Lucas 17
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Diodati Bibbia 1885
1Nog sprak Hij tot zijn leerlingen: Het is onvermijdelijk, dat er ergernissen komen; maar wee hem, door wien ze komen.
1OR egli disse a' suoi discepoli: Egli è impossibile che non avvengano scandali; ma, guai a colui per cui avvengono!
2Het ware hem beter, dat hem een molensteen om de hals werd gehangen, en hij zó in de zee werd geworpen, dan dat hij aan een dezer kleinen ergernis geeft.
2Meglio per lui sarebbe che una macina d'asino gli fosse appiccata al collo, e che fosse gettato nel mare, che di scandalezzare uno di questi piccoli.
3Neemt u in acht. Als uw broeder zondigt, berisp hem; en als hij tot inkeer komt, vergeef hem.
3Prendete guardia a voi. Ora, se il tuo fratello ha peccato contro a te, riprendilo; e se si pente, perdonagli.
4En als hij zevenmaal daags tegen u misdoet en zevenmaal tot u terugkeert, en zegt: Het spijt me: dan moet ge hem vergeven.
4E benchè sette volte il dì pecchi contro a te, se sette volte il dì ritorna a te, dicendo: Io mi pento, perdonagli.
5En de apostelen zeiden tot den Heer: Vermeerder ons geloof.
5Allora gli apostoli dissero al Signore: Accrescici la fede.
6En de Heer sprak: Zo gij een geloof hadt als een mosterdzaadje, dan zoudt gij tot deze moerbei zeggen: Trek uw wortels uit, en plant u in zee; en hij zou u gehoorzamen.
6E il Signore disse: Se voi avete pur tanta fede quant'è un granel di senape, voi potreste dire a questo moro: Diradicati, e piantati nel mare, ed esso vi ubbidirebbe.
7Wie van u, die een knecht heeft, ploeger of veehoeder, zal tot hem zeggen. als hij thuis komt van het veld: Kom gauw hier aan tafel?
7Ora, chi è colui d'infra voi, il quale, avendo un servo che ari, o che pasturi il bestiame , quando esso, tornando dai campi, entra in casa , subito gli dica: Passa qua, mettiti a tavola?
8Neen; zal hij niet tot hem zeggen: Maak mijn eten klaar; omgord u, en bedien me, totdat ik klaar ben met eten en drinken; daarna kunt ge zelf eten en drinken?
8Anzi, non gli dice egli: Apparecchiami da cena, e cingiti, e servimi, finchè io abbia mangiato e bevuto, poi mangerai e berrai tu?
9Is hij den knecht soms dankbaar, omdat hij deed wat bevolen was?
9Tiene egli in grazia da quel servo, ch'egli ha fatte le cose che gli erano stato comandate? Io nol penso.
10Zo moet ook gij, wanneer gij alles gedaan hebt wat u bevolen is, nog zeggen: We zijn onnutte knechten; we hebben alleen maar gedaan, wat we moesten doen.
10Così ancora voi, quando avrete fatte tutte le cose che vi son comandate, dite: Noi siam servi disutili; poichè abbiam fatto ciò ch'eravamo obbligati di fare.
11Op zijn reis naar Jerusalem trok Hij langs de grens van Samaria en Galilea heen.
11OR avvenne che, andando in Gerusalemme, egli passava per mezzo la Samaria e la Galilea.
12Toen Hij zeker dorp binnenging, kwamen Hem tien melaatsen tegemoet. Ze bleven op een afstand staan,
12E come egli entrava in un certo castello, dieci uomini lebbrosi gli vennero incontro, i quali si fermarono da lungi.
13en riepen luid: Jesus, Meester, ontferm U onzer.
13E levarono la voce, dicendo: Maestro Gesù, abbi pietà di noi.
14Toen Hij ze zag, zei Hij hun: Gaat heen, vertoont u aan de priesters. En terwijl ze er heen gingen, werden ze rein.
14Ed egli, veduti li , disse loro: Andate, mostratevi a' sacerdoti. Ed avvenne, che come essi andavano, furon mondati.
15Eén van hen keerde terug, zodra hij zich genezen zag. Met luider stem verheerlijkte hij God;
15Ed un di loro, veggendo ch'era guarito, ritornò, glorificando Iddio ad alta voce.
16en hij viel op zijn aangezicht neer voor zijn voeten, en dankte Hem: en dat was een Samaritaan.
16E si gettò sopra la sua faccia ai piedi di Gesù, ringraziandolo. Or colui era Samaritano.
17Nu nam Jesus het woord, en sprak: Zijn er geen tien gereinigd? Waar zijn de negen anderen?
17E Gesù prese a dire: I dieci non son eglino stati nettati? e dove sono i nove?
18Heeft men niemand anders terug zien keren, om eer te brengen aan God, dan dezen vreemdeling alleen?
