Lucas 22
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Clementine Vulgate, 1598
1Intussen begon het feest der ongedesemde broden te naderen, dat Pasen heet.
1Appropinquabat autem dies festus azymorum, qui dicitur Pascha:
2En de opperpriesters en schriftgeleerden zochten naar een middel, om Hem te doden; want ze waren bang voor het volk.
2et quærebant principes sacerdotum, et scribæ, quomodo Jesum interficerent: timebant vero plebem.
3Toen voer de satan in Judas, Iskáriot geheten, een van het twaalftal;
3Intravit autem Satanas in Judam, qui cognominabatur Iscariotes, unum de duodecim:
4en hij ging met de opperpriesters en bevelhebbers overleggen, hoe hij Hem aan hen zou overleveren.
4et abiit, et locutus est cum principibus sacerdotum, et magistratibus, quemadmodum illum traderet eis.
5Ze waren verheugd, en kwamen overeen, hem geld te geven.
5Et gavisi sunt, et pacti sunt pecuniam illi dare.
6Hij stemde toe, en zocht dus naar een gelegenheid, om Hem zonder volksoploop aan hen over te leveren.
6Et spopondit, et quærebat opportunitatem ut traderet illum sine turbis.
7Toen nu de dag der ongedesemde broden was gekomen, waarop het Pascha moest worden geofferd,
7Venit autem dies azymorum, in qua necesse erat occidi pascha.
8stuurde Hij Petrus en Johannes heen, en zeide: Gaat voor ons het paasmaal bereiden, opdat we het eten.
8Et misit Petrum et Joannem, dicens: Euntes parate nobis pascha, ut manducemus.
9Ze zeiden Hem: Waar wilt Gij, dat we het bereiden?
9At illi dixerunt: Ubi vis paremus?
10Hij zei hun: Zie, als gij de stad binnengaat, zult gij een man tegenkomen, die een kruik water draagt; volgt hem in het huis, waar hij ingaat,
10Et dixit ad eos: Ecce introëuntibus vobis in civitatem occurret vobis homo quidam amphoram aquæ portans: sequimini eum in domum, in quam intrat,
11en zegt tot den heer des huizes: De Meester zegt u: Waar is de zaal, waar Ik met mijn leerlingen het paasmaal kan houden?
11et dicetis patrifamilias domus: Dicit tibi Magister: Ubi est diversorium, ubi pascha cum discipulis meis manducem?
12En hij zal u een grote opperzaal aanwijzen, van alles voorzien; maakt daar alles gereed.
12Et ipse ostendet vobis cœnaculum magnum stratum, et ibi parate.
13Ze gingen heen, en vonden het, zoals Hij het hun had gezegd; en ze maakten het paasmaal gereed.
13Euntes autem invenerunt sicut dixit illis, et paraverunt pascha.
14Op de vastgestelde tijd ging Hij aanliggen aan tafel, en de twaalf apostelen met Hem.
14Et cum facta esset hora, discubuit, et duodecim apostoli cum eo.
15En Hij sprak tot hen: Vurig heb Ik verlangd, eer Ik ga lijden, dit paasmaal met u te eten.
15Et ait illis: Desiderio desideravi hoc pascha manducare vobiscum, antequam patiar.
16Want Ik zeg u, dat Ik het niet meer zal eten, vóór het zijn vervulling bereikt in het koninkrijk Gods.
16Dico enim vobis, quia ex hoc non manducabo illud, donec impleatur in regno Dei.
17Toen nam Hij een kelk, sprak het dankgebed uit, en zeide: Neemt en verdeelt hem onder elkander.
17Et accepto calice gratias egit, et dixit: Accipite, et dividite inter vos.
18Want Ik zeg u: Van nu af aan zal Ik de vrucht van de wijnstok niet meer drinken, totdat het koninkrijk Gods is gekomen.
18Dico enim vobis quod non bibam de generatione vitis donec regnum Dei veniat.
19Toen nam Hij brood, sprak een dankgebed uit, brak het, gaf het hun, en sprak: Dit is mijn lichaam, dat voor u wordt overgeleverd; doet dit tot mijne gedachtenis.
19Et accepto pane gratias egit, et fregit, et dedit eis, dicens: Hoc est corpus meum, quod pro vobis datur: hoc facite in meam commemorationem.
