Lucas 17
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Kulish and Puluj Bible (1905)
1Nog sprak Hij tot zijn leerlingen: Het is onvermijdelijk, dat er ergernissen komen; maar wee hem, door wien ze komen.
1Рече ж до учеників: Не можна не прийти поблазням; горе ж, через кого приходять!
2Het ware hem beter, dat hem een molensteen om de hals werd gehangen, en hij zó in de zee werd geworpen, dan dat hij aan een dezer kleinen ergernis geeft.
2Лучче б йому було, коли б жорно млинове почеплено на шию йому, та й укинуто в море, нїж щоб зблазнив одного з малих сих.
3Neemt u in acht. Als uw broeder zondigt, berisp hem; en als hij tot inkeer komt, vergeef hem.
3Озирайтесь на себе. Коли погрішить проти тебе брат твій, докори йому, й коли покаєть ся, прости йому.
4En als hij zevenmaal daags tegen u misdoet en zevenmaal tot u terugkeert, en zegt: Het spijt me: dan moet ge hem vergeven.
4І коли сїм раз на день погрішить проти тебе, й сїм раз на день обернеть ся до тебе, кажучи: Каюсь; прости йому.
5En de apostelen zeiden tot den Heer: Vermeerder ons geloof.
5І казали апостоли Господеві: Прибав нам віри.
6En de Heer sprak: Zo gij een geloof hadt als een mosterdzaadje, dan zoudt gij tot deze moerbei zeggen: Trek uw wortels uit, en plant u in zee; en hij zou u gehoorzamen.
6Рече ж Господь: Коли б ви мали віру з зерно горчицї, то сказали б шовковинї оцїй: Викоренись і посадись у морю, то послухала б вас.
7Wie van u, die een knecht heeft, ploeger of veehoeder, zal tot hem zeggen. als hij thuis komt van het veld: Kom gauw hier aan tafel?
7Хто ж з вас, слугу мавши, ратая чи пастуха, як ійде з поля, скаже йому зараз: Прийшовши сїдай їсти?
8Neen; zal hij niet tot hem zeggen: Maak mijn eten klaar; omgord u, en bedien me, totdat ik klaar ben met eten en drinken; daarna kunt ge zelf eten en drinken?
8А чи не скаже йому: Наготов менї що вечеряти, та підперезавшись послугуй менї, поки їсти му та пити му, а потім їсти меш і пити меш ти?
9Is hij den knecht soms dankbaar, omdat hij deed wat bevolen was?
9Чи дякує тому слузї, що зробив, що звелено йому?
10Zo moet ook gij, wanneer gij alles gedaan hebt wat u bevolen is, nog zeggen: We zijn onnutte knechten; we hebben alleen maar gedaan, wat we moesten doen.
10Так і ви, коли зробите все, що звелено вам, кажіть: Що слуги ми нїкчемні; бо, що повинні зробити, зробили.
11Op zijn reis naar Jerusalem trok Hij langs de grens van Samaria en Galilea heen.
11І сталось, як ійшов Він у Єрусалим, і проходив серединою Самариї та Галилеї,
12Toen Hij zeker dorp binnenging, kwamen Hem tien melaatsen tegemoet. Ze bleven op een afstand staan,
12і, як увійшов ув одно село, зустріло Його десять прокажених чоловіків, що стояли оддалеки.
13en riepen luid: Jesus, Meester, ontferm U onzer.
13І піднесли вони голос, кажучи: Ісусе, наставниче, помилуй нас.
14Toen Hij ze zag, zei Hij hun: Gaat heen, vertoont u aan de priesters. En terwijl ze er heen gingen, werden ze rein.
14І побачивши рече їм: Ідїть покажіть себе священикам. І сталось, як пійшли вони, очистились.
15Eén van hen keerde terug, zodra hij zich genezen zag. Met luider stem verheerlijkte hij God;
15Один же з них, бачивши, що одужав, вернувсь, голосом великим прославляючи Бога,
16en hij viel op zijn aangezicht neer voor zijn voeten, en dankte Hem: en dat was een Samaritaan.
16і, припав лицем до ніг Його, дякуючи Йому; а був він Самарянин.
17Nu nam Jesus het woord, en sprak: Zijn er geen tien gereinigd? Waar zijn de negen anderen?
17Озвав ся ж Ісус і рече: Чи не десять очистились? девять же де?