18Ei non se n'è trovato alcuno, che sia ritornato per dar gloria a Dio, se non questo straniero?
19En Hij zeide tot hem: Sta op, en ga heen; uw geloof heeft u gered.
19E disse a colui: Levati, e vattene; la tua fece ti ha salvato.
20De farizeën vroegen Hem: Wanneer komt het koninkrijk Gods? Hij gaf hun ten antwoord: Het koninkrijk Gods komt zonder opzien te verwekken.
20ORA, essendo domandato da' Farisei, quando verrebbe il regno di Dio, rispose loro, e disse: Il regno di Dio non verrà in maniera che si possa osservare.
21Men zal niet zeggen: Zie, hier is het; zie, daar is het. Want zie, het koninkrijk Gods is midden onder u.
21E non si dirà: Eccolo qui, o eccolo là; perciocchè ecco, il regno di Dio è dentro di voi.
22Nu sprak Hij tot zijn leerlingen: Er zullen dagen komen, dat gij zult wensen, één der dagen van den Mensenzoon te zien; en gij zult Hem niet zien.
22Or egli disse ancora a' suoi discepoli: I giorni verranno che voi desidererete vedere un de' giorni del Figliuol dell'uomo, e non lo vedrete.
23Men zal tot u zeggen: Zie, ginds is Hij; zie, hier is Hij. Gaat er niet heen, en loopt niemand na.
23E vi si dirà: Eccolo qui, o eccolo là; non vi andate, e non li seguitate.
24Want zoals de bliksem flikkert, en van de ene kant van de hemel naar de andere flitst, zó zal de Mensenzoon er zijn op zijn dag.
24Perciocchè, quale è il lampo, il quale, lampeggiando, risplende da una parte di sotto al cielo infino all'altra, tale ancora sarà il Figliuol dell'uomo, nel suo giorno.
25Maar eerst moet Hij veel lijden, en verworpen worden door dit geslacht.
25Ma conviene ch'egli prima sofferisca molte cose, e sia rigettato da questa generazione.
26En zoals het was in de dagen van Noë, zo zal het ook in de dagen van den Mensenzoon zijn.
26E come avvenne a' dì di Noè, così ancora avverrà a' dì del Figliuol dell'uomo.
27Men at en dronk, huwde en huwde uit, tot op de dag, dat Noë de ark binnentrad, en de zondvloed kwam en allen verzwolg.
27Gli uomini mangiavano, beveano, sposavano mogli, e si maritavano, infino al giorno che Noè entrò nell'arca; e il diluvio venne, e li fece tutti perire.
28Of zoals het was in de dagen van Lot: men at en dronk, kocht en verkocht, plantte en bouwde.
28Parimente ancora, come avvenne a' dì di Lot: la gente mangiava, bevea, comperava, vendeva, piantava ed edificava;
29Maar op de dag, dat Lot uit Sódoma ging, liet God het vuur en zwavel uit de hemel regenen, en verdelgde allen.
29ma, nel giorno che Lot uscì di Sodoma, piovve dal cielo fuoco e zolfo, e li fece tutti perire.
30Zo zal het ook gaan op de dag, waarop de Mensenzoon verschijnt.
30Tal sarà il giorno, nel quale il Figliuol dell'uomo apparirà.
31Wie die dag op het dakterras is en zijn meubels in huis heeft hij dale niet af, om ze mee te nemen; en wie op het veld is, kere niet terug.
31In quel giorno, colui che sarà sopra il tetto della casa, ed avrà le sue masserizie dentro la casa, non iscenda per toglierle; e parimente che sarà nella campagna non torni addietro.
32Denkt aan de vrouw van Lot.
32Ricordatevi della moglie di Lot.
33Wie zijn leven tracht te redden, zal het verliezen; en wie het verliest, zal het behouden.
33Chiunque avrà cercato di salvar la vita sua la perderà; ma chi l'avrà perduta farà ch'ella viverà.
34Ik zeg u: In die nacht zullen er twee op één bed liggen: de een wordt opgenomen, de ander achtergelaten;
34Io vi dico che in quella notte due saranno in un letto; l'uno sarà preso, e l'altro lasciato.
35twee zullen er niet de handmolen malen: de een wordt opgenomen, de ander achtergelaten;
35Due donne macineranno insieme; l'una sarà presa, e l'altra lasciata.
36-
36Due saranno nella campagna; l'uno sarà preso, e l'altro lasciato.
37Ze antwoordden Hem: Waar, Heer? Hij zei hun: Waar het aas ligt, daar zullen zich ook de gieren verzamelen.
37E i discepoli , rispondendo, gli dissero: Dove, Signore? Ed egli disse loro: Dove sarà il carname, quivi ancora si accoglieranno le aquile.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.