Lucas 17
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Clementine Vulgate, 1598
1Nog sprak Hij tot zijn leerlingen: Het is onvermijdelijk, dat er ergernissen komen; maar wee hem, door wien ze komen.
1Et ait ad discipulos suos: Impossibile est ut non veniant scandala: væ autem illi per quem veniunt.
2Het ware hem beter, dat hem een molensteen om de hals werd gehangen, en hij zó in de zee werd geworpen, dan dat hij aan een dezer kleinen ergernis geeft.
2Utilius est illi si lapis molaris imponatur circa collum ejus, et projiciatur in mare quam ut scandalizet unum de pusillis istis.
3Neemt u in acht. Als uw broeder zondigt, berisp hem; en als hij tot inkeer komt, vergeef hem.
3Attendite vobis: Si peccaverit in te frater tuus, increpa illum: et si pœnitentiam egerit, dimitte illi.
4En als hij zevenmaal daags tegen u misdoet en zevenmaal tot u terugkeert, en zegt: Het spijt me: dan moet ge hem vergeven.
4Et si septies in die peccaverit in te, et septies in die conversus fuerit ad te, dicens: Pœnitet me, dimitte illi.
5En de apostelen zeiden tot den Heer: Vermeerder ons geloof.
5Et dixerunt apostoli Domino: Adauge nobis fidem.
6En de Heer sprak: Zo gij een geloof hadt als een mosterdzaadje, dan zoudt gij tot deze moerbei zeggen: Trek uw wortels uit, en plant u in zee; en hij zou u gehoorzamen.
6Dixit autem Dominus: Si habueritis fidem sicut granum sinapis, dicetis huic arbori moro: Eradicare, et transplantare in mare, et obediet vobis.
7Wie van u, die een knecht heeft, ploeger of veehoeder, zal tot hem zeggen. als hij thuis komt van het veld: Kom gauw hier aan tafel?
7Quis autem vestrum habens servum arantem aut pascentem, qui regresso de agro dicat illi: Statim transi, recumbe:
8Neen; zal hij niet tot hem zeggen: Maak mijn eten klaar; omgord u, en bedien me, totdat ik klaar ben met eten en drinken; daarna kunt ge zelf eten en drinken?
8et non dicat ei: Para quod cœnem, et præcinge te, et ministra mihi donec manducem, et bibam, et post hæc tu manducabis, et bibes?
9Is hij den knecht soms dankbaar, omdat hij deed wat bevolen was?
9Numquid gratiam habet servo illi, quia fecit quæ ei imperaverat?
10Zo moet ook gij, wanneer gij alles gedaan hebt wat u bevolen is, nog zeggen: We zijn onnutte knechten; we hebben alleen maar gedaan, wat we moesten doen.
10non puto. Sic et vos cum feceritis omnia quæ præcepta sunt vobis, dicite: Servi inutiles sumus: quod debuimus facere, fecimus.
11Op zijn reis naar Jerusalem trok Hij langs de grens van Samaria en Galilea heen.
11Et factum est, dum iret in Jerusalem, transibat per mediam Samariam et Galilæam.
12Toen Hij zeker dorp binnenging, kwamen Hem tien melaatsen tegemoet. Ze bleven op een afstand staan,
12Et cum ingrederetur quoddam castellum, occurrerunt ei decem viri leprosi, qui steterunt a longe:
13en riepen luid: Jesus, Meester, ontferm U onzer.
13et levaverunt vocem, dicentes: Jesu præceptor, miserere nostri.
14Toen Hij ze zag, zei Hij hun: Gaat heen, vertoont u aan de priesters. En terwijl ze er heen gingen, werden ze rein.
14Quos ut vidit, dixit: Ite, ostendite vos sacerdotibus. Et factum est, dum irent, mundati sunt.
15Eén van hen keerde terug, zodra hij zich genezen zag. Met luider stem verheerlijkte hij God;
15Unus autem ex illis, ut vidit quia mundatus est, regressus est, cum magna voce magnificans Deum,
16en hij viel op zijn aangezicht neer voor zijn voeten, en dankte Hem: en dat was een Samaritaan.
16et cecidit in faciem ante pedes ejus, gratias agens: et hic erat Samaritanus.
17Nu nam Jesus het woord, en sprak: Zijn er geen tien gereinigd? Waar zijn de negen anderen?
17Respondens autem Jesus, dixit: Nonne decem mundati sunt? et novem ubi sunt?
