Lucas 4
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Kulish and Puluj Bible (1905)
1Toen verliet Jesus, vervuld van den Heiligen Geest, de Jordaan, en werd door den Geest naar de woestijn gevoerd,
1Ісус же, Духа сьвятого повний, вернувсь од Йордану, і був ведений Духом у пустиню,
2veertig dagen lang; en Hij werd door den duivel bekoord. In al die dagen at Hij niets; en toen ze ten einde waren, kreeg Hij honger.
2і сорок днїв спокушуваний від диявола. І не їв нічого днїв тих, а як скінчились вони, опісля зголоднїв.
3Nu sprak de duivel tot hem: Indien Gij Gods Zoon zijt, zeg tot die steen, dat hij brood moet worden.
3І каже Йому диявол: Коли ти Син Божий, скажи каменеві сьому, щоб став ся хлїбом.
4Jesus antwoordde hem: Er staat geschreven: “De mens zal niet leven van brood alleen”.
4І озвавсь Ісус до него, глаголючи: Писано, що не хлїбом самим жити ме чоловік, а кожним словом Божим.
5Daarna voerde hij Hem naar een hoger punt, en toonde Hem in een enkel ogenblik al de koninkrijken der wereld.
5І вивівши Його диявол на гору високу, показав Йому всї царства вселенної в одну хвилину.
6En de duivel zeide Hem: Ik zal U al die macht en de heerlijkheid daarvan geven; want mij zijn ze geschonken, en ik geef ze, wien ik wil.
6І каже Йому диявол: Тобі дам власть оцю всю і славу їх, бо менї передано, й кому я схочу, дам її.
7Wanneer Gij mij aanbidt, zal dit alles het uwe zijn.
7Ти ж коли поклониш ся передо мною, буде твоє все.
8Jesus antwoordde hem: Er staat geschreven: “Ge zult den Heer uw God aanbidden, en Hem alleen dienen”.
8І, озвавшись до него, рече Ісус: Геть від мене, сатано, писано бо: Кланяти меш ся Господеві Богу твоєму, й Йому одному служити меш.
9Nu voerde hij Hem naar Jerusalem en plaatste Hem op het dakterras van de tempel. En hij zei Hem: Indien Gij Gods Zoon zijt, werp U dan van hier naar beneden.
9І повів він Його в Єрусалим, і поставив Його на крилї церковньому, й каже Йому: Коли ти Син Божий, кинь ся звідсїля вниз:
10Want er staat geschreven: Zijn engelen zal Hij over U bevelen, om U te behoeden;
10писано бо: Що ангелам своїм накаже про Тебе, оберегати Тебе,
11en ze zullen U op de handen dragen, opdat Gij aan geen steen uw voet zoudt stoten.
11і що на руках підіймуть Тебе, щоб инколи не вдаривсь об камінь ногою Твоєю.
12Jesus antwoordde hem: Er is gezegd: “Ge zult den Heer uw God niet beproeven”.
12І озвавшись рече йому Ісус: Що сказано: Не будеш спокушувати Господа Бога твого.
13Nadat de duivel al zijn bekoringen had uitgeput, verliet hij Hem voor een tijd.
13І скінчивши всї спокуси, диявол одійшов од Него до часу.
14Toen keerde Jesus in de kracht van den Geest naar Galilea terug. En zijn faam drong heel de omtrek door.
14І вернувсь Ісус у силї Духа в Галилею; і поголос розійшов ся по всїй околицї про Него,
15Hij gaf onderricht in hun synagogen, en werd door allen geëerd.
15І навчав Він по школах їх, славлений од усїх.
16Zo kwam Hij ook te Názaret, waar Hij was groot gebracht, en ging naar gewoonte op de sabbat naar de synagoge. Toen Hij opstond, om de voorlezing te houden,
16І прийшов у Назарет, де був зрощений, і прийшов звичаєм своїм, субітнього дня в школу, і став читати.
17reikte men Hem het boek van den profeet Isaias over. Hij rolde het boek open, en trof de plaats, waar geschreven staat:
17І подано Йому книгу Ісаїї пророка. І, розгорнувши книгу, знайшов місце, де було написано:
18De Geest des Heren rust op Mij; Want Hij heeft Mij gezalfd, Om aan armen de blijde boodschap te brengen.
18Дух Господень на менї, котрого ради намастив мене; благовістити вбогим післав мене, сцїляти розбитих серцем, проповідувати полонянам визвіл і слїпим прозріннє, випускати замучених на волю,
19Hij heeft Mij gezonden, Om aan gevangenen verlossing, Aan blinden genezing te verkondigen; Om verdrukten in vrijheid te stellen, Om aan te kondigen het genadejaar van den Heer.
19проповідувати рік Господень приятний.
20Toen rolde Hij het boek dicht, gaf het aan den beambte terug, en zette Zich neer. Aller ogen waren in de synagoge op Hem gevestigd.
20І, згорнувши книгу, віддав слузї, та й сїв. І очі всїх у школї були звернені на Него.
21Nu ving Hij aan, en sprak tot hen: Heden is het Schriftwoord, dat gij gehoord hebt, vervuld.
21Почав же глаголати до них: Що сьогоднї справдилось писаннє се в ушах ваших.
22Allen betuigden Hem bijval, en stonden verbaasd over de lieflijke woorden, die er vloeiden uit zijn mond. En ze zeiden: Is dit niet de zoon van Josef?
22І всї сьвідкували Йому, й дивувались благодатнїми словами, виходячими з уст Його. І казали: Хиба сей не син Йосифів?
23Hij sprak tot hen: Gij zult Mij zeker dit spreekwoord doen horen: Geneesheer, genees uzelf. Doe ook hier in uw vaderstad, wat, naar we vernamen, in Kafárnaum is geschied.
