Lucas 3
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Clementine Vulgate, 1598
1In het vijftiende regeringsjaar van keizer Tiberius, toen Pontius Pilatus landvoogd was van Judea, Herodes viervorst van Galilea, zijn broer Filippus viervorst van Iturea en het gewest Trachonitis, en Lusánias viervorst van Abilene.
1Anno autem quintodecimo imperii Tiberii Cæsaris, procurante Pontio Pilato Judæam, tetrarcha autem Galiææ Herode, Philippo autem fratre ejus tetrarcha Iturææ, et Trachonitidis regionis, et Lysania Abilinæ tetrarcha,
2onder den hogepriester Annas en Káifas, kwam Gods woord tot Johannes, den zoon van Zakarias, in de woestijn.
2sub principibus sacerdotum Anna et Caipha: factum est verbum Domini super Joannem, Zachariæ filium, in deserto.
3Toen trad hij op in heel de omtrek van de Jordaan, en preekte een doopsel van boetvaardigheid tot vergiffenis der zonden;
3Et venit in omnem regionem Jordanis, prædicans baptismum pœnitentiæ in remissionem peccatorum,
4zoals geschreven staat in het boek der voorspellingen van den profeet Isaias: De stem van een roepende in de woestijn. Bereidt de weg des Heren, Maakt recht zijn paden.
4sicut scriptum est in libro sermonum Isaiæ prophetæ: [Vox clamantis in deserto: Parate viam Domini; rectas facite semitas ejus:
5Elk ravijn zal worden gedempt, Iedere berg en heuvel worden geslecht; De kronkelpaden zullen recht, De oneffene wegen effen worden.
5omnis vallis implebitur, et omnis mons, et collis humiliabitur: et erunt prava in directa, et aspera in vias planas:
6En alle vlees zal zien Gods heil.
6et videbit omnis caro salutare Dei.]
7Hij sprak dus tot de scharen, die uitliepen, om door hem te worden gedoopt: Adderenbroed, wie heeft u geleerd, de komende wraak te ontvluchten?
7Dicebat ergo ad turbas quæ exibant ut baptizarentur ab ipso: Genimina viperarum, quis ostendit vobis fugere a ventura ira?
8Brengt dus waardige vruchten van boetvaardigheid voort: en gaat niet zeggen bij uzelf: We hebben Abraham tot vader. Want ik zeg u, dat God de macht heeft, om uit deze stenen voor Abraham kinderen te verwekken.
8Facite ergo fructus dignos pœnitentiæ, et ne cœperitis dicere: Patrem habemus Abraham. Dico enim vobis quia potens est Deus de lapidibus istis suscitare filios Abrahæ.
9Reeds ligt de bijl aan de wortel der bomen. Iedere boom, die geen goede vruchten draagt, wordt omgehouwen, en in het vuur geworpen.
9Jam enim securis ad radicem arborum posita est. Omnis ergo arbor non faciens fructum bonum, excidetur, et in ignem mittetur.
10Het volk ondervroeg hem en sprak: Wat moeten we doen?
10Et interrogabant eum turbæ, dicentes: Quid ergo faciemus?
11Hij gaf hun ten antwoord: Wie twee paar kleren heeft, moet delen met hem, die er geen heeft; en wie te eten heeft, moet hetzelfde doen.
11Respondens autem dicebat illis: Qui habet duas tunicas, det non habenti: et qui habet escas, similiter faciat.
12Ook tollenaars kwamen ten doop, en zeiden hem: Meester, wat moeten wij doen?
12Venerunt autem et publicani ut baptizarentur, et dixerunt ad illum: Magister, quid faciemus?
13Hij zei hun: Vordert niet meer, dan wat is vastgesteld.
13At ille dixit ad eos: Nihil amplius, quam quod constitutum est vobis, faciatis.
14Ook soldaten ondervroegen hem, en zeiden: En wij, wat moeten wij doen? Hij zei hun: Doet niemand overlast aan, maakt u niet aan afpersing schuldig, en weest tevreden met uw soldij.
14Interrogabant autem eum et milites, dicentes: Quid faciemus et nos? Et ait illis: Neminem concutiatis, neque calumniam faciatis: et contenti estote stipendiis vestris.
15Maar toen het volk in spanning kwam, en allen zich begonnen af te vragen, of Johannes misschien de Christus kon zijn.
15Existimante autem populo, et cogitantibus omnibus in cordibus suis de Joanne, ne forte ipse esset Christus,
16verklaarde Johannes aan allen: Ik voor mij doop u met water, maar er komt er Een, die machtiger is dan ik: ik ben niet waardig, zijn schoenriem los te maken. Hij zal u dopen met den Heiligen Geest en met vuur.
16respondit Joannes, dicens omnibus: Ego quidem aqua baptizo vos: veniet autem fortior me, cujus non sum dignus solvere corrigiam calceamentorum ejus: ipse vos baptizabit in Spiritu Sancto et igni:
17Hij heeft zijn wan in de hand, en Hij zal zijn dorsvloer zuiveren: de tarwe verzamelen in zijn schuur, maar het kaf verbranden in onuitblusbaar vuur.
17cujus ventilabrum in manu ejus, et purgabit aream suam, et congregabit triticum in horreum suum, paleas autem comburet igni inextinguibili.