20Zo ook de kelk, na het avondmaal; en Hij sprak: Deze kelk is het Nieuwe Verbond in mijn bloed, dat voor u wordt vergoten.
20Similiter et calicem, postquam cœnavit, dicens: Hic est calix novum testamentum in sanguine meo, qui pro vobis fundetur.
21Zie, de hand van hem, die Mij verraadt, is met Mij op de tafel.
21Verumtamen ecce manus tradentis me, mecum est in mensa.
22De Mensenzoon gaat wel heen, zoals het is vastgesteld; maar wee dien mens, door wien Hij wordt verraden.
22Et quidem Filius hominis, secundum quod definitum est, vadit: verumtamen væ homini illi per quem tradetur.
23Toen begonnen ze onder elkander te vragen, wie van hen het toch zijn kon, die dat zou doen.
23Et ipsi cœperunt quærere inter se quis esset ex eis qui hoc facturus esset.
24Nog ontstond er een twist onder hen, wie van hen als de eerste gold.
24Facta est autem et contentio inter eos, quis eorum videretur esse major.
25Maar Hij zeide hun: De koningen der volken heersen over hen, en die het gezag over hen voeren, laten zich weldoeners noemen.
25Dixit autem eis: Reges gentium dominantur eorum: et qui potestatem habent super eos, benefici vocantur.
26Zo moet het niet zijn onder u; maar de grootste onder u moet als de jongste zijn, en wie aan het hoofd staat, als een die dient!
26Vos autem non sic: sed qui major est in vobis, fiat sicut minor: et qui præcessor est, sicut ministrator.
27Wie toch is groter: hij die aan tafel ligt, of hij die bedient? Is het niet, die aan tafel ligt? Welnu, Ik ben onder u als de dienaar.
27Nam quis major est, qui recumbit, an qui ministrat? nonne qui recumbit? Ego autem in medio vestrum sum, sicut qui ministrat:
28Gij zijt Mij trouw gebleven bij mijn beproevingen.
28vos autem estis, qui permansistis mecum in tentationibus meis.
29Daarom verleen Ik u het koninkrijk, zoals mijn Vader het Mij heeft verleend:
29Et ego dispono vobis sicut disposuit mihi Pater meus regnum,
30dat gij in mijn koninkrijk aan mijn tafel moogt eten en drinken, en op tronen moogt zetelen, om de twaalf stammen van Israël te oordelen.
30ut edatis et bibatis super mensam meam in regno meo, et sedeatis super thronos judicantes duodecim tribus Israël.
31Simon, Simon, zie, de satan heeft u allen willen ziften als tarwe.
31Ait autem Dominus: Simon, Simon, ecce Satanas expetivit vos ut cribraret sicut triticum:
32Maar Ik heb voor u gebeden, dat uw geloof niet zou bezwijken; en gij, wanneer ge u bekeerd hebt, bevestig dan uw broeders.
32ego autem rogavi pro te ut non deficiat fides tua: et tu aliquando conversus, confirma fratres tuos.
33Hij zei Hem: Heer, ik ben bereid, met U zelfs kerker en dood in te gaan.
33Qui dixit ei: Domine, tecum paratus sum et in carcerem et in mortem ire.
34Maar Hij sprak: Ik zeg u, Petrus, de haan zal heden niet kraaien, voordat ge driemaal geloochend hebt, Mij te kennen.
34At ille dixit: Dico tibi, Petre, non cantabit hodie gallus, donec ter abneges nosse me. Et dixit eis:
35Nog sprak Hij tot hen: Toen Ik u uitzond zonder beurs en reiszak en sandalen, heeft het u toen aan iets ontbroken? Ze zeiden: Aan niets.
35Quando misi vos sine sacculo, et pera, et calceamentis, numquid aliquid defuit vobis?
36Hij ging voort: Maar nu, wie een beurs heeft, moet ze meenemen, en ook zijn reiszak; en wie geen zwaard heeft, moet zijn mantel verkopen en er een kopen.
36At illi dixerunt: Nihil. Dixit ergo eis: Sed nunc qui habet sacculum, tollat; similiter et peram: et qui non habet, vendat tunicam suam et emat gladium.