18Heeft men niemand anders terug zien keren, om eer te brengen aan God, dan dezen vreemdeling alleen?
18Не знайшлись, щоб вернувшись оддати славу Богу, тільки чужоземець сей?
19En Hij zeide tot hem: Sta op, en ga heen; uw geloof heeft u gered.
19І рече йому: Уставши йди; віра твоя спасла тебе.
20De farizeën vroegen Hem: Wanneer komt het koninkrijk Gods? Hij gaf hun ten antwoord: Het koninkrijk Gods komt zonder opzien te verwekken.
20Як же спитали Його Фарисеї, коли прийде царство Боже, відказав їм, і рече: Не прийде царство Боже з постереганнєм,
21Men zal niet zeggen: Zie, hier is het; zie, daar is het. Want zie, het koninkrijk Gods is midden onder u.
21анї казати муть: Дивись, ось воно; або: Дивись, он, бо царство Боже у вас усерединї.
22Nu sprak Hij tot zijn leerlingen: Er zullen dagen komen, dat gij zult wensen, één der dagen van den Mensenzoon te zien; en gij zult Hem niet zien.
22Рече ж до учеників: Прийдуть днї, що бажати мете один з днїв Сина чоловічого видїти, та й не побачите.
23Men zal tot u zeggen: Zie, ginds is Hij; zie, hier is Hij. Gaat er niet heen, en loopt niemand na.
23І казати муть вам: Дивись, ось; або: Дивись, он; не йдїть і не ганяйтесь.
24Want zoals de bliksem flikkert, en van de ene kant van de hemel naar de andere flitst, zó zal de Mensenzoon er zijn op zijn dag.
24Бо, як блискавиця, блиснувши з одного краю під небом, до другого краю під небом сьвітить, так буде й Син чоловічий дня свого.
25Maar eerst moet Hij veel lijden, en verworpen worden door dit geslacht.
25Перше ж мусить Він багато терпіти, й відцураєть ся Його рід сей.
26En zoals het was in de dagen van Noë, zo zal het ook in de dagen van den Mensenzoon zijn.
26І як сталось за днїв Ноя, так буде й за днїв Сина чоловічого.
27Men at en dronk, huwde en huwde uit, tot op de dag, dat Noë de ark binnentrad, en de zondvloed kwam en allen verzwolg.
27Їли, пили, женились, оддавались, аж до дня, як увійшов Ной у ковчег, і настав потоп, та й вигубив усїх.
28Of zoals het was in de dagen van Lot: men at en dronk, kocht en verkocht, plantte en bouwde.
28Так само, як сталось і за Лота; їли, пили, торгували, продавали, насаджували, будували,
29Maar op de dag, dat Lot uit Sódoma ging, liet God het vuur en zwavel uit de hemel regenen, en verdelgde allen.
29которого ж дня вийшов Лот із Содома, линуло огнем та сїркою з неба та й вигубило всїх.
30Zo zal het ook gaan op de dag, waarop de Mensenzoon verschijnt.
30Так же буде й в день, котрого Син чоловічий відкриєть ся.
31Wie die dag op het dakterras is en zijn meubels in huis heeft hij dale niet af, om ze mee te nemen; en wie op het veld is, kere niet terug.
31Того дня, хто буде на криші, а надібє його в хатї, нехай не злазить узяти його; й хто на полї, так само нехай не вертаєть ся назад.
32Denkt aan de vrouw van Lot.
32Спогадайте Лотову жінку.
33Wie zijn leven tracht te redden, zal het verliezen; en wie het verliest, zal het behouden.
33Коли хто шукати ме душу свою спасти, погубить її, а хто погубить її, оживить її.
34Ik zeg u: In die nacht zullen er twee op één bed liggen: de een wordt opgenomen, de ander achtergelaten;
34Глаголю вам, тієї ночі буде двоє на однім ліжку; один візьметь ся, а другий зоставить ся.
35twee zullen er niet de handmolen malen: de een wordt opgenomen, de ander achtergelaten;
35Дві молоти муть укупі; одна візьметь ся, а друга зоставить ся.
36-
36Двоє будуть у полї; один візьметь ся, а другий зоставить ся.
37Ze antwoordden Hem: Waar, Heer? Hij zei hun: Waar het aas ligt, daar zullen zich ook de gieren verzamelen.
37І озвавшись кажуть до Него: Де, Господи? Він же рече їм: Де тїло, там збирати муть ся орли.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.