23І рече до них: Певно скажете менї приповість оцю: Лїкарю, вилїчи себе самого; про що ми чули, що сталось у Капернаумі, зроби й тут у своїй країнї.
24Hij ging voort: Voorwaar, Ik zeg u: geen profeet wordt in zijn eigen geboortestad erkend.
24Рече ж: Істино глаголю вам: Що нї один пророк не єсть приятен в отчинї своїй.
25Voorwaar, Ik zeg u: Er waren veel weduwen in Israël in de dagen van Elias, toen de hemel drie jaar en zes maanden gesloten bleef, zodat er over heel het land grote hongersnood heerste;
25По правдї ж глаголю вам: Багато вдовиць було за днїв Ілиї в Ізраїлї, як зачинилось небо на три роки й шість місяцїв, і голоднеча велика стала по всїй землї;
26en toch, tot niemand van haar werd Elias gezonden. maar wel tot een weduwe te Sarepta van Sidónië.
26та й до жодної з них не послано Ілиї, тільки в Сарепту Сидонську до жінки вдовицї.
27Ook waren er veel melaatsen in Israël in de tijd van den profeet Eliseüs; en toch, niemand van hen werd gereinigd, maar wel Naämán, de Syriër.
27І багато прокаженних було за Єлисея пророка в Ізраїлї, та й жоден з них не очистивсь, тільки Неєман Сириянин.
28Toen ze dit hoorden, werden allen in de synagoge woedend;
28І сповнились усї лютостю в школї, почувши се,
29ze sprongen op, wierpen Hem de stad uit, voerden Hem naar de rand van de berg, waarop hun stad was gebouwd, om Hem naar beneden te storten.
29і вставши вигнали Його геть із города, і випровадили Його аж на верх гори, на котрій город їх збудовано, щоб скинути Його.
30Maar Hij ging midden door hen heen, en vertrok.
30Він же, пройшовши серед них, пійшов,
31Nu daalde Hij naar Kafárnaum af, een stad van Galilea, en trad op sabbat als leraar voor hen op.
31і прийшов у Капернаум, город Галилейський, і навчав їх по суботам.
32Men stond verbaasd over zijn leer; want Hij sprak met gezag.
32І дивувались вони наукою Його, бо з властю було слово Його.
33Eens was er in de synagoge een man, met een onreinen, duivelsen geest. Hij riep met luider stem:
33І був у школї чоловїк, маючи духа нечистого, й кричав голосом великим,
34Wel, wat hebt Gij met ons te maken, Jesus van Názaret? Zijt Gij gekomen, om ons in het verderf te storten? Ik weet, wie Gij zijt: de Heilige Gods.
34кажучи: Остав; що нам і Тобі, Ісусе Назарянине? чи прийшов єси вигубити нас? Я знаю Тебе, хто єси: Сьвятий Божий.
35Maar Jesus gebood hem: Zwijg, en ga van hem uit. De geest slingerde hem tussen de omstanders in, en ging van hem uit, zonder hem enig letsel te doen.
35І погрозив йому Ісус, глаголючи: Мовчи й вийди з него. І кинувши ним диявол на середину, вийшов з него, нїчого не зашкодивши йому.
36Allen waren verbaasd, en zeiden tot elkander: Wat mag dat toch zijn? Want met gezag en macht gebiedt Hij de onreine geesten, en ze gaan uit.
36І обняв страх усїх, і говорили один до одного, кажучи: Що се за слово, що властю і силою повелїває нечистим духам, і виходять?
37En zijn faam ging overal in de omtrek rond.
37І розійшов ся поголос про Него скрізь по всїй околицї.
38Toen Hij de synagoge had verlaten, begaf Hij Zich naar het huis van Simon. De schoonmoeder van Simon lag ziek aan zware koorts; en men vroeg Hem haar te helpen.
38Уставши ж Він із школи, ввійшов у господу Симонову. Тещу ж Симонову схопила пропасниця велика, й благали Його за неї.
39Hij boog Zich over haar heen, gebood de koorts, en deze verliet haar. Onmiddellijk stond ze op, en bediende Hem.
39І, ставши над нею, погрозив пропасницї, і покинула її; зараз же уставши, послугувала їм.
40Na zonsondergang brachten allen hun zieken, aan welke kwaal ze ook leden, naar Hem toe; Hij legde hun één voor één de handen op, en genas ze.
40Як же заходило сонце, всї, в кого були недужі на всякі недуги, приводили їх до Него; Він же, на кожного з них руки складаючи, сцїляв їх.
41Ook gingen van velen de boze geesten uit, terwijl ze riepen: Gij zijt de Zoon van God. Maar ten strengste verbood Hij hun te spreken, omdat ze wisten, dat Hij de Christus was.
41Виходили ж і біси з многих, і кричали, кажучи: Що Ти єси Христос, Син Божий. І грозячи, не давав їм говорити, бо вони знали, що Він Христос.
42Toen het dag was geworden, ging Hij heen, en begaf Hij Zich naar een eenzame plaats. De scharen zochten naar Hem; en toen ze Hem hadden bereikt, trachtten ze Hem te beletten, van hen heen te gaan.
42Як же настав день, вийшовши пійшов у пусте місце; й люде шукали Його, й прийшли до Него, й вдержували Його, щоб не йшов від них.
43Maar Hij zeide hun: Ook aan andere steden moet Ik de blijde boodschap van het koninkrijk Gods gaan verkondigen; want daartoe ben Ik gezonden.
43Він же рече до них: Що й иншим городам благовістити менї треба царство Боже; бо на се я посланий.
44En Hij preekte in de synagogen van Judea.
44І проповідував по школах Галилейських.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.