus, quem vellet vocari eum.
63Hij vroeg een schrijfbordje, en schreef: Zijn naam is Johannes. Allen waren er over verwonderd.
63Et postulans pugillarem scripsit, dicens: Joannes est nomen ejus. Et mirati sunt universi.
64Maar op hetzelfde ogenblik ging zijn mond en tong los; hij sprak, en zegende God.
64Apertum est autem illico os ejus, et lingua ejus, et loquebatur benedicens Deum.
65Al hun buren werden met ontzag vervuld, en in heel het bergland van Judea werden al deze dingen besproken.
65Et factus est timor super omnes vicinos eorum: et super omnia montana Judææ divulgabantur omnia verba hæc:
66Allen, die het hoorden, dachten er over na, en zeiden: Wat zal er toch worden van dat kind? Waarachtig, de hand des Heren was met hem!
66et posuerunt omnes qui audierant in corde suo, dicentes: Quis, putas, puer iste erit? etenim manus Domini erat cum illo.
67En zijn vader Zakarias, vervuld van den Heiligen Geest, profeteerde en sprak:
67Et Zacharias pater ejus repletus est Spiritu Sancto: et prophetavit, dicens:
68Geloofd zij de Heer, Israëls God! Want Hij heeft zijn volk bezocht en verlost,
68[Benedictus Dominus Deus Israël, quia visitavit, et fecit redemptionem plebis suæ:
69En ons een hoorn van redding verwekt In het huis van David, zijn dienaar.
69et erexit cornu salutis nobis in domo David pueri sui,
70Zoals Hij eeuwen geleden beloofd had Door de mond zijner heilige profeten:
70sicut locutum est per os sanctorum, qui a sæculo sunt, prophetarum ejus:
71Om ons redding te brengen van onze vijanden, En uit de hand van al, die ons haten.
71salutem ex inimicis nostris, et de manu omnium qui oderunt nos:
72Om Zich te ontfermen over onze vaderen, En zijn heilig Verbond te gedenken,
72ad faciendam misericordiam cum patribus nostris: et memorari testamenti sui sancti:
73De eed, die Hij zwoer, Aan Abraham, onzen vader.
73jusjurandum, quod juravit ad Abraham patrem nostrum, daturum se nobis
74Om ons te vergunnen, om zonder vrees, Uit de hand onzer vijanden verlost,
74ut sine timore, de manu inimicorum nostrorum liberati, serviamus illi
75Hem te dienen, vroom en rechtschapen, Voor zijn aanschijn al onze dagen.
75in sanctitate et justitia coram ipso, omnibus diebus nostris.
76En Gij nu, kleine knaap, Zult profeet van den Allerhoogste worden genoemd; Want ge zult uitgaan voor den Heer, Om zijn wegen te bereiden.
76Et tu puer, propheta Altissimi vocaberis: præibis enim ante faciem Domini parare vias ejus,
77Om zijn volk het heil te doen kennen In de vergiffenis zijner zonden,
77ad dandam scientiam salutis plebi ejus in remissionem peccatorum eorum
78Door de tedere ontferming van onzen God, Die ons de Dageraad uit den hoge zal brengen.
78per viscera misericordiæ Dei nostri, in quibus visitavit nos, oriens ex alto:
79Om te verlichten, die in duisternis zijn, En in de schaduw van de dood zijn gezeten; Om onze schreden te richten Naar de weg van de vrede.
79illuminare his qui in tenebris et in umbra mortis sedent: ad dirigendos pedes nostros in viam pacis.]
80En de knaap groeide op, en kreeg een krachtige geest. Hij bleef in de woestijn tot de dag, dat hij voor Israël zou optreden.
80Puer autem crescebat, et confortabatur spiritu: et erat in desertis usque in diem ostensionis suæ ad Israël.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.