18Heeft men niemand anders terug zien keren, om eer te brengen aan God, dan dezen vreemdeling alleen?
18Non est inventus qui rediret, et daret gloriam Deo, nisi hic alienigena.
19En Hij zeide tot hem: Sta op, en ga heen; uw geloof heeft u gered.
19Et ait illi: Surge, vade: quia fides tua te salvum fecit.
20De farizeën vroegen Hem: Wanneer komt het koninkrijk Gods? Hij gaf hun ten antwoord: Het koninkrijk Gods komt zonder opzien te verwekken.
20Interrogatus autem a pharisæis: Quando venit regnum Dei? respondens eis, dixit: Non venit regnum Dei cum observatione:
21Men zal niet zeggen: Zie, hier is het; zie, daar is het. Want zie, het koninkrijk Gods is midden onder u.
21neque dicent: Ecce hic, aut ecce illic. Ecce enim regnum Dei intra vos est.
22Nu sprak Hij tot zijn leerlingen: Er zullen dagen komen, dat gij zult wensen, één der dagen van den Mensenzoon te zien; en gij zult Hem niet zien.
22Et ait ad discipulos suos: Venient dies quando desideretis videre unum diem Filii hominis, et non videbitis.
23Men zal tot u zeggen: Zie, ginds is Hij; zie, hier is Hij. Gaat er niet heen, en loopt niemand na.
23Et dicent vobis: Ecce hic, et ecce illic. Nolite ire, neque sectemini:
24Want zoals de bliksem flikkert, en van de ene kant van de hemel naar de andere flitst, zó zal de Mensenzoon er zijn op zijn dag.
24nam, sicut fulgur coruscans de sub cælo in ea quæ sub cælo sunt, fulget: ita erit Filius hominis in die sua.
25Maar eerst moet Hij veel lijden, en verworpen worden door dit geslacht.
25Primum autem oportet illum multa pati, et reprobari a generatione hac.
26En zoals het was in de dagen van Noë, zo zal het ook in de dagen van den Mensenzoon zijn.
26Et sicut factum est in diebus Noë, ita erit et in diebus Filii hominis:
27Men at en dronk, huwde en huwde uit, tot op de dag, dat Noë de ark binnentrad, en de zondvloed kwam en allen verzwolg.
27edebant et bibebant: uxores ducebant et dabantur ad nuptias, usque in diem, qua intravit Noë in arcam: et venit diluvium, et perdidit omnes.
28Of zoals het was in de dagen van Lot: men at en dronk, kocht en verkocht, plantte en bouwde.
28Similiter sicut factum est in diebus Lot: edebant et bibebant, emebant et vendebant, plantabant et ædificabant:
29Maar op de dag, dat Lot uit Sódoma ging, liet God het vuur en zwavel uit de hemel regenen, en verdelgde allen.
29qua die autem exiit Lot a Sodomis, pluit ignem et sulphur de cælo, et omnes perdidit:
30Zo zal het ook gaan op de dag, waarop de Mensenzoon verschijnt.
30secundum hæc erit qua die Filius hominis revelabitur.
31Wie die dag op het dakterras is en zijn meubels in huis heeft hij dale niet af, om ze mee te nemen; en wie op het veld is, kere niet terug.
31In illa hora, qui fuerit in tecto, et vasa ejus in domo, ne descendat tollere illa: et qui in agro, similiter non redeat retro.
32Denkt aan de vrouw van Lot.
32Memores estote uxoris Lot.
33Wie zijn leven tracht te redden, zal het verliezen; en wie het verliest, zal het behouden.
33Quicumque quæsierit animam suam salvam facere, perdet illam: et quicumque perdiderit illam, vivificabit eam.
34Ik zeg u: In die nacht zullen er twee op één bed liggen: de een wordt opgenomen, de ander achtergelaten;
34Dico vobis: In illa nocte erunt duo in lecto uno: unus assumetur, et alter relinquetur:
35twee zullen er niet de handmolen malen: de een wordt opgenomen, de ander achtergelaten;
35duæ erunt molentes in unum: una assumetur, et altera relinquetur: duo in agro: unus assumetur, et alter relinquetur.
36-
36Respondentes dicunt illi: Ubi Domine?
37Ze antwoordden Hem: Waar, Heer? Hij zei hun: Waar het aas ligt, daar zullen zich ook de gieren verzamelen.
37Qui dixit illis: Ubicumque fuerit corpus, illuc congregabuntur et aquilæ.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.