37Want Ik zeg u: Ook dit Schriftwoord moet aan Mij worden vervuld: “En Hij is onder de misdadigers gerekend”. Ja, wat over Mij is gezegd, is zijn vervulling nabij.
37Dico enim vobis, quoniam adhuc hoc quod scriptum est, oportet impleri in me: Et cum iniquis deputatus est. Etenim ea quæ sunt de me finem habent.
38Ze zeiden: Heer, zie, hier zijn twee zwaarden. Hij zei hun: Genoeg.
38At illi dixerunt: Domine, ecce duo gladii hic. At ille dixit eis: Satis est.
39Nu ging Hij naar buiten, en begaf Zich volgens gewoonte naar de Olijfberg; ook zijn leerlingen gingen met Hem mee.
39Et egressus ibat secundum consuetudinem in monte Olivarum. Secuti sunt autem illum et discipuli.
40Daar aangekomen, sprak Hij tot hen: Bidt, dat gij niet in bekoring komt.
40Et cum pervenisset ad locum, dixit illis: Orate ne intretis in tentationem.
41Hij verwijderde Zich van hen ongeveer een steenworp ver, viel op zijn knieën neer,
41Et ipse avulsus est ab eis quantum jactus est lapidis: et positis genibus orabat,
42en bad: Vader, indien het uw wil is, neem deze kelk van Mij weg. Neen, niet mijn wil geschiede, maar de uwe.
42dicens: Pater, si vis, transfer calicem istum a me: verumtamen non mea voluntas, sed tua fiat.
43Toen verscheen Hem een engel uit de hemel, die Hem sterkte.
43Apparuit autem illi angelus de cælo, confortans eum. Et factus in agonia, prolixius orabat.
44En door doodsangst bevangen, bad Hij nog vuriger, en zijn zweet droop als bloeddruppels neer op de grond.
44Et factus est sudor ejus sicut guttæ sanguinis decurrentis in terram.
45Toen Hij opstond van zijn gebed, en naar de leerlingen ging, vond Hij ze van droefheid in slaap.
45Et cum surrexisset ab oratione et venisset ad discipulos suos, invenit eos dormientes præ tristitia.
46Hij zeide hun: Hoe kunt gij slapen? Staat op, en bidt, dat gij niet in bekoring komt.
46Et ait illis: Quid dormitis? surgite, orate, ne intretis in tentationem.
47Terwijl Hij nog sprak, zie daar kwam een bende aan; en één van de twaalf, Judas genaamd, ging voor hen uit, en trad op Jesus toe, om Hem te kussen.
47Adhuc eo loquente, ecce turba: et qui vocabatur Judas, unus de duodecim, antecedebat eos, et appropinquavit Jesu ut oscularetur eum.
48Jesus zei hem: Judas, verraadt ge den Mensenzoon met een kus?
48Jesus autem dixit illi: Juda, osculo Filium hominis tradis?
49Toen zij, die bij Hem waren, zagen wat er gebeuren ging, zeiden ze Hem: Heer, willen we met het zwaard er op inslaan?
49Videntes autem hi qui circa ipsum erant, quod futurum erat, dixerunt ei: Domine, si percutimus in gladio?
50En één van hen trof den knecht van den hogepriester, en sloeg hem het rechteroor af.
50Et percussit unus ex illis servum principis sacerdotum, et amputavit auriculam ejus dexteram.
51Maar Jesus gaf ten antwoord: Houdt op; genoeg! Hij raakte het oor aan, en genas het.
51Respondens autem Jesus, ait: Sinite usque huc. Et cum tetigisset auriculam ejus, sanavit eum.
52Nu sprak Jesus tot de opperpriesters, de bevelhebbers van de tempel en de oudsten, die op Hem waren afgekomen: Gij zijt uitgetrokken als tegen een rover, met zwaarden en stokken.
52Dixit autem Jesus ad eos qui venerant ad se principes sacerdotum, et magistratus templi, et seniores: Quasi ad latronem existis cum gladiis et fustibus?
53Dag aan dag was Ik bij u in de tempel, en gij hebt geen hand naar Mij uitgestoken. Maar dit is uw uur, en dit is de macht der duisternis.
53Cum quotidie vobiscum fuerim in templo, non extendistis manus in me: sed hæc est hora vestra, et potestas tenebrarum.