18Zo bracht hij, met nog veel andere vermaningen, de blijde boodschap aan het volk.
18Multa quidem et alia exhortans evangelizabat populo.
19Maar toen de viervorst Herodes door hem werd berispt naar aanleiding van Heródias, de vrouw van zijn broer, en over al de misdaden die hij had bedreven,
19Herodes autem tetrarcha cum corriperetur ab illo de Herodiade uxore fratris sui, et de omnibus malis quæ fecit Herodes,
20voegde Herodes nog dit er aan toe, dat hij Johannes in de kerker sloot.
20adjecit et hoc super omnia, et inclusit Joannem in carcere.
21Toen nu al het volk zich liet dopen, en ook Jesus gedoopt was, ging eensklaps, terwijl Hij aan het bidden was, de hemel open,
21Factum est autem cum baptizaretur omnis populus, et Jesu baptizato, et orante, apertum est cælum:
22en daalde de Heilige Geest in lichamelijke gedaante als een duif op Hem neer. En er klonk een stem uit de hemel: Gij zijt mijn welbeminde Zoon; in U heb Ik welbehagen.
22et descendit Spiritus Sanctus corporali specie sicut columba in ipsum: et vox de cælo facta est: Tu es filius meus dilectus, in te complacui mihi.
23Toen Jesus optrad, was Hij ongeveer dertig jaar oud. Hij was, naar men meende, de zoon van Josef, den zoon van Eli,
23Et ipse Jesus erat incipiens quasi annorum triginta, ut putabatur, filius Joseph, qui fuit Heli, qui fuit Mathat,
24zoon van Mattat, zoon van Levi, zoon van Melki, zoon van Jannai, zoon van Josef,
24qui fuit Levi, qui fuit Melchi, qui fuit Janne, qui fuit Joseph,
25zoon van Mattatias, zoon van Amos, zoon van Naóem, zoon van Esli, zoon van Naggai,
25qui fuit Mathathiæ, qui fuit Amos, qui fuit Nahum, qui fuit Hesli, qui fuit Nagge,
26zoon van Maät, zoon van Mattatias, zoon van Semëín, zoon van Josef, zoon van Juda,
26qui fuit Mahath, qui fuit Mathathiæ, qui fuit Semei, qui fuit Joseph, qui fuit Juda,
27zoon van Jóannan, zoon van Resa, zoon van Zoróbabel, zoon van Salátiël, zoon van Neri,
27qui fuit Joanna, qui fuit Resa, qui fuit Zorobabel, qui fuit Salatheil, qui fuit Neri,
28zoon van Melki, zoon van Addi, zoon van Kosam, zoon van Elmadám, zoon van Er,
28qui fuit Melchi, qui fuit Addi, qui fuit Cosan, qui fuit Elmadan, qui fuit Her,
29zoon van Jesus, zoon van Eliëzer, zoon van Joram, zoon van Mattat, zoon van Levi,
29qui fuit Jesu, qui fuit Eliezer, qui fuit Jorim, qui fuit Mathat, qui fuit Levi,
30zoon van Simeon, zoon van Juda, zoon van Josef, zoon van Jonam, zoon van Eljakim,
30qui fuit Simeon, qui fuit Juda, qui fuit Joseph, qui fuit Jona, qui fuit Eliakim,
31zoon van Mélea, zoon van Menna, zoon van Máttata, zoon van Natan, zoon van David,
31qui fuit Melea, qui fuit Menna, qui fuit Mathatha, qui fuit Natham, qui fuit David,
32zoon van Jesse, zoon van Obed, zoon van Boöz, zoon van Salmon, zoon van Naässon,
32qui fuit Jesse, qui fuit Obed, qui fuit Booz, qui fuit Salmon, qui fuit Naasson,
33zoon van Ammínadab, zoon van Admin, zoon van Arni, zoon van Esron, zoon van Fares, zoon van Juda,
33qui fuit Aminadab, qui fuit Aram, qui fuit Esron, qui fuit Phares, qui fuit Judæ,
34zoon van Jakob, zoon van Isaäk, zoon van Abraham, zoon van Tara, zoon van Nachor,
34qui fuit Jacob, qui fuit Isaac, qui fuit Abrahæ, qui fuit Thare, qui fuit Nachor,
35zoon van Seróeg, zoon van Ragaóe, zoon van Paleg, zoon van Eber, zoon van Sala,
35qui fuit Sarug, qui fuit Ragau, qui fuit Phaleg, qui fuit Heber, qui fuit Sale,
36zoon van Kaïnán, zoon van Arpaksád, zoon van Sem, zoon van Noë, zoon van Lamek,
36qui fuit Cainan, qui fuit Arphaxad, qui fuit Sem, qui fuit Noë, qui fuit Lamech,
37zoon van Matóesala, zoon van Henok, zoon van Jared, zoon van Maláleël, zoon van Kaïnán,
37qui fuit Methusale, qui fuit Henoch, qui fuit Jared, qui fuit Malaleel, qui fuit Cainan,
38zoon van Enos, zoon van Set, zoon van Adam, zoon van God.
38qui fuit Henos, qui fuit Seth, qui fuit Adam, qui fuit Dei.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.