54Toen namen ze Hem gevangen, en voerden Hem weg naar het huis van den hogepriester, terwijl Petrus van verre bleef volgen.
54Comprehendentes autem eum, duxerunt ad domum principis sacerdotum: Petrus vero sequebatur a longe.
55Toen ze nu op de binnenhof vuur hadden ontstoken, en er omheen waren gaan zitten, nam ook Petrus onder hen plaats.
55Accenso autem igne in medio atrii et circumsedentibus illis, erat Petrus in medio eorum.
56Een der dienstmeisjes zag hem in het licht zitten; ze keek hem aan, en zeide: Ook deze hier was bij Hem.
56Quem cum vidisset ancilla quædam sedentem ad lumen, et eum fuisset intuita, dixit: Et hic cum illo erat.
57Maar hij loochende het, en sprak: Vrouw, ik ken Hem niet.
57At ille negavit eum, dicens: Mulier, non novi illum.
58Kort daarop zag hem iemand anders, en zeide: Ook gij zijt een van hen. Maar Petrus sprak: Neen man; dat ben ik niet.
58Et post pusillum alius videns eum, dixit: Et tu de illis es. Petrus vero ait: O homo, non sum.
59Ongeveer een uur later verzekerde een ander: Ja toch; ook deze hier was met Hem; want ook hij is een Galileër.
59Et intervallo facto quasi horæ unius, alius quidam affirmabat, dicens: Vere et hic cum illo erat: nam et Galilæus est.
60Petrus sprak: Man, ik begrijp niet, wat ge zegt. Op hetzelfde ogenblik, terwijl hij nog sprak, kraaide een haan.
60Et ait Petrus: Homo, nescio quid dicis. Et continuo, adhuc illo loquente, cantavit gallus.
61En de Heer keerde Zich om, en zag Petrus aan. Toen dacht Petrus aan het woord van den Heer, en hoe Hij hem had gezegd: Eer de haan kraait, zult ge Mij driemaal verloochenen.
61Et conversus Dominus respexit Petrum, et recordatus est Petrus verbi Domini, sicut dixerat: Quia priusquam gallus cantet, ter me negabis.
62En hij ging naar buiten, en weende bitter.
62Et egressus foras Petrus flevit amare.
63De mannen, die Jesus bewaakten, bespotten en mishandelden Hem:
63Et viri qui tenebant illum, illudebant ei, cædentes.
64ze blinddoekten Hem, en vroegen Hem dan: Profeteer, wie U geslagen heeft?
64Et velaverunt eum, et percutiebant faciem ejus: et interrogabant eum, dicentes: Prophetiza, quis est, qui te percussit?
65En ze beten Hem veel andere scheldwoorden toe.
65Et alia multa blasphemantes dicebant in eum.
66Toen het dag was geworden, kwam de Raad van het volk, opperpriesters en schriftgeleerden bijeen; ze lieten Hem voor hun rechtbank brengen, en zeiden: Zo Gij de Christus zijt, zeg het ons dan.
66Et ut factus est dies, convenerunt seniores plebis, et principes sacerdotum, et scribæ, et duxerunt illum in concilium suum, dicentes: Si tu es Christus, dic nobis.
67Hij sprak tot hen: Wanneer Ik u iets zeg, gelooft gij het niet;
67Et ait illis: Si vobis dixero, non credetis mihi:
68en wanneer Ik u iets vraag, dan antwoordt gij niet.
68si autem et interrogavero, non respondebitis mihi, neque dimittetis.
69Maar van nu af aan zal de Mensenzoon zijn gezeten aan de rechterhand van de kracht Gods.
69Ex hoc autem erit Filius hominis sedens a dextris virtutis Dei.
70Nu zeiden allen: Gij zijt dus de Zoon van God? Hij sprak tot hen: Gij zegt het; Ik ben het.
70Dixerunt autem omnes: Tu ergo es Filius Dei? Qui ait: Vos dicitis, quia ego sum.
71Toen zeiden ze: Wat hebben we nog getuigenis nodig? We hebben het zelf uit zijn eigen mond gehoord.
71At illi dixerunt: Quid adhuc desideramus testimonium? ipsi enim audivimus de ore ejus.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.